HET EILAND VAN DE TAAIE KAMERADEN

Tien jaar na de val van de Muur sleept de maakbare samenleving in Cuba zich nog steeds voort naar het einde. Dat komt met de dood van Fidel Castro. En ondertussen? De oude revolutionairen, inmiddels in de zeventig, houden vol dat Cuba het land van de Mens is. De vijftigers, de bureaucraten, nemen zonder enige bevlogenheid de macht over. En de jongeren zijn buiten spel gezet.

En straks komt McDonald's.

Wahay, een onverlichte wijk vlakbij het fonkelnieuwe vliegveld van Havana. De vijf politie-agenten die vannacht dienst hebben, hangen verveeld rond bij de balie van het vervallen politiebureau. Hun uniformen zijn vuil en krap. Door de openstaande deur staren mijn Cubaanse vriendin Lea en ik naar de straathonden die in het donker zigzaggend rond de gaten in het wegdek sluipen. Al uren wachten we hier op de superieur die proces-verbaal op moet maken over mijn gestolen bagage. Een mooi begin: net op Cuba aangekomen en meteen al door het toeristische decor heen gevallen. Ik vraag aan Lea wie die man met baard en hoed is wiens portret boven de balie hangt naast dat van Che Guevara. 'Camilo Cienfuegos', zegt ze, en met een zucht daar achteraan: 'Camilo en Che: wat een mooie mannen. Trouwens alle revolutionairen waren jong en mooi. Het hele volk aanbad ze.' We lachen omdat precies op dit moment in de aangrenzende tuin uit alle macht een haan kraait.

Het huis waar ik logeer staat in de ambassadewijk van Havana. Het is gebouwd in de jaren vijftig en heeft de nieuwste Amerikaanse snufjes uit die tijd: air conditioning in de plafonds, zonnepanelen op het dak, ruime, rond betegelde badkamers, jaloezieën van glas en natuurlijk een American kitchen. Maar de flashback van de American Dream blijft uit. Het is net als met de tientallen vijftiger-jaren-Chevrolets en Buicks op straat. Ooit straalden ze moderniteit, optimisme en vitaliteit uit, nu onderstrepen ze juist de benauwenis van Cuba: alles is vervallen, functioneert maar half of is gebrekkig opgelapt. De tijd is op Cuba in een vacuüm beland.

Toch hebben er ingrijpende veranderingen plaatsgevonden sinds mijn vorige bezoek aan het eiland. Dat was tien jaar geleden, middenin wat Castro verzachtend de Periodo Especial heeft genoemd, de barre tijd vlak nadat de uiteenvallende Sovjet-Unie van de ene dag op de andere zijn jaarlijkse miljardensubsidies aan Cuba had teruggetrokken en de levering van goedkope grondstoffen en produkten had gestaakt. Het eiland, dat al leed onder de blokkade van Amerika, was vanaf dat moment helemaal op zichzelf teruggeworpen. Economisch: de winkels waren leeg, er reed geen bus of tractor, de electriciteit viel vaak dagen achter elkaar uit en de meest elementaire levensmiddelen waren op rantsoen, als ze al te krijgen waren. Maar ook ideologisch, want met de val van de Muur in 1989 was het ideaal dat de Cubaanse Revolutie naar het communisme had geleid, een samenleving scheppen volgens de hoogste menselijke normen, definitief in discrediet geraakt. Het had zichzelf ontmaskerd als een ijzeren model dat alleen onder dictatoriale dwang opgelegd kon worden. Voor de Cubanen die niet hadden geprobeerd om in bootjes van autobanden de oversteek naar Amerika te maken, restte in die tijd alleen nog de nationale mythe, de mythe van jonge bevlogen revolutionairen die het kapitalisme hadden verdreven, het verderfelijke systeem dat hun land tot bordeel en speelhol van Amerika had gemaakt.

