Beschaving gaat boven de markt uit

Al of niet marktwerking heeft niets met beschaving te maken, vindt Gerrit Manenschijn.

Aad van Mourik heeft ongetwijfeld gelijk als hij in zijn artikel `De vrije markt is een zegen voor de beschaving' (Opiniepagina, 3 mei) stelt dat de huidige problemen in de zorg, het onderwijs en de landbouw niet te wijten zijn aan marktwerking, maar aan politieke interventies die marktwerking verstoren. Aan bijna alle problemen die genoemd worden in het artikel `De beschaving moet gered worden' van elf bestuursleden van de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving' (Opiniepagina, 1 mei) liggen politieke beslissingen ten grondslag. Daar ligt de oorzaak, niet bij marktwerking. Maar die beslissingen werden genomen met het argument meer marktwerking mogelijk te maken.

Marktwerking blijkt een toverwoord te zijn, dat dienst doet om aan politieke beslissingen een schijn van economische rationaliteit te geven. En nu doet het weer dienst om die beslissingen onder kritiek te stellen. Van Mourik is zich van dit willekeurig beroep op marktwerking goed bewust, want terecht zegt hij dat de vrije markt niet kan functioneren in een ethisch vacuüm. Dat is de centrale stelling van zijn betoog, die hij niet verder uitwerkt. De vraag is echter: hoe voorkom je dat er in de samenleving een ethisch vacuüm ontstaat? Niet door marktwerking mogelijk te maken en ook niet door marktwerking tegen te gaan, want marktwerking is als allocatieprincipe en prijsmechanisme een neutraal instrument. Pas door de manier waarop het wordt ingezet wordt duidelijk of marktwerking al of niet een bijdrage levert aan de beschaving. De stelling dat marktwerking een zegen is voor de beschaving is even willekeurig als haar tegendeel, dat zij een vloek is voor de beschaving. Wat voor de beschaving beslissend is, is het ethisch kader waarbinnen het marktprincipe functioneert. Zo zag Adam Smith het (terecht door Van Mourik in dit verband genoemd), en zijn visie heeft niets aan actualiteit verloren.

Adam Smith heeft niet alleen over economie geschreven, maar ook over ethiek. En die twee heeft hij niet tegen elkaar uitgespeeld. De beroemde openingszin van zijn imposante studie over de oorsprong en werking van moraal, The Theory of Moral Sentiments, luidt: ,,Hoe zelfzuchtig de mens ook mag zijn, toch blijken er in zijn natuur principes te bestaan, die hem belang doen stellen in het welzijn van anderen, en die maken dat het voor hem noodzakelijk wordt dat zij gelukkig zijn, ook al ervaart hij van hún geluk niets anders dan zíjn genoegen er getuige van te zijn.'' In deze zin staat alles waar het Smith om gaat: economische subjecten zijn geen abstracte factoren, maar levende mensen. Zij hebben verschillende handelingsmotieven, van kaal eigenbelang tot genereuze vrijgevigheid. Een normaal mens is pas gelukkig als hij ziet dat anderen ook gelukkig zijn. Dat betekent concreet: bestrijding van armoede, goede zorg, werk, zelfrespect en de mogelijkheid zich te ontwikkelen. Daaruit blijkt welke handelingsmotieven de keuzes van mensen bepalen en hoe zij gebruik maken van het marktmechanisme. Niet dat mechanisme moet hen besturen, maar zij moeten dat mechanisme besturen.

Dat het om mensen gaat die bewuste keuzes doen en zich daarvoor verantwoordelijk weten, dát mis ik, zowel bij bestuursleden van de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving', als bij Van Mourik. De reden zal zijn dat in het gangbare economisch denken de mens als bewust handelend wezen naar de achtergrond is gedrongen en plaats heeft moet maken voor abstracte voorstellingen van mechanismen die werken buiten menselijke bedoelingen en inschattingen om. Daar is inderdaad bij Adam Smith wel iets van te vinden, vooral in de Wealth of Nations. Maar hij heeft de uitgangspunten van The Theory of Moral Sentiments nooit verloochend.

