Een vorige editie

Soms lijkt herdenken ook wel wachten, maar waarop. Een kindje dat op zijn vaders schouders zat terwijl wij op 4 mei op het grasveld bijeenstonden om gezamenlijk te gaan zwijgen, vroeg steeds weer: `gaat het nu beginnen?' Maar het begon niet, de mensen stonden maar wat, de vogels floten, er werd zoals gebruikelijk wat aarzelend het Wilhelmus gezongen en daarna gingen we weer naar huis. Er was niets gebeurd, zoals gebruikelijk. Er was weer niemand teruggekeerd, er was weer niets ongedaan gemaakt, niet met terugwerkende, noch met vooruitwerkende kracht.

Twee dagen eerder werd op de televisie de documentaire `Onbekende kinderen' vertoond, gemaakt door Anette Apon en Daphne Meijer. Allemaal oude mensen die praatten over het kind dat ze ooit geweest moesten zijn, en dat ze ook zelf niet kenden. Niemand kon hun iets over dat kind vertellen, over zijn ouders, over waar het woonde en hoe het leefde vóór het veranderde in een `onbekend kind'. Ze waren in het weeshuis van Westerbork terechtgekomen – hoe, dat wist bijna geen van hen. Wat ze daar deden? Geen herinnering. Ze zijn op transport gesteld, als een groep `onbekende kinderen'. Van sommigen stond de voor- en achternaam op de transportlijst, van anderen alleen de voornaam, van sommigen niets. De namen zijn niet altijd goed, want veel kinderen hadden ondergedoken gezeten en een nieuwe naam gekregen. Na de oorlog moesten ze een identiteit krijgen, een huis, soms familie, vaak niet. Een vrouw vertelde dat ze nog altijd haar broer mist, niet haar ouders of haar andere familieleden, aldoor maar haar broer. Ze kijkt nog altijd om zich heen of ze hem ziet, of hij toevallig in dezelfde bus zit als zij, op straat loopt, in een menigte verschijnt. Maar naar wie zoekt ze? Een kind van zes, gezocht als broer door een vrouw van in de zestig. Dat kan niet.

De voormalig onbekende kinderen hebben nu al een heel leven achter zich, en aan het begin daarvan staat een kind dat ze niet kennen. Dat geldt in zekere zin voor iedereen, maar niet zo pregnant als voor deze mensen. Maar toch, we laten voortdurend onbekenden achter die onder onze naam leefden, op onze foto's voorkomen en onze brieven schreven. De Braziliaanse schrijver Machado d'Assis heeft het steeds weer over dat raadsel van de verandering, hij heeft het in dat verband over `edities'. De mens komt steeds weer in een andere editie, steeds worden de vorige edities herzien, `tot aan de definitieve editie die de uitgever cadeau geeft aan de wormen'. In een van zijn schitterende korte verhalen vertelt hij over een meisje dat trouw belooft aan haar zeeman voor hij op reis gaat. Hij komt terug, en zij is getrouwd met een ander. Hoe dat kan, wil de zeeman weten, ze had toch trouw beloofd? Jawel, zegt het meisje, dat beloofde ik en dat meende ik. Maar zo gaat dat nu eenmaal. Nu is het anders. Toen het meisje trouw beloofde, was ze in een vorige editie.

In zijn boek De menselijke soort, uit 1947 maar nu onlangs in het Nederlands vertaald, beschrijft de Franse schrijver Robert Antelme zijn eigen vorige editie, als gevangene in een bijkamp van Buchenwald. Zijn ervaringen laten zich eigenlijk niet beschrijven, zoals Antelme benadrukt, maar hij probeert het toch, al schrijft hij: `zodra we begonnen te vertellen, verstomden we'. Hij schrijft onder meer over hoe men daarginds al snel een ander werd: `van de man zoals zijn vrouw die had zien vertrekken was hij een van ons geworden, voor haar een onbekende'. Zelf zal hij bij zijn terugkeer ook niet door zijn vrouw, de schrijfster Marguerite Duras, herkend worden. Ze heeft daarover geschreven in haar schitterende boek La douleur, over het wachten op zijn terugkomst, over de voorstellingen die ze zich maakt, de vragen die ze zich stelt. En als hij dan eindelijk komt, een wrak van nog maar 35 kilo, rent ze in doodsnood weg: `Ik herken hem niet'. Alleen zijn glimlach, even, die herkent ze, `maar van heel ver weg'. In het essay dat de uitgave van Antelmes boek begeleidt, legt Etty Mulder een verrassend verband met de terugkeer van Odysseus, evenmin door zijn vrouw herkend. Het leven heeft iemand anders van ze gemaakt, van die terugkeerders. Ze zijn in een nieuwe editie, waarin sommige van de bekende en gekoesterde zinnen niet meer staan. In zekere zin komt er dus nooit iemand terug. Want wie terugkomt is een ander, ook voor zichzelf. En degene die `ginds' was, is iemand die hier niet gekend wordt, maar die er wel was.

Misschien is dat ook het raadselachtig vervreemdende van het herdenken, van dat terugdenken aan en wachten op mensen die in geen enkel opzicht meer bestaan. Het herdenken is bijna letterlijk, we moeten ze opnieuw denken, zowel degenen die verdwenen zijn als degene die zijn teruggekeerd – want wie is er teruggekeerd? Niet degene die vertrok.

Het mooist is dat misschien beschreven door Jorge Luis Borges, die in het gedicht `Alexander Selkirk' een Schotse zeeman aan het woord laat die na een schipbreuk vijf jaar in eenzaamheid over zee heeft gekeken, terugverlangend naar zijn land. Nu is hij terug, zijn vijf jaar eenzaamheid zijn een relaas geworden `dat ik oplepel, als een bezetene', een relaas is nu ook diegene die over de zee uitkeek, die man die hij niet meer is. En dan eindigt het gedicht zo: ,,Maar wat te doen opdat die ander weet/ Dat ik hier ben, gered, onder de mijnen?''