Het Cuba van nu ziet er totaal anders uit, Havana voorop. Er zijn supermarkten met air conditioning waar je kunt kiezen uit verschillende soorten zeep, rijst, vlees en conservenartikelen uit de hele wereld (behalve Amerika), er rijden volop auto's en taxi's, velen hebben tv, tal van historische panden in het centrum zijn fraai gerestaureerd en kleding kun je nu bij Benetton kopen. Maar een blik om de hoek en de ambivalenties bespringen je als vlooien. Dan zie je Cubanen die er trots op zeggen te zijn niet onder een kapitalistisch stelsel te leven, terwijl zij tegelijkertijd hongerig staren naar de vrijheden en mogelijkheden die juist dat kapitalisme biedt. Want alles wat het meest elementaire ontstijgt, koop je op Cuba niet met peso's, maar met dollars, de dollars die in de zakken zitten van de toerist.

Een zegen en een vloek

Lea verdient als hoge functionaris bij het ministerie van cultuur een bedrag in peso's dat omgerekend neerkomt op amper twaalf dollar per maand. Ze is dan ook zelden in staat benzine te kopen voor haar aftandse Lada en haar boodschappen beperkt ze zoveel mogelijk tot de staatswinkel, waar iedere Cubaan tegen inlevering van bonnen of een paar peso's een karig rantsoen van rijst, meel en bonen kan krijgen, of tot de door de staat gecontroleerde 'agrarische markt'.

'Het toerisme is een zegen en een vloek voor Cuba', zegt ze terwijl we over de Malecón rijden, de grote boulevard van Havana, waar midden op de weg opvallend veel jonge meisjes staan. Het is of ze staan te liften, net als alle anderen om hen heen die niet op de onberekenbare en overvolle bussen van het openbaar vervoer willen wachten. Wie een auto heeft, vervult een normale burgerplicht door mensen mee te nemen, maar voor deze meisjes stopt Lea niet. 'Het toerisme heeft de prostitutie teruggebracht', zegt ze, 'nog even, en het is hier weer net zo'n hoerenkast als onder Batista. Dat krijg je als de mensen honger lijden. Fidel heeft geen oog voor de noden van het volk.'

Waar Fidel wel oog voor heeft, blijkt die avond wanneer de tv een van zijn lange redevoeringen uitzendt. Hij is in burgerkostuum en legt met hese, bezwerende stem aan een stijf rechtop zittend gezelschap dames en heren in Venezuela statistieken uit. Die statistieken moeten bewijzen dat Cuba gunstig afsteekt bij vrijwel alle landen van Zuid-Amerika, en zelfs bij Amerika en het Westen. Het lage percentage analfabeten, de prestaties van de sportlieden, de hoge vlucht van het biotechnologisch en medisch onderzoek, al die dingen waar Cuba in de wereld mee scoort, zijn te danken, zegt hij, aan de menselijkheid van Cuba, dat wil concreet zeggen aan de gezondheidszorg, de sportvoorzieningen en het onderwijs die voor iedereen gratis zijn. Daarnaast biedt geen ander land zijn bevolking zo goedkoop huisvesting, voedsel en allerhande sociale voorzieningen. Nee, de critici die Cuba als een debacle afschilderen spreken met de tong van de verraders, de uitbuiters, de kapitalisten, de tong kortom van de Cubaanse revanchisten in Miami. Maar gelukkig hebben ze Elian niet te pakken gekregen.

Cuba is de Mens

Cuba heeft een zelfbeeld dat bij het socialistische gedachtengoed hoort: Cuba is de Mens. 'Bijna overal zijn humane waarden verdwenen, maar hier staat de mens nog centraal', zegt Armando Hart Dávalos, voormalig secretaris van het Politburo, eerste minister van Educatie, oud-minister van Cultuur, een functie die hij 40 jaar heeft bekleed, en tegenwoordig algemeen adviseur van de staat. Ik spreek Hart, een ongezond bleke man van rond de zeventig, in zijn kantoor, een ruim, met zwart leren meubels aangekleed vertrek in een verwaarloosd palazzo van het vroegere grootkapitaal. Hij betoont zich welwillend en beantwoordt mijn vragen met de luide stem die bij routineuze passie hoort.

