Trauma als identiteit

Het Maandblad Geestelijke volksgezondheid [MGv] 2001, nr.5. Uitgave Trimbos-instituut en Bohn Stafleu Van Loghum [030-6383736] Losse nummers ƒ18,–

Het kan verkeren. Kort na de oorlog bestond er in Nederland de oprechte opvatting dat erkenning van psychische problemen door oorlogsbelevenissen, in verzet en concentratiekamp, die problemen alleen maar gróter zou maken. Het probleem werd natuurlijk wel gesignaleerd. De getroffenen werden `nurks' en `querulatorisch' en ze `achtten zich misdeeld', zo observeerde de geneesheer-directeur van een sanatorium. ``Maar men moest mensen die `in de stralenkrans der verrichte daden willen blijven lopen' niet sterken, en men hielp `eenvoudige mensen die als kinderen om verwenning vragen' en `mensen met een slecht geestelijk evenwichts-apparaat' niet door hen `rond te draaien in de draaistoel hunner verdiensten' tot het ze duizelde.''

Het deze week verschenen Maandblad Geestelijke Gezondheidszorg wordt gedomineerd door een uitvoerige artikel van socioloog en NIOD-medewerker Jolande Withuis, die in een uitvoerig artikel de houding van de geestelijke gezondheidszorg beschrijft ten opzichte van de wat zij zelf noemt: `geestelijke oorlogsschade'. En zoals vaak bij goed historisch onderzoek van de recente geschiedenis maken de verschillen scherp bewust van de vanzelfsprekendheden van vandaag. Aan het slot van Withuis' artikel treedt juist een bonte parade van oorlogsgetroffenen op voor wie juist maatschappelijke erkenning een centrale thema wordt: kinderen van verzetslieden en joden, kinderen uit het jappenkamp, de Indische oorlogsgetroffenen, NSB-kinderen, burger-oorlogsgetroffenen en zelfs de derde generatie. Bij dat vaak in stichtingen en organisaties vastgelegde streven naar erkenning wordt hen in de geestelijke gezondheidszorg vrijwel geen strobreed meer in weg gelegd. Het slachtofferschap lijkt een groot goed te zijn geworden.

In haar conclusie schrijft Withuis dan ook dat de houding ten opzichte van `trauma' sterk veranderd is. Oorspronkelijk was de constatering van een oorlogstrauma of een tweede-generatiesyndroom een eerste stap in een proces dat tot verwerking en zelfs genezing moest leiden, ``in elk geval een stap naar losmaking van de oorlog als levensbepalend thema''. Maar na de grote omslag in de jaren zeventig, waarin het tumult over de Drie van Breda de centrale factor was, gaan oorlogsgetroffenen zich organiseren in ``een emancipatiebeweging van mensen die tegelijk heel bijzonder èn heel ziek zijn''. Daarmee wordt ``trauma-slachtoffer een blijvend kenmerk van een persoon, een identiteit'', constateert Withuis. Waar in de naoorlogse jaren het collectieve perspectief domineerde: hoe past iemand nog in de samenleving, heerst nu het individualisme.

Het Maandblad Geestelijke Gezondheidszorg, het wetenschappelijk lijfblad van de sector, `viert' dit jaar 4 en 5 mei met een analyse van het eigen verleden op dit gebied. Want de basis van Withuis onderzoek zijn de artikelen in het tijdschrift, dat onder diverse namen al sinds 1945 bestaat, over het onderwerp. Alleen al Withuis' tellingen zijn onthullend. In het eerste jaar besloeg de oorlog ruim een derde van wat toen nog heette Mededeelingen van de NFGV (Nationale Federatie voor de Geestelijke Volksgezondheid), maar na 1949 wordt het eb. Tussen 1950 en 1970 verschijnen slechts vier artikelen over de oorlog, waarvan maar de helft over de psychische gevolgen voor de slachtoffers. Maar tussen 1970 en 1990 publiceert het blad maar liefst veertig artikelen met bijbehorende discussie bijdragen over psychisch oorlogsleed. In de jaren zeventig gaat drie procent van artikelen erover, in de jaren tachtig 1,5 procent en in de jaren negentig 0,8 procent. De discussie over de psychische gevolgen ebt nu weer weg, zoveel is duidelijk. Het MGv weerspiegelt waarschijnlijk de stand in de sector. De strijd gaat nu veel meer over de verwaarloosde financiële rechten van oorlogsslachtoffers: 'vergeten' banktegoeden en verloren polissen, die in collectieve regelingen worden afgekocht.

In de eerste naoorlogse jaren was de belangstelling nog groot. Op grond van zijn eigen ervaringen in Bergen-Belsen verwachtte de psychiater J. Tas grote problemen bij de overlevenden. Hij trok de vergelijking met de klassieke 'oorlogsneurose', waarbij de kampbewoner veel langer was blootgesteld aan extreme omstandigheden: langdurige uitputting, continue angst en aanhoudende onzekerheid, zonder een moment van veiligheid. Tas hekelde het gebrek aan opvang in Nederland, waar geen behandelcentra voor deze mensen bestonden. Toch, zo schrijft Withuis, werd de bezorgdheid over de psychische toestand van vervolgden en verzetslui overvleugeld door een andere 'oorlogskwestie': de kopzorg over de 'morele verwildering'. De oorlog ``scheurde als een roekelooze ijsbreker door het ijsvlak van onze sexuele moraal heen en nu kreunen de dijken onder het kruiende ijs'', schreef een MGv-medewerker. De opbouw van een geestelijk gezond volk was het centrale streven, en dat klonk ook door in de beschouwingen over het oorlogsleed. Door te veel zorg zouden de oorlogsslachtoffers verwend raken. `Uitbundige belangstelling' zou `de neurotische positie' versterken. Slechts een enkele stem protesteerde tegen dit wantrouwen.

In de jaren vijftig is de oorlog verdwenen. Withuis: ``Zelfs artikelen over de risico's van het eenouder gezin en over een `moeilijke jeugd' bespraken alles behalve de voorbije hevige jaren.'' In het enkele artikel dat aan de oorlogsgetroffenen werd gewijd, werd verondersteld dat het vooral de toch al `psychisch minder weerbaren' waren die in de problemen raakten. De oorlogservaringen waren hooguit de trigger die al eerder bestaande persoonlijkheidsproblemen aan de oppervlakte bracht. Het viel allemaal wel mee. En zo schrijft Withuis: ``het leek ook mee te vallen''. Pas in 1966 schrijft de psychiater De Wind in een baanbrekend stuk dat in de voorafgaande jaren een kentering op was getreden. De klachten van oud-gevangenen bleken niet weg te slijten, integendeel: ze bloeiden juist weer op. In 1972 werd deze verandering volkomen duidelijk door de emotionele toestanden rond het regeringsbesluit om gratie te verleden aan de Drie van Breda, Duitse oorlogsmisdadigers die al sinds '45 vast zaten. Toen ook ontstond het tegenwoordig zo gewone fenomeen van de telefonische tv-nazorg.

Tragisch is de observatie, van MGv eindredacteur A.J. Heerma van Voss in 1985, dat maatschappelijke erkenning van oorlogsleed in Nederland alleen veroverd kon worden door een medische erkenning. Wie bij een keuring werd afgewezen als niet ziek genoeg voelde ook zijn verleden verworpen worden. En de keuring an sich was eigenlijk al beledigend.

Het Zaterdags Bijvoegsel publiceert vandaag ook over oorlogsleed, p33: `Iedereen oorlogsslachtoffer'