Rebellen op plastic sandalen

Veertig jaar en twee oorlogen met Ethiopië verder moeten de Eritreeërs het oorlogvoeren afleren. Want de oorlogspsychose overheerst. Hoe het Sparta van Afrika gaandeweg naar te veel meningen luisterde.`We werden als bevrijdingsleger te militaristisch. We moeten beseffen niet meer in de bush te leven.'

In het diepste geheim had Melles Seyoum aan het plan gewerkt. Om geen argwaan te wekken bij de Ethiopiërs ging hij die dag in 1976 als altijd naar zijn farmaceutische staatsbedrijf in Asmara. Daar was hij directeur. ,,Tot morgen'', riep hij zijn werknemers toe aan het einde van de dag. Maar Melles zou vijftien lange jaren wegblijven. Hij was aan zijn beproeving begonnen waarbij alleen vermetelheid hem redden kon.

Na zonsondergang begon de operatie. Onder Melles toezicht werden de medicijnen in vrachtwagens geladen en bewakers van de fabriek namen zijn getekende documenten in ontvangst. Buiten de poort wachtten militairen in Ethiopisch uniform om het konvooi naar buiten Asmara te begeleiden.

Probleemloos passeerden ze de Ethiopische wegversperringen. Met de lichten van de Eritrese hoofdstad achter de einder sloegen de auto's plotseling een zijweg in en dimden hun koplampen. Eventjes bleef het muisstil. Tot een van de soldaten het sein `kust veilig' gaf. Een zucht van verlichting ging door het konvooi. Triomf. De strijders van het Eritrese Volksbevrijdingsfront (EPLF) ontdeden zich van hun Ethiopische uniformen. Ze hadden hun Ethiopische bezetters voor de gek gehouden en van hun vijanden medicamenten gestolen ter waarde van een kwart miljoen gulden.

Melles was de held. De groep zette de reis voort naar de door de EPLF gecontroleerde provincie Sahel – een ruwe, droge en onherbergzame streek. Eindbestemming was het front rond Nakfa. In deze stad, die een jaar later in EPLF-handen viel, zou Melles vijftien jaar blijven. Het eerste laboratorium zette hij op onder een doornige boom, later werkte hij als laborant in een ondergronds ziekenhuis van het EPLF. In de droge rivierbedding vol keien waande de bezoeker zich op vier meter afstand moederziel alleen. Dan, alsof een gordijn werd opengetrokken, bleek achter een dikke haag van struiken plotseling een modern hospitaal te liggen.

Vijfentwintig jaar later is Melles directeur van het hoofdlaboratorium in Asmara, tegenover de farmaceutische fabriek die hij hielp beroven. ,,Ik moest me in een uiterst zware situatie schikken'', vertelt hij over zijn tijd bij de rebellen. ,,De lijfelijke omstandigheden bleken niet het moeilijkste, daar wen je snel aan. Leren omgaan met gewone mensen, met boeren en nomaden, dat kostte moeite.''

Maandverband

Samen met andere stoutmoedige intellectuelen leverde Melles zijn aandeel in de meest opmerkelijke oorlog van Afrika. Geen enkele bevrijdingsbeweging op het continent deed zoveel voor haar leden. Onder leiding van het EPLF legden de Eritreeërs het fundament voor een unieke natie. Ze hakten honderden kilometers lange wegen in de bergen, ze richten scholen op, bouwden dammen en ondernamen agrarische en herbebossingprojecten. In ondergrondse fabriekjes produceerden ze tabletten, plastic sandalen, maandverband, bestek en reserveonderdelen voor auto's. Ter bescherming tegen de Ethiopische bommenwerpers verbleven ze ondergronds en werkten alleen 'savonds.