'Cuba is uniek in zijn strijd voor menselijkheid. Kijk naar onze geschiedenis', zegt hij, 'we kwamen als slaven vele malen in opstand en al in de 19de eeuw schreef José Martí, onze meest vereerde dichter en ideoloog van de in 1892 opgerichte Cubaanse Revolutionaire Partij, dat Cuba op grond van zijn geografische positie en economische en culturele geschiedenis was voorbestemd om een belangrijke rol in de wereldgeschiedenis te spelen. Onze strijd is altijd een strijd geweest om respect, respect voor menselijke waarden en de eigenheid van ons volk. Daarmee houdt Cuba de beste Latijns-Amerikaanse traditie overeind, een spirituele traditie die eens goed door het Westen bestudeerd zou moeten worden.'

Op mijn vraag wat hij bedoelt met 'spirituele traditie' verwijst Hart naar de poëtische woorden waarmee grote Latijns-Amerikaanse denkers hun sociale betrokkenheid en idealisme uitdroegen, zoals de Argentijn José Ingenieros, zijn persoonlijke leermeester. In Cuba, vervolgt hij met een vuur dat de leegte van zijn slogans moet opvullen, hebben de intellectuelen ook altijd een sterke band gehad met het volk. Zij hebben de multiraciale bevolking van Cuba een nationaal bewustzijn gegeven, Cubania. En daardoor kon dit kleine eiland de Goliath van het Spaanse en Amerikaanse imperialisme verslaan.

Hart was ooit gastheer van Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Norman Mailer, Susan Sontag, Hans Magnus Enzensberger, Alberto Moravia, Gabriel García Márquez, Peter Schat, Harry Mulisch, Joris Ivens en talrijke andere linkse intellectuelen en kunstenaars die kort na de Revolutie in 1959 massaal naar Cuba afreisden. Voor hen was Cuba de verwerkelijking van een prachtig utopisch verlangen, het verlangen naar een wereld die niet wordt geregeerd door het Kapitaal maar door de Mens, niet door willekeur maar door morele verantwoordelijkheid. Dat beeld barstte toen Castro in 1968 weigerde de Russische invasie in Tsjechoslowakije te veroordelen en viel in scherven toen hij in e971 de kritische Cubaanse schrijver Heberto Padilla in het gevang liet gooien, zonder acht te slaan op alle internationale protesten. Sindsdien geldt Cuba als het definitieve failliet van het utopisch denken.

Wanneer ik hierop een toespeling maak, kleurt de drift Hart's gezicht even rood: 'Het Westen moet zich niets aanmatigen, Cuba trekt zijn eigen baan. Het westerse intellectuele en artistieke klimaat is arrogant, elitair en op zichzelf gericht. Hier richten de denkers en kunstenaars zich op het belang van de massa, precies zoals Martí en Fidel hebben aangegeven. Wij streven ernaar iedereen te laten genieten van kunst, cultuur en wetenschap. Iedere Cubaan kan tegenwoordig via de televisie universitair onderwijs volgen.'

Bij het weggaan valt mijn oog op een kleine, overbekende sculptuur: Don Quichotte op zijn paard. Het beeld herinnert me aan mijn gesprek met Roberto Zurbano, de jonge, zwarte voorzitter van de Sectie Letterkunde van de Uneac, het overkoepelende orgaan voor de kunsten. 'Hart wilde kunst die voor iedereen toegankelijk was en de revolutionaire doelstellingen onderschreef', zei Zurbano, 'dat maakte zijn beleid conservatief. Vernieuwingen als het postmodernisme wees hij af als een kapitalistisch verschijnsel. Het heeft de literatuur hier lange tijd op een provinciaal niveau gehouden. Pas sinds een paar jaar worden publikaties getolereerd die de huidige sociale tegenstellingen beschrijven en kwesties als gender, prostitutie en multiculturaliteit in Cuba kritisch analyseren. Het heeft de Uneac tal van jonge, experimentele schrijvers gebracht. Jammer genoeg zijn boeken voor de Cubanen nogal duur: 15 peso's kunnen maar weinigen missen.'

