Romeo is trots zigeuner te zijn - én een voetbaltalent

Ze kappen en draaien als onvervalste Braziliaantjes. Een kleine spits legt iedere voorzet die in zijn richting wordt geschoten met een achteloos voetbeweging stil. Als hij het strafschopgebied van de tegenstander binnendribbelt, lijkt de bal met een onzichtbaar touwtje aan zijn voet gebonden. Hij gaat één, twee, drie, ja zelfs vier man voorbij. Daarna scoort hij met een krachtig schot in de verste hoek. Of niet, want hij is pas vijftien.

Op een bijveld van het Stalinistische Népstadion in Boedapest spelen twee elftallen van de nationale zigeuner voetbalvereniging, de `Magyar Cigány Labdarúgó Válogatott'. Ze dragen met opzet de naam `zigeuner' en niet `Roma' zoals de in Hongarije politiek meer correcte aanduiding voor 's lands grootste minderheid. Ze zijn zigeuner en daar zijn ze trots op.

Aan de kant zitten nog twee elftallen. Ze zijn in alle vroegte uit de Hongaarse provincie naar Boedapest gekomen om te strijden voor een plaats in het nationale zigeunerjeugdelftal tot zestien jaar. En het gaat niet alléén om de eer want wie in de selectie komt mag over een paar weken mee om toernooien te spelen in Zwitserland en Spanje. Het is misschien de enige kans in hun leven om zich in de kijker te spelen.

De blonde spits van de zwart-witten heet Romeo Bangu. Hij scheurt als een kleine Davids over het veld, loopt twee keer zoveel als de anderen en is altijd aanspeelbaar. Een ster in de dop. De meest aanwezige speler blijkt in de pauze echter een verlegen, schuchter jongetje. Hij stamelt dat zijn droom voorlopig een plaats is in het nationale elftal van Hongarije, eerst bij de jeugd en later bij de volwassenen. Hij zit nog op school, op de lagere school. In het Hongaarse schoolsysteem is hij aanzienlijk minder succesvol dan op het gras. Zijn voorbeeld? Maradonna natuurlijk! Daarom heeft hij net als zijn Argentijnse idool zijn hoofd in de waterstofperoxide gedoopt en heeft hij de enige blonde kop op het zigeunerveld.

Nummer negen van de rood-zwarten, Loránt Lakatos, geldt ook als oertalent en is veel spraakzamer. Het profvoetbal is zijn toekomst. Eerst bij de voetbalclub Vác, daarna door naar Inter Milan. Romario is zijn lichtend voorbeeld. ,,Dat is mijn droom, dat wil ik!'' zegt hij vastberaden.

De zigeunerspelers voelen zich de Latijns Amerikanen van Hongarije. De verwijzing is niet toevallig. Oud-voetballer en politieman István Mezei is de motor achter het zigeunervoetbal in Hongarije. Hij brengt de zigeunerjeugd bijeen, organiseert wedstrijden, scheldt ze uit vanaf de zijlijn, loopt met voedsel af en aan en weet op zijn tijd de juiste sponsors te vinden. Ook Mezei droomt van een internationale doorbraak voor zijn pupillen. ,,De manier waarop deze kinderen spelen lijkt sprekend op de Braziliaanse stijl. Ze bewegen zich slim en weten de tegenstander altijd te verrassen.'' De zigeunerjeugd speelt volgens hem emotioneel en intuïtief. ,,Wij zigeuners spelen met ons hart!''

Mezei runt het jeugdelftal samen met `een oude jood'. Ze roepen de jonge spelers vanaf de zijlijn voortdurend opmerkingen toe als: ,,Prachtig gedaan, geweldig!'' of ,,Uilskuiken, je laat daar een gat van vijfentwintig meter vallen.'' Gevloekt wordt er niet. De twee hebben een belangrijke sociale en morele functie in het leven van de zigeunerjeugd uit de Hongaarse achterstandsgebieden. De jonge zigeuners hebben moeite hun scholen af te maken, kunnen als ongeschoolde arbeiders nauwelijks werk vinden en zijn vaak al op jonge leeftijd vader van één of meer kinderen. Mezei en de `oude jood' leren de voetballertjes discipline en doorzettingsvermogen. ,,Ze moeten trots zijn op het feit dat ze voetballen en op het feit dat ze zigeuner zijn'', vindt Mezei.

Aan de zijkant van het veld zitten een paar vaders die 's ochtends in alle vroegte met hun talentvolle zonen op de trein naar Boedapest zijn gestapt. Ze komen uit stadjes als Szentes en Békes in het zuidoosten van Hongarije. De vaders zijn midden dertig op zijn oudst. Een van hen is al gedeeltelijk `met pensioen' zoals dat hier heet als je afgekeurd wordt. Een ander is aannemer, of liever `afbreker', hij verdient zijn geld met de sloop. Een derde is seizoenarbeider. Alledrie wonen ze in de stad, ver van de oude zigeunerkolonies. Ze zitten in vlekkeloos witte overhemden naar hun zonen te kijken.

Ze voelen zich moderne, geïntegreerde zigeuners. ,,Wij zijn trots op het feit dat god ons als zigeuner op de wereld gezet heeft'', zegt de half-gepensioneerde vader lachend. ,,Zigeuners kunnen ook begaafd zijn. Mijn eigen neef is net afgestudeerd aan de technische hoge school. Ik bedoel maar.'' Het mooiste zou natuurlijk zijn als een club als Ajax zich voor de `Brazilianen van Oost Europa' zou gaan interesseren. Andere Nederlandse clubs mogen ook, maar Ajax heeft voor de zigeuners toch wel de meest goddelijke klank.

Terwijl de jongens op het veld de sterren van de hemel spelen, mijmeren de vaders aan de kant in de steeds heter wordende zon. Even reikt het perspectief tot ver over de grens. Ze stellen zich voor dat ze op een dag de televisie zullen aanzetten en hun eigen Sándor, Zoltan of Ernö over het beeld zullen zien dribbelen. ,,Hoe zit dat eigenlijk'', vraagt ééntje tenslotte aarzelend, ,,krijg je bij Ajax in de opleiding meteen een zo'n contract of komt dat pas later?''