De EPLF-strijders droegen allemaal dezelfde plastic sandalen. Ze leefden in een samenleving waar geld niet bestond, iedereen zonder salaris werkte, en alles eerlijk werd gedeeld. Melles wrijft over zijn kalende hoofd. ,,Tegenwoordig draait alles om geld of bezittingen'', constateert hij. ,,Het leven in bevrijd Eritrea valt me niet makkelijk. In Nakfa waren de relaties gebaseerd op gelijkheid, niet op eigendom. Ik loop nog wel eens per ongeluk een theetentje uit zonder te betalen.''

De Eritreeërs werden in hun verzet tegen de Ethiopische bezetters gedreven door stugge overtuiging en volstrekte solidariteit. `Ga nooit op de knieën', luidde hun lijfspreuk. De grote haardos van Goyton Asghedon is verschrompeld tot een dun grijze bedekking. In Nakfa was hij belast met bezoekende journalisten, nu werkt hij op de afdeling protocol van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn vrouw die hij tijdens de oorlog trouwde, verloor een oog bij een vuurgevecht en werd oogarts in het nieuwe Eritrea. ,,Voor mij gaf de doorslag dat mensen in bevrijd gebied zoveel om mij gaven. Daardoor begon er iets in mij te branden, ik moest iets teruggeven, misschien wel mijn leven.''

Endreas Hintsa rent af en aan in zijn restaurant in de Eritrese hoofdstad. In Nakfa was hij behalve soldaat kok voor de EPLF-troepen. ,,Iedere strijder had hetzelfde gevoel: ik offer me op voor mijn land. Als je vrienden sneuvelden, ging je juist harder vechten. We hadden een geest van Spartanen.''

Nakfa werd een symbool voor de onbuigzame Eritreeërs, die later hun munt naar de stad vernoemden. Vele malen in de dertig jaar lange oorlog moest het EPLF veroverd terrein weer afstaan aan Ethiopië. Maar nooit Nakfa – in de 240 kilometer lange loopgraven bij de stad sloegen de strijders achtmaal grote offensieven af. Tegen een hoge prijs: de gehele stad werd platgebombardeerd. Alleen de witte minaret van de moskee spaarden de Ethiopische piloten. Die konden ze als boei gebruiken bij navigatie in het monotone landschap.

Trots laat de muezzin Mohamed Abdala de nieuwe moskee zien. Met zijn rode megafoon beklimt hij de minarettrap. Tijd om de gelovigen op te roepen voor het gebed. ,,We lieten de toren in haar oorspronkelijke staat'', hijgt hij. ,,Mooi is het niet met al die kogelgaten, maar we willen laten zien dat hier heel lang een oorlog woedde.''

De vernietigde gebouwen leken op te gaan in de steenwoestijn. Maar uit het grijze gruis verrees een stad. Het malse gras op het nieuwe dorpsplein pijnigt de pupillen in een omgeving zonder groen. ,,Kijk, daar verbleef ik in een grot.'' Mohamed Abdala wijst naar de zandkleurige bergen: ,,Overdag vertoonden we ons niet, alleen 'savonds durfden we op ons land te werken. Nu woon ik in die winkelstraat.''

Op steenworp afstand van een luxe hotel bevindt zich het toenmalige gastenhuis van het EPLF. Onder de grond, met lichtgat in het plafond. ,,Het is lekker koel'', lacht Negistu Russon. Zij is de nieuwe bewoonster. ,Het EPLF bood er voor leden van de Eritrese diaspora en andere buitenlandse sympathisanten een gerieflijk verblijf. Met custardpudding na de maaltijd. Negistu's man, werkzaam bij de overheid, leidt een herbebossingproject rond Nakfa. Er was veel hout nodig om de loopgraven te bedekken en te stutten. Het nieuwe Nakfa moet het daarom stellen zonder bossen. Een schraal land, met stenen op onvruchtbare grond, met cactussen en geiten.