Het Westen de Onmens

De volgende avond valt in onze straat de electriciteit uit. Wanneer het licht weer aanspringt stijgt uit de huizen luid gejuich op. 'Op zaterdag zijn er twee Amerikaanse films op tv', zegt Pepito, de psycholoog die bij ons in huis woont. 'Iedereen was bang dat het feest niet door zou gaan.'

Het voorval komt ter sprake tijdens een onderhoud met Omar González Jiménez, vice-minister van Cultuur, vice-directeur van het Radio- en TV-Instituut onder Hart en sinds kort directeur van het Cubaanse Film Instituut. Wanneer González, een Spaans uitziende vijftiger, op zijn beurt de mantra heeft afgedraaid van Cuba de Mens en het Westen de Onmens, merk ik op dat ook de Cubanen dol blijken te zijn op slechte Amerikaanse films en zoetsappige Latijns-Amerikaanse soap. González reageert met tactische joligheid: 'Die films 'lenen' we van de kabel! Uit geldgebrek. Cuba is de Robin Hood van de wereld! Maar ik geef toe, de Speciale Periode heeft wel een stap terug betekend. We hebben culturele projecten uit moeten stellen en sociale maatregelen moeten nemen die niets met onze oorspronkelijke idealen te maken hadden. Er was bijvoorbeeld geen geld om eigen films en tv-programma's te maken, dus waren we op de kabel aangewezen. Dat heeft de jonge Cubanen een andere culturele achtergrond gegeven dan de oudere. Zij zijn veel vatbaarder voor de globalisering en standaardisering van de Amerikaanse cultuur. Daar is maar één antwoord op: de mensen bewust maken van waarden als Respect, Gelijkheid en Solidariteit. Dat antwoord kan alleen in de Derde Wereld worden geformuleerd.'

Kermis van logo's

Na afloop van het gesprek drink ik een Cuba Libre op een van de terrassen van het Plaza de Armas, een schitterend plein in de oude binnenstad. Het is gerenoveerd met geld van de Unesco en van buitenlandse ondernemingen die denken aan het Cuba-na-Castro. De Fransen, Italianen en Canadezen om mij heen wiegen zich op de muziek van een van de vele Cubaanse orkestjes die overal op straat optreden en dollen met de mooie mulata's in kleurige Afro-Cubaanse kleding die Havana's te koop aanbieden. Zo speelt ieder zijn rol in dit volmaakt exotische decor.

Een gevoel van depressie overvalt me. Onder de oude, ronde stenen van dit schoon gepoetste plein lijkt ineens een reusachtig monster te schuilen. Nog even en het drukt zich naar boven met op zijn rug een kermis van logo's, hamburgers, merkkleding, dildo's, mobiele telefoons en Big Brother-programma's. Waarom bedrukt dat me? Dat alles hoort toch tot de wereld waarin ik leef, en waar ik kritisch maar ook gefascineerd naar kijk? Waarom wil ik dan dat Cuba daar buiten blijft? Het kan niet anders of het stralende visioen speelt mij parten dat ik als student in de late jaren zestig heb gekoesterd, een visioen dat ooit door Harry Mulisch met een jongensachtige heftigheid is verdedigd in Over de affaire Padilla.

In dit dunne boekje dat hij in 1971 schreef als nawoord bij zijn lyrische boek over Cuba, Het woord bij de daad, verweert Mulisch zich tegen beschuldigingen dat hij geen oog heeft voor Castro's dictatuur. Wij moeten eerst naar ons zelf kijken, schrijft hij, want dan zien wij dat 'hun systeem niet in het wild is gegroeid, zoals het onze, dat meer tot de natuur behoort dan dat het mensenwerk is. Uit zelfbehoud zetten wij terecht het hele leven naar onze hand, of het nu met de medische wetenschap is, met de chemie of met nog een andere wetenschap; maar in de samenleving moet liefst het 'vrije spel der ekonomische krachten' blijven heersen, dat wil zeggen: de wet van de jungle.'

