Zwakke modellen

De vergelijking van apengedrag met dat van vroege hominiden bestaat zelden uit heldere analogieën. `Het verre verleden wordt dichtgemetseld met makkelijke projecties uit het heden' aldus David van Reybrouck.

Bestudering van de chimpansee kan goede verklaringsmodellen leveren voor het gedrag van vroege mensachtigen, aldus een breed gedragen opvatting. Maar volgens wetenschapshistoricus en archeoloog dr. David van Reybrouck is deze analogie in logische termen zwak. Het lijkt vooral een voortzetting van negentiende eeuws denken. Tot die conclusies komt hij in zijn proefschrift From primitives to primates. A history of ethnographic and primatological analogies in the study of prehistory (Leiden, 2000). Van Reybrouck bestudeerde daarvoor drie discussies uit paleoantropologie en archeologie. Het gaat om het negentiende eeuwse debat over de menselijke evolutie, de twintigste eeuwse reactie daarop en het naoorlogse, primatologische discours.

Met de ontdekking van de Neanderthaler in 1856 en het inzicht dat deze mensachtige in dezelfde tijd moest hebben geleefd als lang uitgestorven dieren, ontstond een kolossaal hiaat in de vertrouwde chronologie. Dat gat in de tijd schreeuwde om een opvulling. ``Men vond die in etnografische observaties'', zegt Van Reybrouck. ``Destijds waren dat berichten van ontdekkingsreizigers, missionarissen en koloniale administrateurs. En daarin meenden de eerste antropologen een antwoord te vinden op het probleem waarvoor de archeologie zich gesteld zag.''

Wenkbrauwbogen

Men formuleerde een analogie die er op neerkwam dat voor elk van de perioden van de menselijke ontwikkeling een correlaat in het heden kon worden gevonden: sommige rassen waren in de prehistorie blijven hangen. Een reis om de wereld werd een reis in de tijd.

Zo had Edward Taylor, de vader van de antropologie, er geen enkele moeite mee om de Australische aboriginals met hun dikke wenkbrauwbogen en primitieve werktuigen te beschouwen als levende voorbeelden van Neanderthalers. Van Reybrouck: ``Dit is het klassiek Victoriaanse evolutionisme. Hun analoge redenering steunde hoofdzakelijk op gelijkenis. Dat wenkbrauwbogen op elkaar lijken zegt echter niets. Wil een analogie zeggingskracht hebben dan komt daar meer bij kijken dan alleen gelijkenis. Zo maken verschillen een analogie zwakker, maar daar had men geen oog voor. Ook de relevantie van de gelijkenis werd niet gewogen, een andere logische eis. En dus kwam men met een conclusie die veel te zwaar was.''

Na de Tweede Wereldoorlog wordt hiërarchisch denken en spreken over rassen vermeden. Groepen mensen in andere omstandigheden werden `niet-Westerse culturen'. Over prehistorische reminiscenties wordt nauwelijks nog gerept. Maar in de jaren vijftig ontstond de primatologie, de gedragsstudie van apen. Van Reybrouck: ``Die is niet voortgekomen uit nieuwsgierigheid naar dierlijk gedrag, maar naar het gedrag van vroege hominiden. Want er was een nieuw conceptueel probleem. Er waren vreemde fossielen gevonden die veel aapachtiger waren dan de al bekende Homo erectus. Dateringen van bijna twee miljoen jaar sloegen wederom een gat in de bestaande chronologie. Je ziet dan dat iemand als Leakey, die deze fossielen vond, heel bewust mensen als Jane Goodall en Diana Fossey naar het oerwoud stuurde om het gedrag van primaten te bestuderen. Om zo het gedrag van vroege hominiden te reconstrueren.''

Het eerste model was het bavianenmodel. Die waren makkelijk te bestuderen: ze zaten naast het hotel en de jeep van de primatologen. Maar bavianen vertonen veel agressie, mannetjes zijn dominant en twee keer zo groot als vrouwtjes. In de jaren zeventig is daarom het chimpanseemodel populair geworden. Dat werd gepropageerd door invloedrijke, feministisch geïnspireerde antropologen zoals Adrienne Zihlman en Nancy Tanner. Chimpansees gedroegen zich een stuk vriendelijker en de band tussen moeder en kind was wellicht belangrijker dan die tussen dominante mannetjes. En daarna volgde het bonobo-model. Deze nog goedaardiger lijkende chimpanseesoort beantwoordde wéér een beetje beter aan het heersende culturele ideaal.

