Europese Unie diep verdeeld over oostwaartse uitbreiding

De uitbreiding van de Europese Unie stuit op vergaande meningsverschillen onder de vijftien lidstaten. Dit bleek dit weekeinde op een bijeenkomst van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken in het Zweedse Nyköping.

De discussies spitsten zich toe op de overgangstermijn van zeven jaar die Duitsland en Oostenrijk willen voor het toelaten van werknemers uit nieuwe lidstaten in Oost-Europa. Spanje, Portugal en Griekenland willen daarmee alleen instemmen als de andere EU-lidstaten hun financiële steun garanderen. Na de uitbreiding moet het geld uit de structuur- en cohesiefondsen voor arme gebieden in de EU worden herverdeeld. De Zuid-Europese landen vrezen dat ze steun die ze nu ontvangen dan kwijtraken aan nieuwe lidstaten.

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer zei dat het vrije verkeer van werknemers niets met geld heeft te maken. Bovendien zei hij dat onderhandelingen over een nieuwe verdeling van de structuurfondsen pas in 2004 beginnen. De huidige regeling loopt in 2006 af. De EU wil de onderhandelingen over de uitbreiding in 2002 afronden. Wachten op de onderhandelingen over de structuurfondsen zou de uitbreiding aanzienlijk vertragen.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine zei dat de onderwerpen van de EU-uitbreiding niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Volgens hem zullen de vijftien landen van de EU over de zaken die het moeilijkst liggen uiteindelijk allemaal tegelijk onderhandelen. Hij noemde landbouw, vrij verkeer van werknemers en structuurgelden.

Zweden, fungerend EU-voorzitter, wil medio juni op de Europese top in Gotenburg een akkoord over het vrije verkeer van werknemers. Maar veel ministers vinden dat te optimistisch. Volgens voorzitter Romano Prodi van de Europese Commissie kan de Zuid-Europese landen een politieke garantie gegeven worden dat de financiële steun die zij nu van de EU ontvangen niet te veel achteruit gaat.

Duitsland wil van zo'n compromis echter niets weten. De Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, Josep Piqué, zei dat als Duitsland de uitbreiding van de EU van groot belang vindt, het zijn land daarvoor niet moet laten betalen. Duitsland vindt echter dat de uitbreiding heel Europa aangaat. Het heeft bovendien niet het geld om de steun van Zuid-Europese landen af te kopen, zoals in het verleden dikwijls is gebeurd.

Duitsland vreest een golf van migranten uit Oost-Europa als er geen lange overgangstermijn voor het vrije verkeer van werknemers komt. De Commissie ziet het niet zo somber. Zij heeft een overgangstermijn voorgesteld van vijf jaar, die met twee jaar verlengd kan worden. Na twee jaar zouden de EU-landen eenstemmig tot afschaffing van de overgangstermijn kunnen besluiten als de immigratie meevalt. De Nederlandse minister Jozias van Aartsen vindt dit onvoldoende flexibel. Hij wil dat eventueel een meerderheid van lidstaten het besluit moet kunnen nemen.