Mulisch was blind in zijn verering van de machtige Cubaanse helden en doof voor berichten over politieke gevangenen en geheime politie. Klaarblijkelijk was hij bereid alle democratische principes en mensenrechten opzij te schuiven voor de meest aristocratische van onze dromen: een maatschappij die door intelligente mensen is gemaakt, als was het een kunstwerk. En het is waar, als je door je oogharen keek, leek Cuba inderdaad een belangrijke stap in die richting. Daar waren mythische figuren aan de macht, halfgoden die een politiek voorstonden waaruit willekeur en chaos waren verbannen en die regeerden vanuit een ideaal: een nieuwe, betere mens scheppen. 'Wij strijden evenzeer tegen armoe als tegen de vervreemding van de mens van zichzelf', schreef Che Guevara in zijn dagboek. 'Wij zullen de mens voor de 21ste eeuw creëren, de Nieuwe Mens zijn wij.'

Wat behelst dat verlangen naar een nieuwe mens? vraag ik me af terwijl ik naar een vijftal Cubanen kijk die met hun lage karren met ijzeren wieltjes de idyllische sfeer van het plein doorprikken. Er staan oude fornuizen, meubels en tanks met water op, die hun bouwvallige woning vlak om de hoek leefbaar moeten maken. Is het een manier om onszelf moed in te praten tegenover een geschiedenis die van terreur en onderdrukking aan elkaar hangt? Is het verlangen naar verlossing? Of komt het voort uit iets in ons wat Nietzsche omschreef als 'dat wat altijd zichzelf te boven moet komen', de drang in ons om onszelf en de wereld te scheppen, telkens opnieuw? Als dat zo is, besluit ik, terwijl ik mijn glas cola met rum leegdrink, moeten we het innig koesteren, zelfs met de verwording van de Cubaanse droom voor ogen.

Kop van Lenin

Het Lenin-park is tussen 1969 en 1972 aangelegd op instigatie van de aanbeden heldin van de Revolutie, Celia Sánchez. Sánchez, die altijd aan Castro's zijde was, stierf in 1980 en daarmee, zeggen de Cubanen, verloor Fidel zijn menselijke kant. Het 670 hectare grote park omvat een kunstmatig meer, een bos met een bijzondere soort knoestige bomen, een amfitheater, een zee-aquarium met exotische vissen en krokodillen, cafetaria's, restaurants, speelweides, picknick-plaatsen, verschillende voor educatie bestemde paviljoens en een concours hippique. Of Sánchez ook heeft aangestuurd op het reusachtige wit marmeren monument met de kop van Lenin, is niet bekend.

Ik rij in mijn huurauto naar het monument zonder iemand tegen te komen. Het park ligt 20 kilometer van het centrum van Havana vandaan en dat is ver als je, zoals de gemiddelde Cubaan, uren op een bus moet wachten. De cafetaria's die ik passeer zijn dan ook bijna allemaal dicht. Alleen 's zondags wil het hier nog wel eens druk zijn, heeft Lea me verteld, maar het haalt het niet bij 20 jaar geleden. Toen ging ze hier elke zondag met haar kinderen heen om paard te rijden, ijsjes te eten en te roeien op het meer. Het park was toen goed onderhouden en de trots van de Cubanen. Nu ligt het er verwaarloosd bij.

Het monument, dat door een Russische kunstenaar is gemaakt, blijkt uit een veld van wit marmer te bestaan dat met trappen naar een gigantische rots van blokken wit en grijs marmer leidt. Daaruit maakt zich fier en reusachtig het hoofd van Lenin los. Zijn blik is niet op mij, klein mens, gericht, maar zijwaarts: we zijn niet in dialoog.

Zou hij zich ook zo ongenaakbaar hebben afgewend als de kunstenaar geen Rus was geweest maar een Cubaan? Ik betwijfel het, en niet alleen omdat de vele borstbeelden van José Martí overal op het eiland en face zijn en op ooghoogte staan. Het non-communicatieve, op de Sovjet-Unie georiënteerde communisme kreeg op Cuba pas echt voet aan de grond na de Amerikaanse invasie in de Varkensbaai in 1961. Het debacle van die invasie, opgezet door Cubaanse anti-revolutionairen uit Miami in samenwerking met de CIA, deed een furieuze Kennedy tot een totale blokkade van Cuba besluiten. Vanaf dat moment waren Cuba en de Sovjet-Unie bondgenoten.

