Oud staal

De Britse uitvinder Henry Bessemer werd op 17 oktober 1855 patent verleend voor staalproductie. Door het toevoegen van kalk tijdens het smelten kon zwavel uit ijzererts worden verwijderd. Staal is veel sterker dan gewoon ijzer en de uitvinding geldt als een mijlpaal in de industriële revolutie. Toch was Bessemer waarschijnlijk niet de eerste die staal maakte. Onderzoek van Nederlandse archeoloog Roald Docter en de metallurg Hans Koens heeft nu aangetoond dat Phoenicische ijzersmeden dit procédé ruim tweeënhalfduizend jaar jaar eerder ook al toepasten.

De metallurg Hans Koens kan het eigenlijk zelf ook nog steeds niet helemaal geloven. Maar alle onderzoeken wijzen echt in dezelfde richting; de Phoeniciërs bezaten deze tot nog toe onvermoede kennis. Koens: ``Ik had mij altijd al verbaasd over de kwaliteit van het Phoenicische ijzerwerk. Dat bevat namelijk verhoudingsgewijs betrekkelijk weinig verontreiniging. Terwijl je dat wel zou verwachten. Gezien de kennis die wij aan deze cultuur hadden toegedicht zouden hun metalen voorwerpen zwavel moeten bevatten en dientengevolge broos moeten zijn. Maar het tegendeel was waar. Alsof de Phoeniciers 700 jaar voor het begin van onze jaartelling al in staat waren ijzererts te reinigingen. Maar dat kon niet.''

Ook voor Bessemers ontdekking kon men al wel ijzer zuiveren. Daartoe werd in zogeheten roostovens zuurstof aan de verontreinigde erts toegevoegd. Een deel van het aanwezige zwavel oxideerde en kon dan uit het erts gehaald worden. Maar het was een zeer arbeidsintensief proces dat ook heel veel energie kostte. En bovendien bleef er in het eindproduct altijd nog zwavel achter. Het Phoenicische ijzer dat Kroes onderzocht bevatte echter absoluut geen zwavel. ``Daarentegen trof ik in al het materiaal dat ik heb geanalyseerd wel calcium aan.''

De oplossing van Hans Kroes' probleem kwam toen hij het afval van een aantal antieke smederijen onder ogen kreeg. ``Een internationaal team van archeologen onder leiding van dr. Roald Docter van de Universiteit van Amsterdam had eind vorig jaar aan de zuidkant van de antieke stad Carthago, een Phoenicische kolonie, een groot industrieterrein uit het begin van de zevende eeuw voor onze jaartelling bloot gelegd. Op dat terrein bevonden zich ook smelterijen en smederijen. Dat bood Hans Koens de unieke gelegenheid om het hele proces van erts tot eindproduct in kaart te brengen. En wat bleek? De Phoeniciërs maakten inderdaad bij de verwerking van ijzererts gebruik van hetzelfde procédé waarop Bessemer in 1855 patent aanvroeg. Men voegde tijdens het verhitten van het erts grote hoeveelheden kalk toe. Het aardige was dat die kalk afkomstig was van een ander industrieel proces dat zich hier ook afspeelde. Vlak bij de ijzerwerkplaatsen lagen de restanten van ateliers waar men uit de zogeheten murexslak de kostbare kleurstof purper won. De slakkenhuizen werden gebruikt bij de productie van ijzer.

De Nederlandse opgraving bij Carthago heeft ook een nieuw licht heeft geworpen op de antieke productieprocessen geeft het ook een heel nieuw beeld van de ontwikkeling van deze belangrijkste Phoenicische havenplaats. Volgens de leider van de archeologen dr. Roald Docter kan men nu voor het eerst een redelijk betrouwbare plattegrond tekenen van de stad zoals die er er uit zag in de 7de eeuw voor onze jaartelling, niet lang na de stichting door uit het huidige Libanon afkomstige handelaren.Uit het onderzoek blijkt dat het antieke Carthago niet langzaam is ontstaan uit een kleine kern maar dat de stad in een keer werd neergezet en daarna in een aantal fases is uitgegroeid tot de enorme stad die tenslotte door de Romeinen in 146 voor Christus werd verwoest. Docter: ``De kolonisten hebben hun nieuwe nederzetting volgens een duidelijk vaststaand patroon gebouwd. Een dergelijke geplande stedelijke bouwstructuur vinden we ook in de latere Griekse wereld terug als het zogeheten Hippodamische systeem.''

    • Joost Vermeulen