J. Bernlef over Art Hodes

Bij veel ouder wordende kunstenaars bespeur je de neiging tot versobering. Overbodige franje verdwijnt. Het blijkt tenslotte maar om een paar essentiële zaken te gaan die nu zonder versiering of technisch vertoon kunnen worden getoond. Misschien wordt die neiging wel ingegeven door een behoefte de vergetelheid voor te zijn. Maar het kan net zo goed dat de kern van je werk je pas aan het eind van je leven duidelijk voor ogen staat. Zoiets lijkt er aan de hand te zijn met de jazzpianist Art Hodes, die in 1904 in Rusland werd geboren en in 1993 stierf.

Hodes emigreerde als baby met zijn ouders naar Chicago. Als pianist was hij autodidact. Op zijn dertigste debuteerde hij daar. Later ging hij naar New York waar hij in de jaren veertig met allerlei beroemdheden samenspeelde, om later weer terug te keren naar New York. Vandaaruit ondernam hij vele tournees, ook naar Europa.

Op 20 september 1985 speelde hij in het BIM-huis in Amsterdam. Ik was nieuwsgierig naar zijn spel, omdat ik wist dat hij de door mij bewonderde minimalist van de bluespiano, Jimmy Yancey, nog gekend had. Het concert overtrof mijn verwachtingen. Later schreef ik daarover: 'Hodes zag er die avond uit als een goedmoedige oude speelgoedbeer die, licht ineengedoken achter de vleugel, de toetsen als in het voorbijgaan beroerde: alsof hij zich al spelend aarzelend liedjes van vroeger te binnen probeerde te brengen. Tastend zochten zijn handen zich een weg om dan plotseling krachtdadig in de zwarte en witte toetsen te grijpen als een melodie naar de oppervlakte van zijn bewustzijn leek te rijzen. Zo zag het eruit, maar zo was het natuurlijk niet. Wat ik hoorde en zag was het pianospel van een groot stilist.'

Drie jaar na dat concert nam hij in een Londense studio twee cd's op: Keepin' out of Mischief Now en Pagin' Mr. Jelly. De liedjes die hij op die twee cd's speelt, zijn vrijwel allemaal klassiekers uit het jazzrepertoire. Pagin' Mr. Jelly is vrijwel helemaal gevuld met melodieën van Jelly Roll Morton en op de andere cd staan evergreens als Struttin with some Barbecue, beroemd gemaakt door Louis Armstrong, See See Rider en Basin Street Blues. Twee woorden schieten mij te binnen als ik iets over zijn stijl wil zeggen: 'sleets' en 'intiem'.

In de jaren vijftig kwam ik wel eens in een café aan de Lijnbaansgracht, recht tegenover de achter-uitbouw van de Stadsschouwburg in Amsterdam. In het café werd de muziek verzorgd door een gepokte en gemazelde barpianist, een man met een lang, uitgedropen gezicht. Hij speelde populaire liedjes. Spelen is misschien niet het goede woord. In elke interpretatie klonken de duizenden vorige keren dat hij het liedje ten gehore had gebracht door. Hij speelde eerder een herinnering aan het liedje dan het liedje zelf. Een jasje dat aan alle kanten van ouderdom lubbert, maar daarom juist zo lekker zit. Die vanuit uiterste vermoeidheid ten hore gebrachte melodieën hadden iets gemeen met de jazzvorm die wij gewoonlijk de 'blues' noemen.

Art Hodes was een meester in het spelen van blues. Van meet af aan ging hij ieder virtuozenvertoon uit de weg. Net als bij Jimmy Yancey bestond zijn concept grotendeels uit het weglaten van zoveel mogelijk noten. Blues wordt gekenmerkt door een eigenaardige melancholie, alsof de speler zich al tijdens het spelen bewust is van het voorbijgaande karakter van alles wat hij doet. Het is een soort kunst van het verliezen. Hodes spel, liep als het ware vooruit op het verdwijnen van muziek. Daarom gedijde hij het best als solist, alleen in een kamer of opnamestudio.

Hodes was zich van het intieme karakter van zijn spel goed bewust. In een gesprek met de jazzcriticus van The New Yorker, Whitney Balliett, zei hij er eens het volgende over: 'De blues bestaat uit twaalf maten muziek. Iedere maat heeft vier tellen, dus er zijn achtenveertig tellen in een chorus. Het gaat erom wat je met die achtenveertig tellen doet. De blues is een emotie die zich binnen in je afspeelt en jij geeft daar uitdrukking aan. Je kunt de blues spelen en gewoon de harmonische wendingen volgen en niets voelen. Dat is mij soms tijdenlang overkomen en ik kan wat dat betreft iedereen behalve mezelf in de luren leggen. Op dit moment verkeer ik in een bluesperiode. De blues werkt genezend. Blues spelen wordt zoiets als over je sores praten. Je drijft de blues je lichaam uit. Als ik speel, negeer ik het publiek. Ik richt al mijn aandacht op wat ik speel, breng al mijn gevoelens naar voren. Mijn lichaam speelt mee in de melodie. Als het een snel nummer is - een rag - moet ik zorgen dat mijn handen zijn waar ze zijn moeten. Ik zorg ervoor dat zij de goede posities kiezen. Ik ben van de oude stempel - werken, werken, werken. Mensen zeggen wel eens tegen mij: 'Waarom kijk je niet naar het publiek en glimlach je niet terwijl je speelt?' Dat kan ik niet. Ik probeer mij te verliezen in wat ik aan het doen ben. Soms lukt het en dan klinkt het prachtig.' M

J. Bernlef is schrijver.

Zijn jongste roman 'Boy' is genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, die 13 mei wordt uitgereikt. Essays over jazz zijn gebundeld in 'Schiet niet op de pianist' en 'Haalt jazz de eenentwintigste eeuw?'

Zijn werk wordt uitgegeven door Querido.

Art Hodes' cd's Keepin' out of Mischief Now (CD 7088265) en Pagin' Mr. Jelly (CD 5777505) zijn uitgebracht door Candid Records.