Revolutie als decor

Laura strekt haar handen uit naar het stroompje dat uit de rotsen welt en brengt ze gevuld met water naar haar mond. Ik richt mijn camera. Druppels trekken een spoor langs haar kin en hals. Het lijkt geënsceneerd. Ze poseert. Ze flirt. Zonlicht vloeit door het bladerdak en tekent vlinders op haar huid.

In Havana voegde ze zich bij het gezelschap om de reis naar het zuidelijk deel van het eiland te maken. Ze is Française en fotomodel. Diva divina. Sinds ik haar ontmoette, dreigt Cuba te veranderen in een achtergrond voor haar poses.

Op commando stappen de toeristen weer in de bus en zetten de bezichtiging van de Revolutie voort. We rijden de bergen in, de Sierra Maestra, bakermat van rebellen.

Op 1.300 meter hoogte is de top van de Gran Piedra. Beneden breekt de Caraïbische zee op de rotsen. De hemel is bleek. Verder naar het oosten – wordt ons uitgelegd – ligt bij Guantánamo de omstreden Amerikaanse basis. Ik breng de zoeker van de camera voor mijn rechteroog. Laura kijkt over het water – moment de rêverie, verbeeld ik me als onderschrift voor de foto – even beweegt de wind haar jurk – weer klikt de camera – au l'air du printemps.

Met z'n tweeën dalen we af. De rest van het gezelschap heeft geen animo ons te volgen. Ze blijven, in groepjes verspreid, staren naar het vergezicht.

We passeren een militaire post. Soldaten staan bij de ingang. Ik voel hoe hun blikken Laura's schouders, rug en billen betasten. Ik richt de camera – sous les regards des héros de la Révolution. Ze heeft een knalrode jurk aan. Haar bewegen is overwogen. Ze weet wat ze doet. De Revolutie is haar decor.

Tussen de bomen ligt het huis dat men ons van bovenaf wees en waarvan we toen het pannendak nauwelijks konden onderscheiden. Men zegt dat hier een slavenhandelaar woonde, die het verbod op deze commercie ontdook.

Onder het huis zijn schemerige kelders. Kettingen, blokken en boeien hangen als stille getuigen aan de wanden. Laura huivert. Flitslicht betrapt haar – excentrique sous les tropiques. Een stenen trap aan de buitenkant leidt haar naar de entree. Niemand te zien. Alleen de slavenhaler zelf – een schele piraat, op een vergeelde foto – volgt haar met een achterdochtige blik. Met mij als enige voyeur. Laura beweegt zich door sober ingerichte kamers, tussen strakke meubels, donker gepolijst. Zij is het middelpunt. Ze buigt zich over een tafel waarop het portret van een meisje, een bijbeltje in ivoor gevat, een tasje van slangenleer en een benen kam, gebruiksvoorwerpen van de bezitters die hier huisden en zich verrijkten aan hun zwarte handel.

We moeten terug. Maar de zon verdwijnt. Een zuil van regen verheft zich tegen de donkere lucht. We zijn gevangen. Het water gutst van het dak. Kleine stroompjes vormen grotere, spoelen de aarde schoon. Alles is als bij toverslag geraakt door een bruisende activiteit. We wachten af, verrast door de plotselinge barrière, die ons van de bewoonde wereld scheidt. Laura staat bij het raam. Ze voelt de camera – songe exotique d'un après-midi.

Even plotseling als hij kwam, is de stortvloed over. De heuvels dampen in de zon. De blauwe zee en hemel herenigen zich aan de horizon. Het gezelschap heeft te lang op ons moeten wachten. We nemen onze plaatsen weer in. Met verontschuldigingen. We zijn bezweet van het klimmen. De bus daalt in de vallei aan de voet van de Gran Piedra, langs mangobomen, die met hun takken vol vruchten over de weg reiken, langs beken die in zichzelf pratend het regenwater verwerken.

's Avonds wordt er gedanst op het terras van het hotel, El Rancho, dat uitziet over de lichtjes van Santiago en de haven daarachter. Een aantal toeristen besluit naar de monding van de baai te rijden. Met zijn zessen nemen we plaats op de rode, lederen banken van een witte Chevrolet Cabriolet 1956, die de Revolutie voor ons heeft geconserveerd. Laura zit voorin. Ze heeft een T-shirt aan met het portret van Che Guevara erop gedrukt. Ik heb haar een moment in beeld. Haar donkere haar golft – au vent du soir.

In de buitenwijken raken we klem in een menigte. In de verte klinkt muziek. We stappen uit en begeven ons in de massa. Naarmate de klanken luider worden, gaat het ritmisch bewegen over in dansen. Muzikanten tronen op houten torens. Ze slaan op trommels, kruiken, triangels, staven, gongs. Het dreunt tot in onze ingewanden, zet de stroefste lichamen in beweging, niemand ontkomt eraan, het is magie. Uitgelaten, transpirerende gezichten draaien om ons heen en boven ons deint de sterrenhemel mee. Elders barst vuurwerk los. `Cuba libre!' klinkt het. En dan de honderdvoudige echo: `Cuba libre! Cuba libre!' Ik zie – in een flits van mijn camera – het uitgelaten bewegen van Laura – exaltée par la musique. Che plakt op haar huid en accentueert de vormen van haar lichaam.

Het lukt me niet meer mijn zoeker op haar te richten. De film is vol. Ik verlies haar uit het oog. Plotseling wordt de – van Laura zwangere – camera uit mijn handen geslagen. Ik duik haar achterna, wring me tussen benen, probeer wanhopig haar te redden. Maar een stroom van dansende mensen duwt me weg, stuwt me voort, voert me mee langs watervallen en stroomversnellingen. Boven mijn hoofd ontplooien zich artificiële sterrenregens in allerlei kleuren. De massa dringt op, beneemt me de ruimte, de adem. Ik ben in het hart van de storm. Ik moet hieruit. Ik word verslonden. `Cuba libre! Cuba libre!'