Kleine keizertjes in huiselijk China

Deze week verschijnt het fotoboek `East Wind West Wind' waarin Bertien van Manen verslag doet van haar reizen door China: ,,Je moet nooit fotograferen wat je in eerste instantie opvalt.'

De avond voorafgaand aan het interview is er ingebroken in de Amsterdamse grachtenwoning van fotografe Bertien van Manen. De meeste rommel is alweer opgeruimd, alleen het kozijn van de voordeur hangt er nog versplinterd bij. De negatieven van haar deze week te verschijnen boek East Wind West Wind, over haar reizen door China, liggen weer terug in de safe. ,,Ja, die had ik open laten staan', zegt Van Manen, ,,wie rekent hier nu op, ik ging even eten bij vrienden!'

Haar camera's zijn ook gestolen: haar degelijke Plaubel, haar kostbare Leica. Maar wat erger is: ook haar vijf goedkope Olympus AF1-tjes, de handzame compactcamera's waarmee ze werkte aan haar fotoboek over Rusland, Honderd Zomers Honderd Winters uit 1994. ,,Die camera geeft mensen niet het gevoel dat er iets bijzonders aan de hand is. Daardoor kan ik precies doen wat ik wil: alledaagse dingen fotograferen.' De Olympus AF1 wordt niet meer gemaakt, maar ze zal er wel weer tweedehands enkele op de kop tikken. ,,Het lost zich altijd op', zegt ze met een souplesse die iets prijsgeeft van de praktische inslag van de reiziger.

Van Manen (1942), ooit begonnen in de mode, heeft inmiddels een internationale reputatie opgebouwd als documentair fotografe. In eigen land fotografeerde ze onder meer het kloosterleven, en het dagelijks leven van gastarbeidersvrouwen. In het kader van de opdrachtenreeks van het Rijksmuseum deed ze verslag van de Nederlandse vrouwenbeweging. In Amerika maakte ze reportages over het harde leven in de Appalachen. Ze fotografeerde in het Nicaragua van de sandinistas; in het Yorkshire van de stakende mijnwerkers; in het Roemenië van vlak na Ceauçescu. In 1996 werd ze voor dat oeuvre onderscheiden met de David Röell Prijs. Een jaar eerder kreeg ze voor haar boek over Rusland de Kees Schererprijs.

Het idee om naar China te gaan, kwam niet van haarzelf. ,,Toen ik daar in 1996 voor het eerst was, merkte ik hoe ver die cultuur van me af stond.' Het was Paul Wombell, directeur van de Photographers' Gallery in Londen, die haar erop attendeerde dat in China net als in Rusland zich een kloof ontwikkelde tussen traditionele ouders en een op het Westen georiënteerde jongere generatie. ,,Maar zelfs toen ik dat wist, duurde het even voor ik het ook een spannend plan begon te vinden.'

Tussen juli 1997 en mei 2000 maakte ze in totaal veertien reizen, zowel naar de grote steden als naar het platteland. Ter voorbereiding volgde ze een talencursus, net als voor haar Russische expedities. Maar ditmaal gaf ze de poging snel op. Anders dan in Rusland liet ze zich in China dan ook vergezellen door tolken – wat zo zijn voordelen had. ,,De Chinezen zijn erg gevoelig voor etiquette en voor verontschuldigingen. Dankzij mijn gidsen wist ik tenminste wat ik moest doen als er ergens op tafel een vis met de kop in mijn richting gedraaid werd - de eerste hap nemen.' En aangezien de gidsen steevast jongeren waren, kreeg ze gemakkelijk toegang tot de generatie die ze in haar documentaire wilde afbeelden. Zo kwam ze in contact met de Chinese yuppen die, net als hun Westerse en Russische tegenhangers jagen op statussymbolen als de juiste mobiele telefoons. Ze kwam in disco's cooler dan die in Amsterdam.

De Chinese jongeren schroomden niet om pijnlijke onderwerpen aan te snijden in aanwezigheid van hun veel traditionelere ouders. ,,Soms kwamen er dan kleine fragmenten van verhalen over de Culturele Revolutie, kampgeschiedenissen over familieleden die waren verhongerd of uitgemoord. Het verdriet droop er af. Maar de jongeren hebben aan die verhalen weinig boodschap. Ze zijn modern en kijken de andere kant op. Het zijn kleine keizertjes, zoals een van de ouders het uitdrukte.'

Toch zijn haar foto's – in kleur, zij het steevast pastel getoonzet – niet de sociologische observaties die je zou verwachten: twee mensen even innig als speels verstrengeld op een bed, een jonge vrouw op het strand half verscholen achter plastic zwemband, een groepje meiden in een disco, een familie tijdens een Chinees nieuwjaarsfeest, een volgestouwd vrachtwagentje gefotografeerd vanuit een taxi. Wat in de eerste plaats opvalt is hun huiselijke, vertrouwde karakter, net als de foto's die ze in Rusland maakte. Het heeft haar veel moeite gekost om dat gevoel ook in China te bereiken. ,,Je kunt er alles wel fotograferen, zeker in het begin. Overal wordt gepraat en gehandeld, overal gebeurt wat pittoresks en schilderachtigs. Dat is juist het oppervlakkige waar ik doorheen wil. Je moet nooit fotograferen wat je in eerste instantie opvalt.'

Ze wijst op een foto van de onderlijven van een man en een vrouw. Zijn hand rust op de paraplu's die hij ingeklemd houdt tussen zijn benen, haar hand rust op zijn knie. ,,Dat is wat overblijft als je al die buitenkant van China weghaalt: twee mensen die even een glimp laten zien van wat ze met elkaar hebben. Maar ik zou het ook in Nederland gefotografeerd kunnen hebben. Die mensen daar zitten niet zoveel anders in elkaar dan hier. Ik fotografeer wat ik herken.'

East Wind West Wind, Uitg. De Verbeelding, ƒ89,50. Expositie foto's 13 mei t/m 24 juni Nederlands Foto Instituut, Rotterdam.