Vrijzinnigheid

Peter van Walsum heeft gelijk (NRC Handelsblad, 28 april). Tussen een metaforische uitleg van het geloof en ongeloof bestaat nauwelijks verschil. Zo'n vijftien jaar geleden had ik een collega die theologie gestudeerd had. ,,Waarom ben je geen dominee geworden,'' wilde ik weten. ``Ach, ongelovige dominees zijn er al genoeg,'' meende hij. Intrigerend is Van Walsums vraag hoe iemand zijn kinderen in oprechtheid kan voorhouden wat met de wetenschap niet te rijmen valt. Van Walsum laat twee keuzes: of toch maar flink opschuiven in metaforische richting, of elk respect voor de wetenschap in het algemeen loslaten.

De vraag is mijns inziens of wonderen – zoals de opstanding – mogelijk zijn. Die vraag is zuiver filosofisch. Geleerden spreken er met evenveel gezag over als wie dan ook. Ik geloof, met van Walsum, ,,dat er een realiteit is die ver boven de onze uitgaat,''. Maar ik verbind daaraan de geloofsconclusie dat er een werkelijkheid is die buiten de natuur staat en zich onttrekt aan de natuurwetten. Een historische werkelijkheid hoeft dan nog niet een natuurlijke verklaring te hebben. Er zou wel eens bovennatuurlijke reden voor kunnen zijn. Het wetenschappelijk ondenkbare is dan nog niet onbestaanbaar en de werkelijkheid is meer dan het wetenschappelijk waarneembare. Geloof ik. En probeer dat mijn kinderen uit te leggen.