Niet alleen in ethische beslissingen, ook in economische keuzes staat bij Smith de mens als handelend subject centraal. Merkwaardig genoeg komt de mens als bewust handelend subject tegenwoordig in volle glorie te voorschijn in de medische ethiek, want heel de wetgeving op euthanasie berust op de veronderstelde autonomie van mensen. Mijn voorstel is om ook economische subjecten aan te spreken op hun autonomie, en dat betekent altijd op hun morele integriteit. Je bent niet autonoom als je doet wat je wilt, maar als je jouw zelfstandig genomen beslissing kunt verdedigen vanuit een onpartijdig moreel gezichtspunt. Als je je voor exorbitante verrijking beroept op marktwerking, zoals topmanagers deden die op een voor hen onaangename manier in het nieuws kwamen, ben je niet autonoom, althans niet volgens Immanuel Kant, de `uitvinder' van autonomie. Je laat de beslissing bepalen door krachten buiten jou; de mogelijkheid om te besluiten je niet te verrijken laat je schieten. Je kunt ook gewoon zeggen: het beroep op marktwerking om exorbitante verrijking te rechtvaardigen is een doorzichtige smoes. Je wilt dat geld gewoon. Het kan zijn nut hebben eraan toe te voegen dat Smith diepe minachting koesterde voor op geld beluste lieden.

Het is van belang te onderscheiden hoe Smith het ethisch kader invult waarbinnen de markt optimaal kan functioneren. Niet met zedelijkheid, maar met rechtvaardigheid. Dus vooral geen moralisme en ethische betutteling. Veeleer het besef dat mensen gelijke toegang moeten hebben tot de arbeidsmarkt, tot de gezondheidszorg en tot de instituten van onderwijs, educatie en wetenschap. En niet te vergeten: gelijkheid voor de wet.

Het tweede thema waaraan Smith aandacht besteedt, is hoe mensen, gezien hun uiteenlopende handelingsmotieven, opereren in een samenleving waar marktwerking is geaccepteerd (in zijn tijd was dat iets nieuws). Beslissend is dat volgens hem niet marktwerking de motor van de economie is, maar ,,de begeerte onze eigen levensomstandigheden voortdurend te verbeteren, welke begeerte in de baarmoeder in ons komt en ons niet eerder verlaat dan in het graf''. De bedoeling is duidelijk: de begeerte om onze eigen levensomstandigheden te verbeteren hoeft niet aangeleerd te worden, die is ons eigen van de wieg tot het graf.

Heel anders is het gesteld met de menselijke eigenschappen die deze begeerte in goede banen moeten leiden, dat is een levenslang leerproces. Ethisch verantwoord handelen moet worden aangeleerd. In de The Theory of Moral Sentiments spreekt Smith van de ,,grote school van zelfbeheersing'', waar we leren onze impulsen aan zelfdiscipline te onderwerpen, in welk leerproces we nooit afgestudeerd zullen zijn. Hij onderscheidt twee typen zelfbeheersing: prudentiële zelfbeheersing en morele zelfbeheersing. In de prudentiële zelfbeheersing stelt men zich onder de tucht van de markt; in de morele zelfbeheersing onder de tucht van zowel gerechtigheid als daadwerkelijke welgezindheid. Morele zelfbeheersing komt niet in plaats van prudentiële zelfbeheersing, maar staat hoger in rangorde. In een liberale marktmaatschappij moet je morele weerstand kunnen bieden tegen de verleiding op oneigenlijke wijze materieel voordeel te behalen. De reputatie moreel integer te zijn moet je veel waard zijn, meer nog dan de reputatie een handig ondernemer of een uitgekookt politicus te zijn. Om met een bijbelwoord te spreken: oprecht als de duiven en listig als de slangen.

Deze realistische visie van Adam Smith is het waard onder de aandacht van beleidsmakers te brengen. In alles waarin het misgaat gaat het niet mis omdat de markt wel of niet zijn werk doet, maar omdat het te vaak ontbreekt aan prudentiële en morele zelfbeheersing. Gewoon jezelf zijn, dat was het adagium van de jaren negentig. Juist de instituten waar de zelfbeheersing moet worden aangeleerd: opvoeding, onderwijs, zorginstanties, zijn aan slijtage onderhevig geraakt. Slechts voor een deel heeft de politiek daar schuld aan, voor het grootste deel de mensen zelf. De politiek kan verweten worden dat zij te veel is meegegaan met sociaal desintegrerende trends en geen principiële weerstand heeft durven bieden. Het wordt tijd het aloude spreekwoord in ere te herstellen: de markt is een goede dienstknecht, maar een slechte meester.

Dr. G. Manenschijn is emeritus hoogleraar ethiek. Hij heeft studie gemaakt van de verhouding tussen eigenbelang en moraal bij Thomas Hobbes en Adam Smith.