De tienduizenden EPLF-strijders hardden zich door politiek en cultureel onderwijs. Ze wierpen zich op Das Kapital of Shakespeare, en leerden over revoluties en communistische partijen. Tegen een bergwand staat een gigantisch amfitheater in aanbouw. Een journalist werkte bij de afdeling voorlichting van het EPLF, dat radio-uitzendingen en films produceerde. Hij herinnert zich hoe hij het stuk Het andere gezicht van de oorlog hielp opvoeren. Zijn woorden galmen in de ruimte: ,,Ze ploegden hun sperma in de baarmoeders van onze vrouwen, om ons Ethiopisch te maken.''

Plastic sandalen

Na dertig jaar, deze maand precies tien jaar geleden, versloegen de Eritreeërs het grootste leger van zwart Afrika, de honderdduizenden Ethiopische soldaten hadden zich kapot gelopen op de loopgraven van het EPLF. Het aantal slachtoffers aan Eritrese zijde viel relatief laag uit: 65.000 doden. Maar er zou enkele jaren na de bevrijding in 1991 een nieuwe oorlog volgen.

Het werk aan het nieuwe amfitheater ligt stil. De bouwvakkers verdwenen naar het front, toen in mei 1998 een grensconflict met Ethiopië opnieuw op een oorlog uitliep. Op de technische school zegt directeur Zakarias Tekleab: ,,Mijn leerlingen zijn strijders, klaar om tegen Ethiopië te vechten.'' De scholieren beamen dat. Net als hun leraren dragen ze de plastic sandalen van het EPLF.

In een nauwe bergpas van Nakfa naar Afabet omringen verwrongen militaire voertuigen de landweg, gedenktekens van gigantische veldslagen. Het hele land ligt bezaaid met militaire wrakken. Op een groot, groen autokerkhof van vier hectare bij Asmara verroestten duizenden gekreukelde tanks en ander militair materieel. Bij Afabet vernietigde in 1988 het EPLF een grote Ethiopische eenheid. De Afrika-historicus Basil Davidson noemde die veldslag `Afrika's Dien Bien Phu', het beleg waarbij de Fransen in 1954 uit Vietnam werden verdreven.

Vol zelfvertrouwen kwam de Eritrese bevolking uit de bevrijdingsoorlog tegen Ethiopië tevoorschijn. Afabet is een verzorgd stadje, elders in Afrika was dit afgelegen gehucht verloederd, in Soedan of Somalië zou de wind er plastic afval in de bomen hebben geblazen. Bloemen op de rotonde, witgekalkte keien langs schoongeveegde straten, een nieuwe bank, een postkantoor, krijtwitte woningen, het zijn tekenen van vertrouwen in de toekomst. Aan de hoofdstaat woont de bejaarde Mama Zeineb, de oorlogspoëet van het EPLF. Ze kan lezen noch schrijven. In 1986 dichtte ze in haar spelonk bij Nakfa: ,,De mensen bloeden, de bomen, ja zelfs de stenen branden. Maar de overtuiging van de mensen zal zegevieren. De nog niet-geborenen maken zich op voor de strijd.''

Eritrea gelooft heilig dat Ethiopië zich nooit neerlegde bij het verlies van zijn noordelijke provincie. Als door een instinct gedreven namen de Eritreeërs in 1998 weer de wapens op. Branden de stenen nu opnieuw in Eritrea? ,,Nee, nee, de vlammen verslinden dit keer de jeugd van Ethiopië'', antwoordt Mama Zeineb. Ze is nu een fragiele grootmoeder, tachtig jaar en `op weg naar God'.. ,,Deze oorlog is verwoestend en barbaars.'' Ze verzoekt om stilte, er borrelt een gedicht naar boven. ,,Lang leve onze martelaren'', zingen haar woorden. ,,Laat ze rusten in vrede.'' Haar blik blijft steken op de muur, op de foto van haar gesneuvelde dochter.

