Op zoek naar verloren vermogens

Hoeveel vermogen hadden de Europese joden voor de oorlog? Hoeveel kunnen ze in veiligheid hebben gebracht? De Britse econome Helen Junz heeft een ,,avontuurlijke'' speurtocht gemaakt naar de antwoorden. ,,De cijfers zijn gezond en plausibel''.

Een legpuzzel waarin de meeste stukjes ontbreken, deze aanblik biedt volgens de Britse econome Helen B. Junz het beeld van de vooroorlogse vermogens van de joden in Europa. Junz is vandaag aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op een proefschrift over joodse vermogens in Oostenrijk, Nederland, Duitsland, Hongarije, Frankrijk en Polen. ,,De brokjes informatie die ik vond waren rietjes in de wind, waarvan ik een mand moest vlechten,'' zegt Junz.

De commissie-Volcker werd enkele jaren geleden ingesteld om naspeuringen te doen naar slapende rekeningen bij Zwitserse banken, waar veel joden voor de Tweede Wereldoorlog hun vluchtkapitaal hadden gestald. Om de vondsten in de archieven te kunnen toetsen, wilde Volcker weten hoeveel joods (vlucht-)kapitaal er in Europa was geweest. Junz, die de voormalige president van het Amerikaanse stelsel van centrale banken (Fed) al zo'n dertig jaar kent, werd gevraagd om de joodse vermogens in kaart te brengen. ,,Door mijn werk voor de Fed, het Amerikaanse ministerie van Financiën, de economische adviescomissie van Clinton en het Internationaal Monetair Fonds werd ik in staat geacht een macro-economisch onderzoeksmodel te ontwikkelen'', zegt Junz.

Dat model is een mengeling van geschiedschrijving, demografie, sociografie en econometrie. In de onderzochte landen, waar voor de oorlog driekwart van de Europese joden woonde, werd gekeken hoe groot het joodse bevolkingsbestandeel was en tot welke welstandklassen de joden behoorden. Vervolgens stelde Junz vast hoeveel mensen waarschijnlijk vermogen hadden opgebouwd – gerekend vanaf een inkomen dat het mogelijk maakt te sparen – en hoe groot de vermogens geweest zijn – door op de inkomens een vermenigvuldigingsfactor los te laten. Tenslotte onderzocht Junz hoe het vermogen was samengesteld om te schatten welk deel over de grens gebracht kon zijn, omdat bijvoorbeeld aandelen nu eenmaal makkelijker zijn te verplaatsen dan huizen.

Zo behoorde in Nederland, waar de in Berlijn geboren Junz haar jeugd doorbracht, ongeveer de helft van de 140.000 joden tot de paupers. Slechts 36.000 van hen betaalde belasting en door de laagste en de allerhoogste inkomens uit de berekeningen te filteren kwam Junz uit op 22.000 joden, die vermogen hebben opgebouwd. Dat kwam wonderwel overeen met de gegevens uit de archieven van de Duitse roofbank Lippmann Rosenthal & Co. Van de 42.000 `rekeninghouders' hadden er 22.000 meer dan 100 gulden op hun rekening staan. Volgens Junz hadden de joden per huishouden meer vermogen dan het gemiddelde in Nederland. ,,Dat komt doordat joden wat ouder waren – en ouderen hebben meer geld dan jongeren – en doordat relatief veel joden in de stad woonden'', verklaart Junz: ,,Dat beeld zie je ook in andere landen.''

In totaal becijfert Junz het vooroorlogse vermogen van Nederlandse joden op 1,65 miljard gulden (in guldens van destijds), waarvan dankzij het hoge effectenbezit ongeveer een vijfde over de grens gebracht kan zijn, vooral naar de Verenigde Staten. De 1,65 miljard is veel meer dan het bedrag van 1 miljard, dat de accountants van KPMG voor de commissie-Van Kemenade hebben becijferd. Het verschil – ,,dezelfde gegevens, andere benadering'' – verklaart Junz uit het feit dat KPMG geen rekening heeft gehouden met de ontwaarding van joods bezit tijdens de oorlog en evenmin met nooit betaalde belastingen. ,,KPMG heeft niet gekeken naar belastingontduiking en zegt niets over belastingontwijking, terwijl de wet ook toen loopholes bood om de belastingafdracht te verminderen. Bovendien was de belastingdienst indertijd niet erg succesvol met het innen van zwart geld'', zegt Junz.

De belastinggegevens zijn cruciaal geweest voor Junz' ,,avontuurlijke'' speurtocht door Europa, waar harde gegevens moeilijk zijn te achterhalen. Minister Zalm (Financiën), die door Junz herhaaldelijk wordt geprezen, gaf niet alleen inzage in de gegevens over vermogensbelasting en successierechten – ,,uniek en fantastisch'' – maar stelde ook mensen beschikbaar om de gegevens voor Junz te bewerken. In Polen daarentegen was het archiefmateriaal rudimentair en bovendien nauwelijks toegankelijk, terwijl in Frankrijk de archieven op slot zijn zolang de commissie-Mateoli nog bezig is. Oostenrijk is de grootste schatkamer dankzij de omvangrijke nazi-archieven, die ook in Duitsland en Nederland een belangrijke bron waren. ,,Het is ironisch dat de meeste harde gegevens over joodse vermogens afkomstig zijn van de nazi-bestanden.''

Alles bij elkaar komt Junz tot een bedrag van 12,1 of 12,9 miljard dollar – afhankelijk van de omrekeningstabel – voor het vermogen van de Europese joden in de onderzochte landen. Hoewel niet heel groot in aantal (550.000) bezaten de Duitse joden daarvan het grootste deel – 5 miljard – dankzij het feit dat een uitzonderlijk groot deel van hen (60 procent) tot de middenklasse behoorde. De tweede plaats wordt ingenomen door de Poolse joden, die hoewel doorgaans straatarm (90 procent waren paupers) wel met zeer velen waren: 3,3 miljoen. Junz schat dat van de 12,1 miljard dollar zo'n 3 miljard over de grens gebracht had kunnen worden.

,,Ik voel me zeker over deze cijfers. Ze zijn gezond en plausibel. De cross checks zoals die ik in Nederland heb kunnen doen tussen de Liro-archieven en de belastinggevens hebben me verder gesterkt'', zegt Junz. Dan: ,,In de VS heb ik een vergelijkbaar onderzoek gedaan voor de regering-Clinton. Alle gebruikte documenten zijn genummerd en beschikbaar voor iedereen – als de medewerkers in de Clinton Library de dozen tenminste uitpakken. Ik weet niet zeker wat de Mateoli-commissie of de commissie-Van Kemenade gaan doen, maar ik vind dat ook de door hen geraadpleegde documenten makkelijk toegankelijk moeten worden.''

Helen B. Junz; Where did all the money go? Pre-Nazi Era Wealth of European Jewry; ISBN 90-9014747-0