Het chimpanseemodel kreeg eind jaren tachtig een stroom van kritiek over zich heen, maar is toch gebleven, evenals het bonobomodel. Nieuwe observaties van hun hoge cognitieve vaardigheden en complexe sociale gedrag maakten de modellen zelfs steeds aantrekkelijker. Resultaten van biomoleculair onderzoek deden daar nog eens een schep bovenop. Chimpansees, bonobo's en mensen bleken maar liefst 98 % overlap te hebben in hun genetisch materiaal.

``Ook hier heeft men zich laten misleiden door oppervlakkige gelijkenis. Dat soort DNA-resultaten zijn de dikke wenkbrauwbogen van vandaag'', aldus Van Reybrouck. ``Beide modellen relativeren de verschillen met de moderne mens en diens gedrag. Laten we echter wel wezen, de discrepanties tussen mens en chimpansee of bonobo zijn toch indrukwekkend! Maar nee, neem Nancy Tanners boek On becoming human uit 1981. Daarin beschrijft ze het gedrag van vroege hominiden drie hoofdstukken lang letterlijk aan de hand van chimpansees. Of het werk van Sarah Blaffer Hrdy. Dat is weliswaar genuanceerder, maar ook daar leunen de reconstructies van vroeg-menselijke gedragingen zeer sterk op moderne primaten.''

William McGrew gebruikt de chimpansee als een ondergrens voor werktuiggebruik, Craig Stanford als stand-in om de oorsprong van het jagen te kunnen begrijpen. Van Reybrouck: ``Vooral Stanford gaat erg ver. Hij gebruikt de gelegenheidsjacht door chimpansees als bewijsmateriaal voor het ontstaan van de jacht bij mensen zoveel miljoen jaar geleden. Daarover publiceerde hij in 1999 een boek: The hunting apes. Meat-eating and the origin of human behaviour. Met die jagende mannetjes zijn we hier inhoudelijk ver weg van het feministische plaatje van voedselverzamelen en moeder-kind relaties, maar vormelijk is er niets veranderd: de projectie van moderne bron-analogieën op een complexe doel-analogie, zonder bekommernis om de relevantie. Allicht zijn chimpansees interessanter als model dan bavianen. Maar je kunt van de chimpansees geen levende fossielen maken.''

Makkelijke projecties

En daarmee lijkt men in de primatologie bezig aan een herhaling van negentiende-eeuwse zetten. Het verre verleden wordt niet verhelderd door goede analogieën, maar dichtgemetseld met makkelijke projecties uit het heden. ``Net zoals Aborigines geen levende voorouders zijn maar duizenden jaren van eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt, zo heeft de chimpansee sinds de splitsing met de gemeenschappelijke voorouder van mensapen en mensachtigen zes tot zeven miljoen jaar eigen evolutie achter de rug'', stelt Van Reybrouck. ``We weten daar bedroevend weinig over. Uit het fossielenbestand is niets bekend. En áls een oeroud fossiel wordt gevonden met aapachtige trekken dan blijkt men meteen geneigd daar een mensachtige in te zien. Dat is immers veel aantrekkelijker. In de analogieën wordt er dus ook nog eens stilletjes vanuit gegaan dat chimpansees sinds die splitsing niet meer veranderden. Dit is absoluut drijfzand, nergens op gebaseerd.''

David Van Reybrouck ziet een oplossing voor het analogieprobleem in de samenspraak tussen archeologen en primatologen, iets dat naar zijn bevindingnog te weinig gebeurt. De eersten hebben anderhalve eeuw van logische en methodologische discussies achter de rug, de tweeden beschikken over prachtig materiaal maar logisch zwakke modellen. Hij geeft een voorbeeld. ``Archeologen beweren al jarenlang dat de mens kleinere hoektanden heeft gekregen door een toenemend gebruik van werktuigen. Dat is nooit bewezen. Men ziet alleen op een gegeven moment werktuigen in het archeologisch bestand opduiken naast hominiden met kleinere hoektanden. En daarop werd die veronderstelling gebaseerd. We weten nu dat chimpansees werktuigen hebben en dat er veel variatie bestaat in het gebruik daarvan. Chimpansees in West-Afrika hanteren meer stenen werktuigen dan in Oost-Afrika waar ze vooral bezig zijn met takken en twijgjes. Het zou interessant zijn om na te gaan wat daarvan de invloed is op hun gebit. Een archeologische vraagstelling waar je primatologisch materiaal voor nodig hebt. Maar de situatie is nu zo dat primatologen die vraag niet eens kennen en archeologen onkundig zijn van het materiaal waarover primatologen beschikken.''