Iedereen oorlogsslachtoffer

De oorlog is nauwelijks meer van degenen die hem hebben meegemaakt. De tweede generatie eist hem op en laat niet meer los. Hoe lang blijven zij nog leven in de oorlog? `De problemen van verzetskinderen en NSB-kinderen zijn praktisch identiek.'

Roodgloeiend stond de telefoon. Zestig tot zeventig mensen belden naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, toen dat november vorig jaar de dossiers van `foute' Nederlanders in handen kreeg. ,,Het waren lange, uitermate emotionele gesprekken'', vertelt archivaris Sierk Plantinga. ,,Mensen die zeiden: ik heb me altijd afgevraagd waarom mijn vader na de oorlog een tijdje weg was. Ik heb nachten niet geslapen en nu wil ik het weten.''

Na een week nam het aantal telefoontjes af. Maar de archiefmedewerkers hebben het nog steeds druk met vragen over het zogeheten Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Daarin ligt informatie over de omstreeks 400.000 Nederlanders die tijdens de oorlog collaboreerden, of daar na de oorlog van werden verdacht. Voor het beantwoorden van vragen daarover is binnen het archief een taskforce van vijftien parttime-medewerkers gevormd, en er zullen nog drie nieuwe mensen fulltime voor worden aangenomen.

Het is tijdrovend werk, want het archief is omvangrijk – vier kilometer lang als je alle dossiers achter elkaar zet. En het Rijksarchief wil belangstellenden met zorg behandelen. Voordat geïnteresseerden een dossier onder ogen krijgen, vertelt een archiefmedewerker wat ze ongeveer kunnen verwachten. ,,Er kan bijvoorbeeld een foto van een slachtoffer in zitten, wat natuurlijk heel confronterend is'', zegt Plantinga's collega Francien van Anrooy. ,,Als ik dat merk dan stop ik hem onderin de stapel. Zodat dat niet het eerste is wat ze zien.''

De studiezaal beschikt over een aparte hoek waar mensen rustig kunnen praten, en een kamer waar ze zo nodig zich kunnen terugtrekken. Plantinga: ,,We zijn natuurlijk archivarissen, geen psychologen, maar we proberen er zo begripvol mogelijk mee om te gaan.'' De belangstelling onder archiefmedewerkers voor de taskforce was trouwens groot. Ze vinden het `leuk' werk, zulke levende geschiedenis.

Twaalfhonderd mensen hebben zich sinds november bij het Rijksarchief gemeld. Dat zijn veel meer belangstellenden dan zich voorheen bij het ministerie van Justitie meldden. Daar konden de dossiers vroeger worden ingezien door familieleden en onderzoekers. Plantinga: ,,De drempel was daar heel hoog. Justitie, dat was ook de instelling die ze berecht had. Wij zijn wat publieksvriendelijker.''

Waarom maakt die Tweede Wereldoorlog nog zoveel los? Als Nederland vandaag Bevrijdingsdag viert zullen er opnieuw minder mensen zijn die daar bewuste herinneringen aan hebben. Maar de belangstelling neemt niet af, getuige het aantal items in actualiteitenprogramma's, exposities, publicaties, en de maatschappelijke debatten die daar op volgen. Behalve om geld, draaien die bijna zonder uitzondering om de vraag: wie moet zich dader noemen, en bovenal: wie mag er slachtoffer heten?

Een verklaring voor de blijvende fascinatie is de oorlog zelf. Die was blijkbaar zo erg dat hij ook degenen die hem als kind meemaakten of erna geboren werden – de tweede generatie – nog in de greep houdt. ,,Een jaar of tien geleden dachten we dat het rond deze tijd wel minder zou zijn'', zegt woordvoerder Hugo Vogelaar van Centrum '45 in Oegstgeest dat oorlogsslachtoffers met psychische problemen helpt. De behoefte aan zulke hulp is onverminderd groot, en dat komt door de tweede generatie. Vogelaar: ,,De meesten die bij ons komen zijn rond de vijftig. Op dat moment openbaren de problemen zich. Mensen worden ouder, hebben minder veerkracht, gaan bijna met de VUT en beginnen met terugkijken op hun leven.''

