Europa doet Bush geen recht

De beeldvorming in Europa van de Amerikaanse president George W. Bush lijkt meer te worden ingegeven door een cultureel anti-Amerikanisme dan door de feiten, meent Cornelis Heesters.

In Europa wordt de Amerikaanse president Bush vaak vergeleken met zijn voorganger Clinton. De laatste is dan de zeer intelligente (misschien ietwat `ondeugende'), betrokken, pro-milieu-internationalist; de eerste de niet al te snuggere, isolationistische cowboy, die tegen het milieu is en in de zak van het bedrijfsleven zit.

Dit soort vertekeningen van de werkelijkheid levert geen bijdrage aan de constructieve en zakelijke aanpak van de grote problemen van onze tijd.

De slechte reputatie die de Republikeinse Bush in vergelijking met de Democratische Clinton op het terrein van het milieu heeft, is onverdiend. Het is hier van belang te bedenken dat veel van de discussies over het milieu zich afspelen binnen de context van een electoraal politiek spel.

De boodschap waarop Democraten in Amerika hameren, is dat men òf voor het milieu, en daarom voor elke wet en maatregel op dit gebied is, òf tegen het milieu en geen enkele wet en regel wil die de natuur beschermt. Dit is mogelijk een effectieve strategie voor electoraal gewin, maar niet voor substantiële discussie.

Arsenicum was een recent voorbeeld van deze strijd. Acht jaar lang had Clinton een besluit met betrekking tot de hoeveelheid arsenicum in het grondwater uitgesteld. Slechts een paar dagen voor zijn vertrek, toen het absoluut duidelijk was dat Bush de nieuwe president zou worden, vaardigde hij een `executive order' uit om de hoeveelheid arsenicum in het grondwater te beperken. Het enige wat Bush heeft gedaan, is het uitstellen van deze beslissing. Hij sluit niet uit dat regelgeving moet worden aangenomen, maar wil een besluit over dit politiek gevoelige onderwerp (het zal veel geld kosten de maatregel uit te voeren) voor zich uit schuiven.

Deze ingreep werd in Europa geplaatst tegen de achtergrond van de consternatie die ontstond toen Bush afstand nam van het zogeheten Kyoto-protocol. De indruk bestaat dat de president niet om het milieu geeft en zijn beleid laat bepalen door het `petrochemisch complex'. Het is echter zeer de vraag of de afspraken van Kyoto werkelijk de milieuproblemen zullen oplossen.

Veelbetekenend is dat Clinton het protocol nooit aan het Congres heeft voorgelegd. Dit kwam deels doordat was vastgesteld dat er in de Senaat 95 stemmen tegen waren. Op z'n minst lijkt Bush een eerlijker positie in te nemen dan Clinton.

Er zijn een aantal factoren die de effectiviteit van `Kyoto' twijfelachtig maken. Zo zijn landen als China (dat hard op weg de grootste vervuiler in de wereld te worden), India en Indonesië, geen partij bij het verdrag.

Verder is er geen effectief uitvoeringsmechanisme. Als landen zoals Japan, dat aangekondigd heeft niet aan de maatstaven te kunnen voldoen, in gebreke zijn, is er geen manier om dit af te dwingen.

Ten slotte lijkt het protocol een instrument te zijn geworden van een cynisch politiek complot. Een poging van de VS om een aanvaardbaar compromis te bereiken door middel van een `handelssysteem voor kooldioxide' werd, volgens een Canadese minister, door de Europeanen verworpen zodat zij zich konden profileren als de pro-milieupartij en de VS kon worden afgeschilderd als de anti-milieupartij.

Het is bovendien niet fair om de gehele VS qua milieu over één kam te scheren. De vergelijking moet niet Nederland-VS zijn, maar Europa plus een gedeelte van Oost-Europa versus de VS. Er zijn Amerikaanse staten die volstrekt binnen de maatstaven van Kyoto vallen en sommige gebieden, net als in Europa, niet. En waar Europa door de sluiting van vervuilende fabrieken en centrales in Oost-Duitsland en de overschakeling op natuurlijk gas in Engeland een buffer heeft, bestaat deze niet voor Amerika.

