VOORLICHTING 2

Paul Schnabel hoort stemmen in een andere kamer als hij mijn proefschrift `Levend weefsel' over de Nederlandse landbouwontwikkeling leest (W&O 21 april 2001). Hij krijgt niet te pakken wat daar verteld wordt. Hij houdt het dan maar op zijn eigen verhaal: de Nederlandse boeren zijn hun grondstoffen van over de grens gaan halen, en daarom ging het op een gegeven moment mis. Dat vindt hij niet in mijn boek terug, en daarom concludeert hij dat het echte verhaal kopje onder is gegaan.

Het is spijtig dat hij de deur niet open wist te krijgen om te horen of er misschien ook een ander verhaal mogelijk is. Nu weet ik als voorlichter wel dat je het de ander niet moet verwijten wanneer jouw boodschap niet over komt. Maar misschien is er in dit geval nog iets anders aan de hand. Mijn onderzoek illustreert hoe we elkaar steeds nieuwe verhalen hebben verteld over de manier waarop de landbouwsector in de samenleving functioneerde en verder moest, omdat het verhaal waarin we waren gaan geloven tekort schoot voor nieuwe vraagstukken. Ik heb bovendien onderzocht wat een nieuw verhaal zou opleveren voor de vraagstukken van nu.

Dat nieuwe verhaal gaat verder dan de wetenschap die de weg wijst, of de markt die bepaalt wie wint en verliest. In het verhaal dat ik heb onderzocht worden menselijke netwerken voorgesteld als levende organismen die gezond of ziek kunnen zijn. In een gezond netwerk neemt de bereidheid van mensen toe om zich ervoor in te zetten en die inzet op elkaar af te stemmen, in het vertrouwen dat zij samen in staat zullen zijn om de verstoringen op te vangen. Dat is decennia lang gebeurd in de Nederlandse landbouw, waardoor een buitengewoon hecht en creatief netwerk ontstond. Elk succes wordt op den duur echter een beperking omdat men teveel op het succesverhaal gaat leunen. Dan worden signalen van verstoring te laat waar genomen en blijft een goede respons uit. Ook dat is in de afgelopen decennia in de Nederlandse landbouw onontkoombaar duidelijk te zien.

De huidige MKZ-crisis biedt een trieste illustratie in dubbel opzicht. Ten eerste wordt nu duidelijk dat de verhalen waarop het beleid 10 jaar geleden werd gebaseerd te krap waren. Het wetenschappelijke verhaal van beheersing van productieomstandigheden waarmee het virus buiten de deur gehouden zou kunnen worden, met een te calculeren risico, blijkt nu te beperkt. Op zijn minst heeft men een aantal belangrijke risico's over het hoofd gezien. Het economische verhaal dat dit risico een koele rekensom zou zijn van kosten voor ruiming, kosten voor enting, en opbrengsten van export, blijkt nu onacceptabel. Dat mensen nu in opstand komen tegen het doden van zoveel gezonde dieren is meer dan een emotionele en onverstandige gril.

Ten tweede is de crisis een opmerkelijke bevestiging voor de overeenkomst tussen menselijke netwerken en andere biologische systemen als levende organismen. Virologen vertellen me dat ook virussen evolutionair gezien een functie hebben: ze verstoren de orde waardoor nieuwe vormen van leven een kans krijgen. Hoe langer een virus buiten een populatie gehouden wordt, hoe groter de schade is wanneer het uiteindelijk toch doorbreekt. De populatie verliest zijn weerbaarheid en het virus wordt gemener. In plaats van het koesteren van de illusie dat we het kwaad buiten de deur kunnen houden doen we er beter aan om te erkennen dat ook de verstoringen bij het leven horen.

Dat is nodig om aan weerbare, gezonde netwerken te bouwen. Ik geloof niet dat dit nieuwe verhaal zo lastig te verstaan is. Het vraagt echter om een persoonlijke stap: het loslaten van de illusie dat er een 'echt verhaal' bestaat. Dat is een deur die alleen de lezer zelf kan openmaken.