Pronk mede schuld aan inflatie

Lang geleden was De Nederlandsche Bank verantwoordelijk voor de inflatie. Dat betekende dat de Bank moest beslissen in welk tempo de bankbiljettenpers mocht draaien. Veel bankbiljetten er bij, gevolg: hoge inflatie. Stabiele geldomloop, gevolg: stabiele prijzen. Toch bereikte vooral tijdens president Zijlstra (volgens Wim Kan met dat `zuinige mondje') de inflatie in Nederland hoge waarden, gemiddeld bijna acht procent per jaar tussen 1970 en 1980. Dat kwam omdat De Nederlandsche Bank toch ook weer niet in een vacuüm besliste. Als de vakbonden en de werkgevers een hoge loonstijging afspraken (gemiddeld elf procent per jaar tussen 1970 en 1980), kon in theorie de Bank nog steeds de geldcirculatie mooi stabiel houden, maar hoe zouden de bedrijven dan ooit die hogere lonen kunnen betalen? En dus gaf Zijlstra, zuinig kijkend, toe aan een trend die werd bepaald in de vergaderingen tussen bonden en bazen.

Twintig jaar later is de president van De Nederlandsche Bank nog slechts één van de vele beslissers in Frankfort. Maar toch gaat Nout Wellink door met afkeurende geluiden over de Nederlandse inflatie. Nu moest Philips het ontgelden omdat de salarissen van de top met 14 procent te snel zijn gestegen. Maar voor Philips is de grootste zorg dat goede managers niet vertrekken naar Siemens of ontslag nemen en voor zichzelf beginnen. Dat zijn zakelijke risico's voor Philips waarbij het advies van De Nederlandsche Bank ongetwijfeld welkom is, maar misschien toch niet doorslaggevend. En wat de inflatie in Nederland als geheel betreft, gaat het nu om de kosten in één regio van Europa. Om dan aan te dringen op loonmatiging in de regio Holland is even dwaas als om in Hollywood te gaan klagen dat de kosten van levensonderhoud er hoger zijn dan het Amerikaanse gemiddelde. Een teken van succes; niet het bewijs van een fout.

Nederland was een soort sjofele buurstaat van Duitsland; nu lijken wij gelukkig wat meer op Beieren of Baden-Württenberg, en daarbij horen hogere lonen. Van 1983 tot 1995 was zonder uitzondering de loonstijging ieder jaar bij ons lager dan in Duitsland en dus werd het Nederlandse loonpeil in totaal 25 procent goedkoper. Sinds 1995 is de loonstijging hier ieder jaar hoger en dus is van die voorsprong nu weer 10 procent verdwenen. Dat heeft allemaal niets te maken met hoe mooi de president van De Nederlandsche Bank kan preken over loonmatiging, maar uitsluitend met objectieve economische omstandigheden. Eerst hadden wij meer werkloosheid dan in Duitsland en dus voorzichtige vakbonden, nu hebben wij heel veel meer vacatures dan in Duitsland en dus actievere vakbonden. Wees blij met de lage werkloosheid zou ik zeggen en zeur niet dat de werkgevers in staat zijn om wat hogere lonen te betalen.

Als Wellink iets nuttigs wil opmerken over de inflatie, kan hij beter Philips met rust laten en zich keren tot minister Pronk van VROM. Die is wél verantwoordelijk voor een deel van onze inflatie. In Coevorden en bij Emmen kopen Nederlanders huizen net over de grens omdat Duitsland goedkoper is. Sinds wanneer? Antwoord: sinds Pronk en zijn voorganger mevrouw De Boer van het Vinex-beleid in de woningbouw een binnenlandse bron van kosten en dús van inflatie maakten. Dat blijkt uit de vergelijking tussen prijzen van bestaande, oudere huizen en prijzen van nieuwbouw. Pronk-huizen en De Boer-huizen drijven de prijzen op van bestaande, oudere huizen want de mensen vinden een ouder huis met een ruime tuin in een groene straat mooier, maar Pronk en De Boer gaven onvoldoende toestemming om meer van zulke huizen te bouwen. Vóór de Vinex stegen tussen 1970 en 1990 de prijzen van bestaande huizen evenveel als prijzen van nieuwbouw. In de Vinex-periode zijn oudere huizen vijf keer zo snel in prijs gestegen als de Vinex-huizen. Een directeur van een autofabriek was al lang werkloos als de nieuwe auto's zo weinig concurrerend waren met het oude model, maar Pronk is nog steeds minister, hoewel zijn huizen niet kunnen concurreren met de grotere oude woningen.

Nu de oudere, ruimere koophuizen zo duur zijn, zouden we extra nieuwbouw verwachten om de prijzen te drukken. Maar nee, de huizenbouw stagneert al sinds 1998 op een te laag niveau, en niet omdat aannemers niet willen bouwen, maar omdat vergunningen langzaam afkomen en het rijk nog steeds een heel knellend beleid voert. Geen beter recept tegen onze inflatie dan een royaal program voor nieuwbouw op geschikte locaties en dan graag met even grote tuinen als lang geleden. In Berlage's Rivierenbuurt in Amsterdam waar ik opgroeide, waren de straten mooi breed. Laten Pronk en De Boer nu eens één keer verklaren of dat een fout was van de grote bouwmeester die wij niet mogen herhalen, of dat groen in de wijk nu juist de wijk plezierig en waardevol maakt.

Als de huizen dus duurder zijn dan in Duitsland is het niet vreemd dat de lonen ook om die reden sneller omhoog gaan. Wellink vraagt ons om genoegen te nemen met minder loonstijging. Hij zou ons beter kunnen helpen met een onderbouwde studie over de oorzaken van de inflatie. Dat onderwerp is nu een regionaal onderwerp waarbij het gaat om zogenaamde relatieve prijzen. En de relatieve prijs die in Nederland erg uit de pas loopt is de huizenprijs. We weten allemaal wat daaraan te doen is: een minister van VROM die flink bouwt en niet schrikt wanneer de mensen in Nederland graag meer groen zien in hun dagelijkse omgeving – de tuin, de eigen straat. En waarom we daarvoor niet hectares lelijke suikerbieten inleveren zou geen vraag mogen zijn voor een oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking.