Schoon

,,Nee ik niet, ik heb eergisteren nog afgewassen, samen met Anita.'' ,,Niet waar'', roept Wim, ,,eergisteren was je niet eens thuis.'' Met leugentjes en smoezen probeerden we ons aan het afwassen te onttrekken. Tegenwoordig beschikt vrijwel elk gezin over een afwasmachine, maar toen ik klein was werd de vaat altijd met de hand gedaan.

Eerst werd er op de kachel een ketel water aan de kook gebracht. In het geëmailleerde teiltje dat in de gootsteen werd gezet, werd vervolgens krachtig met een zeepklopper door het afwaswater geslagen tot er een flinke laag schuim ontstaan was. De zeepklopper was een klein metalen korfje van dun gaas met een steel eraan. Het kon open en dicht en er paste precies een stuk harde zeep in van het merk Klok of Sunlight.

Naast de borden, kopjes, glazen, pannen en bestek werden een tijdlang ook de plastic boterhammenzakjes gewassen om opnieuw gebruikt te worden. We kunnen ons dat nu nauwelijks nog voorstellen maar overal zag je ze aan de waslijnen hangen. Buiten de zakjes moest plastic in die tijd nog aan zijn opmars beginnen. Manden waren gemaakt van wilgetenen. Ketels, teilen en emmers van verzinkt of geëmailleerd ijzer.

Was de afwas al een heel werk, voor de witte en de bonte was kwam nog heel wat meer kijken. De witte was werd eerst gekookt. Dit gebeurde op het fornuis of op de keukenkachel in een grote zinken ketel met deksel en een inhoud van zo'n 50 à 60 liter. Voor verdere bewerking of om gespoeld te worden werden de stukken wasgoed een voor een uit het hete water gevist. Dit gebeurde met de `wasstok', een dikke houten knuppel van zo'n 60 cm lengte die door het hete water helemaal gerimpeld en wit uitgeslagen was. Hij voelde heel glad aan.

In de schuur draaide intussen de wasmachine. Wij hadden een van de eerste modellen, een Erres. De meeste wasmachines in die tijd bestonden uit een ronde blankhouten tobbe op pootjes met daaronder een elektromotor. De onze was vierkant en de glimmend gelakte duigen liepen door tot op de grond. In het midden van de bak zaten vier schoepen die telkens een halve slag heen en een halve slag terug maakten. Er zat geen wateraansluiting op het apparaat; het moest met emmers worden gevuld.

Maar deze machine was al een hele verbetering vergeleken met de manier waarop oma nog waste. Zij gebruikte nog de `stamper'. Deze bestond uit twee halve metalen bollen met een veer ertussen. Dit geheel was aan een steel bevestigd. Door in de tobbe te stampen werd er lucht in het waswater gepompt. Dit bevorderde en versnelde het wasproces. Voor extra vuile stukken nam ze haar toevlucht tot het wasbord. Een geribbelde metalen plaat in een houten frame. Het wasgoed werd hier krachtig overheen gewreven. Het wasbord is nu alleen nog in gebruik als muziekinstrument. Een paar maanden geleden zag ik op de Karelsbrug in Praag nog een Dixielandbandje optreden. De wasbordman gaf met zijn stalen opzetnagels een aantal virtuoze solo's.

Voor de was werd opgehangen werd deze eerst door een wringer gedraaid. De twee met veren tegen elkaar gedrukte rubberen rollen persten een groot deel van het water weg, en als je niet uitkeek ook het bloed uit je vingertoppen. Centrifuges en wasdrogers waren nog onbekend. Meestal werd de was opgehangen in de tuin. Het natte wasgoed was zo zwaar dat de lijnen helemaal doorzakten en in het midden ondersteund moesten worden met een lange stok waarin aan het uiteinde schuin een spijker was geslagen. Bij ons thuis `liendepoal' (lijnpaal) genoemd.

In de winter vroor het wasgoed vaak droog. Ik zie mijn moeder nog worstelen met de stijfbevroren lakens. Ze liep op klompen waar de sneeuw onder vastklontte zodat het leek of ze steeds groter werd. Ze droeg Noorse sokken over de bruine nylon kousen. Haar handen waren rood van de kou en de adem kwam als witte damp uit haar mond. Ik mocht soms een stijf bevroren overhemd naar binnen brengen, de armen uitgestrekt. Wanneer je het bij de kraag beetpakte en voor de kachel hield zakten even later de mouwen met een zucht naar beneden.

    • Gerrit Kolthof