Helemaal onnatuurlijk was dat niet. Castro stond tot dan toe weliswaar op gespannen voet met de Cubaanse Communistische Partij, maar dat kwam omdat hij daarin een tegenbeweging bespeurde die erop uit was hem de macht te ontnemen en van Cuba een Russische vazalstaat te maken. Tegenover het communistische gedachtengoed zelf stond hij al lange tijd sympathiek, mede door toedoen van Guevara. Die theorie gaf richting aan de chaotische dadendrang waarmee de Revolutie was begonnen en leverde er het filosofische raamwerk voor.

Er schuift een wolk voor de zon en plotseling lijkt het Lenin-monument op een grafsteen.

Welpjes van het communisme

Wanneer ik verder rij stuit ik op een grote groep kinderen in frisse, rood/witte school- uniformen. Ze hebben muziekinstrumenten bij zich en staan op het punt om een laag gebouw binnen te gaan waarop in grote rode letters Che staat. Ze herkennen mij in mijn nieuwe auto meteen als toerist, zwaaien uitbundig en beginnen bij het zien van mijn fotocamera onmiddellijk geweldige ritmische muziek te maken en te dansen. Ik dans mee, want het is waar wat men zegt: in Cuba schuilt onder iedere steen een feest. Tot de juf komt en hardhandig begint te meppen en aan oren te trekken. Dan zie ik plotseling communistisch Oost-Duitsland.

Een jonge vrouw in een witte schort komt naar me toe en stelt zich voor als Margarita. Wekelijks komen hier uit het hele land 14.600 schoolkinderen in de leeftijd van 9 tot 11 jaar, legt ze uit, de zogeheten 'pioniertjes'. Zij zijn de welpjes van het communisme en ze leren in het Che-paviljoen hoe bijvoorbeeld het openbaar vervoer, het leger, het toerisme en de textiel-, suiker-, en tabaksindustrie functioneren, hoe je banket maakt en wat hygiëne is. Bij deze pioniertjes zitten ook altijd honderd kinderen die in andere landen gebrek lijden. Want Cuba wil zijn verworvenheden niet alleen voor zichzelf houden: 'Wij zijn misschien een arm volk, maar wij hebben veel te geven.'

Bij het verlaten van het park passeer ik duur geklede mensen op paarden. Ze roepen naar elkaar in het Frans. Nog even, en ook Park Lenin zal van de toeristen zijn.

Een Cubaanse grap: Wat zijn de goede dingen van de Revolutie?

Gezondheidszorg, Onderwijs, Sport.

Wat zijn de slechte dingen?

Ontbijt, lunch, diner.

Lea maakt voortdurend sarcastische opmerkingen over alles wat op Cuba het gewone dagelijks leven frustreert: de verf die na een week nog niet droog is, de kapotte warmwaterinstallatie waar geen nieuwe onderdelen voor zijn, de onmogelijkheid om als Cubaan naar het buitenland te bellen (alleen toeristen kunnen dat tegen een krankzinnig hoog tarief in de grote hotels), het gebrek aan wc-papier, gloeilampen en medicijnen, wegen die halverwege ineens opgebroken blijken te zijn, de zwarte mist van uitlaatgassen in de tunnel van de stad, het appartementencomplex dat al 25 jaar in aanbouw is en duidelijk uit het lood staat, de politie die geen reden ziet om procesverbaal op te maken over gestolen bagage. Maar van mij duldt ze niet de minste kritiek. 'Het loopt hier niet allemaal gesmeerd', zegt ze, 'maar wij zijn een beschaafd volk. Wij hebben dignidad, waardigheid. En dat is aan de Revolutie te danken.'

