Het is waar

De Dam is klaar. Nooit helemaal natuurlijk, maar na een half jaar radicale sloop en opbouw een van de mooiste pleinen van Europa. Door de eenheid van bestrating zijn de twee helften samengevoegd. Het geeft een effect van weidsheid, ruimtelijke vrijheid, het spoort je aan om eens diep adem te halen, je wilde dat je kon zingen om hier een flinke aria te laten horen. Dat gevoel. Ik hoop dat u het kent. Je knapt ervan op. Peter Schat heeft in deze krant al een lofzang ten beste gegeven. Ik ben het eens met zijn conclusie. De Dam zelf is nu een monument geworden, zoals de Place de la Concorde, het Rode Plein; in deze categorie en dan met zijn eigen allure.

Lang heb ik aan de goede afloop getwijfeld. Het is niet de eerste keer geweest dat ik het nationale plein overhoop heb zien halen, maar nooit zo grondig. Een half jaar hebben wij omwonenden en werkenden in een soort frontgebied geleefd; springend over loopgraven, wadend door blubber, zware graafmachines ontwijkend, verdoofd door het staccato van pneumatische hamers, ons een weg door de chaos gezocht. Dat kon nooit meer goed komen, dacht ik aan de ene kant. Maar aan de andere kant ben ik deze keer optimistisch gebleven. Vanaf het begin straalde het geheel van de werkzaamheden een energie en vastberadenheid uit die je bij zulk soort ondernemingen in de hoofdstad niet veel aantreft.

Donderdag hadden we het er nog over, iemand van het werk en ik. Om redenen die hieronder duidelijk worden, zal ik zijn naam niet noemen. In de loop van dit half jaar ben ik hem als een buurman gaan beschouwen. ,,Krankzinniger klus dan deze hebben we nooit opgeknapt'', zei hij. En hij vertelde verder over de omvang van het werk en het tempo, want op 4 mei moest het klaar zijn. Achter ons werden de laatste hekken weggehaald. Gefeliciteerd, zei ik.

En nu moet ik u voorbereiden op een bericht. Misschien zult u het bij eerste lezing niet geloven, maar het is waar. Op 10 juni wordt met de opbouw van de kermis begonnen, en op 26 juni wordt het zaakje weer afgebroken. In deze buurt is het iedere dag al kermis. Het Damrak, bijgenaamd De rode loper, is een boulevard van patat, porno en shoarma. Verderop, na de Munt, is de Reguliersbreestraat van hetzelfde laken een pak. In de weekeinden staan op het Rembrandtplein en de Munt de donkerblauwe auto's van de ME, met de vrouwen en mannen die moeten voorkomen dat het feest geen collateral damage veroorzaakt. Slaat de buitenman bij de Dam linksaf, dan komt hij in het wereldberoemde red light district. Wie veel zwart geld heeft (lees je wel eens) kan daar een pandje kopen om het kapitaaltje wit te wassen. Dat ligt buiten het kader van deze beschouwing. Wie lol wil trappen, kan hier alle etmalen van het jaar aan zijn trekken komen. Op deze permanente kermis komen soms zoveel mensen af (weten we sinds Koninginnedag), dat de spoorwegen het niet meer aankunnen, waardoor de teleurgestelden weer gedwongen worden telefoonhokjes en abri's kapot te slaan.

Terug tot de Dam. Een jaar of vijf, zes geleden hebben we hier al eens zo'n alles-op-de-schop-vernieuwing meegemaakt. Oude steentjes eruit, nieuwe erin. Meteen daarna kwam de kermis, met het zwaarste materieel. Het reuzenrad, de octopus, de slingerschuitjesdraaimolen, allemaal apparatuur die tonnen en tonnen weegt. Nadat dit industriepark weer was vertrokken, kon je dat goed zien. De nieuwe Dam was in een heuvelachtig plein veranderd. Toen bleek trouwens ook dat de gemeente de verkeerde stratenmakers in dienst had genomen. Aan dat model steentjes waren ze niet gewend. Alles ging los zitten. Kosten 1,3 miljoen. Nooit meer iets van gehoord.

Op 1 december 1999 viel het besluit waaraan we deze kermis op de nieuwe Dam te danken hebben. Regeren is vooruitzien. Deze vernieuwing heeft 26 miljoen gekost, of 35, dat weet ik niet. Maakt ook niks uit! Dit nieuwe plaveisel is gemetseld, het moet tegen een stootje kunnen. Zie deze kermis als een experiment, zei iemand van de gemeente me. Zo kunnen we zien of de Dam nu kermisbestendig is. Je kunt je wel weer afvragen of er geen andere plaatsen zijn waar de kermisdorst kan worden gelest. Maar het helpt niet. Het nationale plein wordt weer twee weken onbegaanbaar, en als de kermis is vertrokken, is de Dam gekleurd in Heineken-groen, patat-bruin en mayonaise-geel. De rotzooi, neem het van mij aan, is onbeschrijfelijk.

Maar afgezien daarvan. Ik vind dat kermissen goed zijn voor plattelandsgemeenten, dorpen waar boerenzoons met de klomp een ruzie beslechten. Het is een blijk van minachting, ten eerste voor de stad om die in haar hart met zoiets op te zadelen, en ten tweede voor dat legertje mensen dat een half jaar zijn best heeft gedaan om er iets moois van te maken. Ik vertelde mijn zegsman van hierboven, wat er ging gebeuren. Hij kon het niet geloven. Hij zei: `Als ik straks iemand zijn tenthaken of wat dan ook in mijn plaveisel zie slaan, grijp ik mijn dubbelloopsgeweer!' Dat kon ik goed begrijpen.

Er is een mooi boekje over de Dam, van D.H. Couvée. Op pagina 78 wordt verteld hoe in 1935 via een ingewikkelde regeling de gemeente Amsterdam het Paleis, het raadhuis eigenlijk, definitief aan het Rijk heeft verkocht. Het Genootschap Amstelodamum vond dat daarmee Amsterdam zijn historie verkwanselde en citeerde een gedichtje van de zeventiende-eeuwse calvinist Bartens:

De Hoer aan `t Y is voor

elk geldte koop

Die vaart voor Paap en Heiden,

Moor en Turk,

Die geeft om God noch `t lieve

Vaderland

Die vraagt naar winst alleen,

naar winst! naar winst!