Dat `de kinderen van' bezig zijn met de Tweede Wereldoorlog blijkt ook uit de gestage stroom boeken die ze produceren. Meest opvallend daarin is Grijs verleden van Chris van der Heijden, waarin deze historicus afrekent met het goed/fout-denken van Loe de Jong. Voor de verschijning van het boek verklaarde Van der Heijden, wiens vader aan het Oostfront vocht, in deze krant vurig te hopen dat zijn boek niet zou worden afgedaan als `het werk van een kind van een foute vader'. De meeste recensenten repten daarna met geen woord over Van der Heijdens familiegeschiedenis. Maar in Vrij Nederland gebeurde dat wel. Daarin nodigde schrijfster Jessica Durlacher, dochter van schrijver en kampoverlevende Gerard Durlacher, hem met een emotionele, persoonlijke aanval uit tot een weken durende openbriefwisseling, die in felheid nauwelijks onderdeed voor de discussies die leden van de eerste generatie voerden.

Ook recent verschenen: Gesprek met mijn vader van Dunya Breur, dochter van verzetsstrijder Krijn Breur; Rode aarde van Annie Bos, dochter van een Nederlandse bioloog die als dienstplichtig soldaat sneuvelde in Nederlands Indië; De kleine sjoa van historicus Isaac Lipschits; en Kaddisj voor Isaäc Roet van zijn collega Peter W. Klein. Allemaal boeken die de oorlog benaderen vanuit het familieperspectief.

Wat terugkeert in de verhalen van `de kinderen van', zowel van de slachtoffer- als van de daderzijde, is de mededeling dat hun vaders en moeders na de oorlog niet wilden praten over het verleden. ,,Hij kan er alleen maar over zwijgen'', zegt een hoofdpersoon in De dochter, de laatste roman van Jessica Durlacher, over haar vader. ,,Oorlog? Hij wordt er heel stil van.''

De problemen van NSB-kinderen en verzetskinderen zijn vrijwel identiek, zegt iemand die het weten kan maar niet met naam in de krant wil – ,,dat is te beladen''. ,,Als je een nota over de ene groep leest, kun je zo de naam van de andere groep invullen en andersom.'' Inderdaad, erkent Hugo Vogelaar van Centrum '45: hun problemen lijken erg op elkaar. Het gaat vaak om loyaliteitsconflicten, met als gevolg depressiviteit, angst of verslaving. Vogelaar: ,,Als ouders alsmaar zwijgen over de oorlog dan voelen kinderen heel goed dat er iets ergs was.'' Maar het omgekeerde komt ook voor, ,,dat er te veel gepraat werd, dat alles alsmaar met de oorlog in verband gebracht werd.''

De overeenkomsten tussen de problemen van kinderen van daders en slachtoffers hebben het Centrum '45 er nog niet toegebracht ze allemaal tegelijk te behandelen. ,,Dat is geen moreel ordeel'', zegt Vogelaar, ,,want de kinderen van NSB'ers zijn net zo goed slachtoffer. Maar om te kunnen behandelen moet je veiligheid bieden en dit zou voor veel onrust zorgen. Het ligt nog te gevoelig.''

Sommige ouders willen nog steeds niet over de oorlog praten. Dat kan problemen opleveren, omdat kinderen die in het Rijksarchief de dossier van hun vader of moeder willen bekijken, toestemming moeten hebben van hun ouders, als die nog leven. ,,Het kan gebeuren dat de zoon onder behandeling is bij een psychiater, die zegt dat het voor de behandeling goed is te weten wat er in het dossier staat'', zegt archivaris Plantinga. ,,Heel schrijnend is dat dan, want als pa geen toestemming geeft, dan houdt alles op.''

Zie ook `Trauma als identeit' in W&O, pag. 53