Kilometers lange, zonderlinge lijnen lopen over de berghellingen op de route van Afabet naar Keren. Studenten in vakantietijd en leden van de Nationale Jeugdbrigade legden, steen voor steen, over de hele linie versteviging tegen erosie aan. Zo leren ze, net als de veteranen destijds, de waarde van de barre bush kennen. `Menskracht is altijd voorhanden', verkondigde EPLF-leider Issayas Aferworki in Nakfa. Als president zet hij dat beleid voort. Eritrea wil op eigen kracht vertrouwen.

Jongerenoorlog

De in de eerste oorlog gecreëerde nationale wilskracht werd aangewend voor de tweede, opnieuw tegen Ethiopië. De regering rekruteerde tien procent van de bevolking voor de strijdkrachten. Zonder openlijk protest trokken de jongeren ten strijde. ,,Die morele en fysieke moed is ons eigen'', vindt Issayas, ,,we schiepen een sterke politieke cultuur in Eritrea.'' Met de ondertekening afgelopen december van een bestand en de komst van een vredesmacht van de Verenigde Naties kwam vooralsnog een einde aan de gewapende rivaliteit tussen beide landen.

In een rivierbedding sjouwen Ethiopische krijgsgevangenen keien. Ze stutten de bergpas van Keren naar Asmara. In de volksmond heet deze kronkelende weg `het hart van Tigray', een zinspeling op de `onbetrouwbare' Tigrayers, de dominante groep in het Ethiopische regime. In de berm opnieuw lange lijnen met boompjes – bewijs van de nooit aflatende inspanning om het land weer te bebossen. Boven in de hooglanden, met het zicht op Asmara, staat weer een monument voor een veldslag en ligt een kerkhof voor martelaren. De Eritreeërs leven zij aan zij met hun verleden.

Een invalide soldaat met een bos afrohaar zet in Asmara zijn skistokken in het asfalt om zijn rolstoel een heuveltje op te duwen. Na de hobbel zoeft hij over de brede, met palmen beplante avenue. Een bejaard Fiatje 500 tuft voorbij. De dromerige Eritrese hoofdstad is de mooiste van Afrika. Een stad om naar te verlangen in de loopgraven rond Nakfa. De Italianen bouwden het als een tweede Rome, hoofdstad van hun nooit verwezenlijkte Romeinse rijk in Afrika. Ze legden in Art Deco-stijl riante villa's aan, paleizen met marmer en mozaïeken, smaakvolle bioscopen, theaters en bordessen, fonteinen omringd door bougainville en jasmijn en trottoirs met fijne tegels. De pastelkleurige huizen reflecteren het licht van de hooglanden. Alles straalt in deze ruim opgezette stad. Behaaglijk keuvelen bewoners in cafés en bars rond de piazza's.

De inwoners van Asmara zijn met zichzelf ingenomen. Ze vereenzelvigen zich met de regering van hun vrijheidsstrijders. Het EPLF werd Eritrea, iedere vakbond, vrouwen- of culturele groep en de regeringspartij dragen de banier van het EPLF, zelfs in de nieuwe nationale vlag domineren de EPLF-kleuren. Eenzelfde eenheid als in de bevrijdingsoorlog. Eritrea ontwikkelde zich tot een soort volksdemocratie, een merkwaardige democratische dictatuur.

De zelfverzekerdheid van voorheen begint echter scheurtjes te vertonen. In de bushdagen luisterde het EPLF naar vele meningen. ,,Ik leerde in die tijd het belang van zelfkritiek. Helaas, die goede eigenschap verloren we'', stelt restauranteigenaar Endreas Hintsa. ,,We moeten beseffen niet meer in de bush te leven en een brug naar de toekomst slaan. We werden te militaristisch.''

,,We zouden nooit dezelfde fouten als andere Afrikaanse staten maken'', oordeelt een hoogleraar die niet bij naam genoemd wil worden. ,,We bleken te ambitieus en niet realistisch. Wat we deden in de bush kan je niet overplanten naar een moderne staat. Onze zelfverzekerdheid stamt van een krijgstraditie om op eigen krachten te vertrouwen. We begonnen te denken dat we alles op onze wijze konden doen. We werden arrogant.''

