Fischer en Védrine: de ziener en de schaker

Vandaag en morgen in Berlijn, vrijdag weer in Parijs: weinig Europese ministers spreken elkaar zo vaak als Hubert Védrine en Joschka Fischer. Maar over Europa's toekomst worden ze het nooit eens.

Hubert Védrine en Joschka Fischer beloven het elkaar iedere keer weer. De ministers van Buitenlandse Zaken van Frankrijk en Duitsland zullen in het openbaar geen meningsverschillen benadrukken, maar vertellen dat ze overeenstemming willen bereiken. Ze menen het, maar het lukt ze niet.

Beiden zijn ervan overtuigd dat Frans-Duitse compromissen voor de Europese ontwikkeling een basisvoorwaarde zijn. Maar verder hebben Védrine en Fischer weinig gemeen. Het straalt van ze af hoe moeilijk ze samen door één deur kunnen. Ze tonen weinig respect voor hun wederzijdse recepten om de legendarische Frans-Duitse motor van de Europese integratie weer aan de praat te krijgen.

In vrijetijdskleding – zwart T-shirt, donker jasje en spijkerbroek – lijkt Fischer op een arbeider-priester. De vroegere politieke straatvechter heeft een heilige overtuiging. Welke moeilijkheden er ook komen, de Europese Unie zal er ooit in grote lijnen uitzien zoals hij vorig voorjaar schetste in een lezing bij de Berlijnse Humboldt-universiteit. Wat anderen ook mogen denken, de komst van het federale Europa staat zo vast als een natuurwet.

Védrine ontdoet zich bij een informele ontmoeting van zijn stropdas, maar draagt verder als altijd zijn grijze kostuum. Hij is in het vak gekneed bij de vorige Franse president, de socialist François Mitterrand, met wie zijn vader bevriend was. Hij lijkt meer op een simultaanschaker dan op een bevlogen ziener. Hij is in beginsel positief over ieder standpunt van Fischer waarmee hij het oneens is. Want als meningsverschillen duidelijk op tafel komen, kan er over compromissen onderhandeld worden. Compromissen zijn Védrines dagelijks werk. Dat vergt zijn balanceren tussen de socialistische premier Lionel Jospin en de rechtse president Jacques Chirac.

Fischer kent het woord compromis, maar denkt tegelijkertijd over een superieur inzicht te beschikken als het om de toekomstige federale structuur van de EU gaat. Hij kan zijn genoegen niet op over de golf van reacties in heel Europa op zijn Berlijnse rede van vorig jaar. Dit had hij niet voorzien, hoewel hij de toespraak tevoren voor alle zekerheid aan bondskanselier Gerhard Schröder had laten lezen. Deze raadde hem aan op persoonlijke titel te spreken.

Fischer is ervan overtuigd dat de Europese regeringsleiders afgelopen december op de top van Nice alleen dankzij zijn woorden hebben besloten tot onderhandelingen over een nieuw EU-verdrag in 2004. Hij is tevreden dat de Duitse president, Johannes Rau, een toespraak van vorige maand in het Europees Parlement, eerst aan hem liet lezen. Rau sloot zich met die rede in grote lijnen bij de minister van Buitenlandse Zaken aan. Schröder heeft zich vorige week ook voor het federale Europa uitgesproken en de Duitse christen-democratische oppositie denkt er niet veel anders over. Kortom, Fischer heeft consensus in Duitsland gebracht. Over belangrijke detailverschillen tussen de drie lezingen fietst hij gemakkelijk heen.

Dat Védrine het met dat Duitse federale Europa niet eens is, verwondert Fischer niet. Daarvoor spreekt hij de Franse minister te dikwijls. Hij weet ook dat de Europese landen zo veel in de EU hebben geïnvesteerd, dat ze niet meer terug kunnen. Het egoïsme van landen kan tot crises leiden, maar uiteindelijk komen er oplossingen. Zo gaat de EU onvermijdelijk in de richting van een federatie, is Fischers redenering.

Dat maakt de Duitse minister voor Védrine moeilijk grijpbaar. Hij wil dat zijn Duitse collega begrijpt dat Frankrijk zich om historische reden zorgen maakt over een sterk Duitsland. Frankrijk bewoog op de top van Nice niet voor niets hemel en aarde om binnen de EU evenveel stemgewicht te behouden als het wat bevolking betreft grotere Duitsland. Duitse plannen voor een zwaardere rol van het Europees Parlement, waartoe meer Duitsers dan Fransen behoren, zijn voor Frankrijk alleen maar aanleiding tot zorgen.

Als Fischer over compromissen spreekt, heeft hij het meestal niet over macht, maar over geld. Het bracht de Franse premier Jospin er onlangs toe om Schröder te vragen of diens minister van Buitenlandse Zaken misschien naar Financiën wil overstappen. Het liefst zou Fischer problemen van andere EU-landen met een geldbuidel oplossen. Maar Duitsland is niet meer de rijke oom van vroeger. Fischer wil daarom bij onderhandelingen financiële zaken niet met politieke kwesties mengen. Over geld moeten apart pijnlijke compromissen gesloten worden.

Védrine wil juist over veel zaken tegelijkertijd onderhandelen. Dat is een situatie waarin hij iets kan weggeven in ruil voor een toegeving van de andere partij. Fischer probeert echter bij voorkeur bij een nachtelijk cafégesprek een ander van zijn gelijk te overtuigen. Védrine wijst met genoegen op verschillen tussen de toekomstvisies van Fischer, Rau en Schröder. Hij denkt dat het debat over de toekomst van de EU nog lang, zeer lang gaat duren.