Een ander feit dat in de Europese discussie niet aan de orde is gekomen, is de beslissing die Bush heeft genomen over de samenstelling van diesel. Ondanks de oppositie van de olie-industrie, heeft hij geweigerd maatregelen te herroepen die tot doel hebben vervuilende elementen uit diesel te verwijderen. Hij schrok niet terug voor een politieke koers die de olie-industrie miljoenen gaat kosten.

Mogelijk bewijst Bush met zijn beleid aangaande `Kyoto' de wereld een dienst door de internationale gemeenschap te dwingen een meer effectief systeem te ontwikkelen.

Op het terrein van de buitenlandse politiek heerst in Europa het vooroordeel dat Bush terug wil, misschien nog net niet naar `fort Amerika', maar dan toch zeker naar een meer isolationistisch beleid. Er is echter nog geen duidelijke visie voor het buitenlandse beleid geformuleerd en er is geen sprake van dat de VS zich van de wereld willen isoleren. Wel wil hij de rol van de VS evalueren in het licht van de huidige situatie en in termen van het nationale belang en realistische aspiraties.

Een kwestie die meespeelt is het door Bush gewenste ruimteschild tegen raketten, dat een ondoordringbare tent over de VS zou moeten optrekken. Met name Rusland lijkt hier op tegen, maar ook in West-Europa leven grote reserves. Er is echter een sterk moreel argument dat ontwikkelingen in deze richting rechtvaardigt. Het strategisch concept dat ten grondslag ligt aan het bestaande ABM-verdrag, dat raketdefensie in Rusland en de VS aan banden legt, is dat beide landen er zeker van zijn elkaar te kunnen vernietigen. Na het einde van de Koude Oorlog is het niet te rechtvaardigen defensiebeleid op zo'n concept te baseren. Overigens is het ruimteschild geen militair panacee; er zijn nog veel technische problemen.

Het einde van de Koude Oorlog brengt ook met zich mee dat de Europeanen hun relatie met de VS evalueren. Zonder de dreiging van de Sovjet-Unie komt de latente tweeslachtigheid van de Europese positie gemakkelijker boven drijven. Aan de ene kant bestaat de indruk dat de VS zich te weinig bekommeren om wat andere landen denken. Dit wordt gekoppeld aan het gevaar van Amerikaans unilateralisme. Om zich hier tegen te beschermen moet Europa zijn eigen machtsbasis ontwikkelen. Aan de andere kant is er een groeiend gevoel dat de VS van plan zijn Europa aan zijn lot zal over te laten.

De centrale vraag voor de toekomstige relatie tussen de VS en Europa is dan ook wat de voornaamste reden is voor de politieke optuiging van de Europese Unie en de werking van de EU als groot economisch blok. Is het Europa er wellicht primair om te doen een tegenwicht te vormen tegen de hegemonie van de VS?

De Amerikaanse diplomatie van de laatste jaren is niet altijd een voorbeeld van tact en nederigheid geweest. Madeleine Albright was niet het meest diplomatiek toen ze over de VS als de `onmisbare natie' sprak. En Richard Holbrooke's behoefte om zich in de internationale schijnwerpers te plaatsen was niet het hoogtepunt van gepaste bescheidenheid. Het was in deze context dat Bush sprak over een meer nederig beleid.

Zo'n beleid betekent niet een poging zich terug te trekken uit de wereldproblemen. Want het is in het nationale belang van de VS betrokken te blijven bij de wereld, zodat ze ontwikkelingen vorm kunnen geven, anders dan in een louter reactionaire positie geplaatst te worden.

De activiteiten van de regering-Bush duiden er niet op dat ze zich van Europa en de Atlantische gemeenschap wil losmaken. Er zijn voorstellen om te bestuderen welke troepen nodig zijn in Bosnië. Die zijn nuttig zeker gezien het feit dat er al lang geen groot materieel gebruikt is en men zich redelijkerwijs kan afvragen of de aanwezigheid daarvan nog steeds noodzakelijk is. Er is echter geen enkel Amerikaans plan zich uit Kosovo terug te trekken.

De vitaliteit van NAVO en de transatlantische relatie zijn van belang, ook voor deze regering, omdat ze in de woorden van Václav Havel de ,,Euro-Amerikaanse beschaving veiligstellen en zo een garantie voor mondiale zekerheid vormen''.

Drs. C. Heesters is als research associate in de sociale, politieke en culturele studies verbonden aan het American Enterprise Institute in Washington.