De nieuwe, laatste oorlog duurde slechts twee jaar maar kostte een geschatte veertigduizend Eritrese soldaten het leven. De economie ligt op haar gat, een derde van de bevolking werd van huis en haard verdreven. En erger, alle haat tegen de Ethiopiërs kwam weer tot leven.

Zo leven de Eritreeërs nog steeds in een oorlogspsychose. Moeten de Eritreeërs het oorlogvoeren afleren? Ex-strijder Goyton, van het ministerie van BZ, leerde zijn zoontje eerst dat oorlog slecht is. ,,Na het uitbreken van het nieuwe conflict vertel ik hem hoe nodig oorlog is.'' Zijn kind mag weer met een plastic geweer spelen.

Pas toen de laatste oorlog in een ramp ontaardde, werden de Eritreeërs bedachtzamer. ,,De absolute eenheid van voorheen verdween, de doeleinden zijn niet meer scherp omlijnd'', meent de historicus en auteur Alemseged Tesfai. ,,De oorlog stimuleerde een grondige mentaliteitsverandering, die tot een opener en meer pluriforme samenleving leiden zal.'' Voor het eerst moeten de erfenissen van de oorlogen gewogen worden, de speurtocht naar de balans tussen nationalisme en openheid kan beginnen.

Knie-reflex

De laatste oorlog legde ook een generatieconflict bloot. Als in een knie-reflex grepen de oud-strijders naar hun wapens voor de nieuwe oorlog. Ga nooit op de knieën, galmde het in hun geheugen. ,,Onderhandelen kunnen ze niet, ze weten alleen nog te vechten'', hekelt de jeugdige Nerayo Tekle de oudere generatie. Hij legde met tegenzin zijn studieboeken ter zijde toen de oproep uitging om naar het front te gaan. ,,Opperen we een vreedzame oplossing, dan reageren de ouderen: `Houd je mond jochie, wij streden dertig jaar voor bevrijding.' Als we oudere soldaten waarschuwen de Ethiopiërs niet te minachten, blaffen ze ons af: `Wíj kennen onze vijand, jij bent niet vaderlandslievend.' Eritreeërs gingen aan een meerderwaardigheidscomplex lijden.'' Isaak zit zijn diensttijd voor de Nationale Jeugdbrigade uit bij een staatsbedrijf. Hij is jong en haat de oorlog. ,,Onze ouders leerden ons hun te gehoorzamen. Maar waarom vechten we nu? Die vraag mogen we niet stellen. Na de onafhankelijkheid beloofden ze vrede en verklaarden de Ethiopiërs tot onze vrienden. Samen zouden we zonder grenzen leven. Waarom strijden we dan met hen om de grenzen? Dit riekt naar bekrompen nationalisme.''

De laatste oorlog brak de Eritrese samenleving open, het land lijkt er volwassener op geworden. ,,Na de onafhankelijkheid koesterden we het besef speciaal te zijn, net als Israël'', zegt een minister, ,,dat gevoel is door de oorlog tenietgedaan. We hebben geleerd dat in de echte wereld compromissen gesloten moeten worden.''

De laborant Melles is er mismoedig van geworden. ,,Het was een stupide oorlog, veroorzaakt door heersers zonder gewetensbezwaren in beide landen''. Het is een voor zijn doen ongebruikelijk harde uitval. ,,Bij mijn avontuur in 1976 liet ik me oprecht leiden door beginselen. In Nakfa koesterde ik nooit twijfel. Bij deze oorlog speelden andere motieven een rol.'' Hij gaat zachter praten. ,,Ik heb opofferingen getroost en toonde moed. Het beste deel van mijn leven gaf ik voor de bevrijding. Nu wil ik er van genieten.''