Dignidad is een woord dat je voortdurend op Cuba tegenkomt: op billboards en schuttingen, in Granma, de enig toegestane, door het bewind gecontroleerde krant, op tv, op schilderijen en ook gewoon in gesprekken. Dignidad wordt vaak gecombineerd met Patria, want het hoort bij het gevoel Cubaan te zijn en deel uit te maken van een multiculturele cultuur. 'Een mestizo-cultuur', zoals Regino Bóti, oud-minister van Economische Zaken het tien jaar geleden noemde. 'Onze cultuur', zei hij toen tegen mij, 'is een mengeling van westerse, Caribische, Latijns-Amerikaanse en Afrikaanse invloeden die alle gelijkelijk worden gerespecteerd. Wij kennen op Cuba geen ongelijkheid.'

Ik had Bóti op een informele bijeenkomst ontmoet en we waren meteen in een heftig debat geraakt. Ik hekelde de Cubaanse 'apartheidspolitiek': het was Cubanen toen ten strengste verboden om toeristische hotels, winkels en restaurants te betreden en wie dollars bezat, en dus levensmiddelen en benzine kon kopen, liep gevaar in de gevangenis te belanden. Bóti, die nooit iemand heeft willen zeggen waarom hij een paar jaar na de Revolutie uit de regering stapte, verdedigde die politiek met de stelling dat het toerisme een noodzakelijk kwaad was: het bracht de deviezen waarmee de regering benzine, voedsel en medicijnen kon kopen. Maar als de staat de touwtjes niet in handen hield en de dollar zou vrijgeven, zou weer een klassenmaatschappij ontstaan, met have's en have not's. Dan was de Revolutie voor niets geweest. 'Wij doen het op onze manier', zei hij, 'ik sta nog steeds achter wat ik in 1959 als minister verklaarde: de ontwikkeling van Cuba zal niet kapitalistisch of communistisch zijn, maar Cubaans.'

Bóti leeft niet meer, maar hij heeft Castro's legalisatie van de dollar in 1993 nog wel meegemaakt, evenals de massale prostitutie en corruptie die daaruit voortkwamen. Toch heeft hij, volgens zijn weduwe, nooit zijn geloof in de Cubaanse Droom verloren.

Een bloedbad

Wat gebeurt er met Cuba als Castro dood is? De tien jonge Cubaanse mannen en vrouwen die op deze warme zondagmiddag als een grote familie rondom de barbecue hangen, lijken even mijn vraag in grappen te willen verdrinken. Dan maakt een van hen een schietend gebaar: 'Carniceria', zegt hij, een bloedbad. 'Als el Jefe er niet meer is gaan de Cubanen onderling rekeningen vereffenen. De Revolutie heeft slachtoffers gemaakt en de legalisering van de dollar heeft grote sociale verschillen gebracht. Met Fidel sterft de Revolutie definitief. Nu al praten de Cubanen alleen nog maar over geld.'

'En over Fidels privérekeningen', voegt zijn vrouw daaraan toe. 'Cuba is zijn hacienda, en wij zijn de koeien. Wij worden gemolken en geslacht.' Waarna luid lachend geproost wordt op la réserva del Comandante op een Zwitserse bankrekening.

'De jongste generatie is cynisch over de Revolutie', zegt Jorge Serguera Rivera aan wie ik deze gebeurtenis voorleg. 'Te vaak zijn op Cuba ingrijpende beslissingen genomen en weer ongedaan gemaakt. Daarom kunnen ze nergens meer geloof aan hechten en willen zo snel mogelijk vertrekken. Ik word daar zeer somber van.'

Serguera, begin zeventig maar nog steeds een aantrekkelijke man, komt op tal van foto's in het Museum van de Revolutie voor. Als advocaat verdedigde hij Castro toen deze in 1956 door Batista gevangen was genomen, en hij was erbij toen de Cubaanse regering voor het eerst een bezoek aan Moskou bracht. 'Ik wist niet wat ik zag', zegt hij. 'De Russische regering bleek een stel nomaden te zijn die geen belastingstelsel kenden en zelfs geen zeep!' Dat was in 1963, kort nadat de Sovjet-Unie zonder overleg met Castro zijn raketten van Cuba had teruggetrokken om een wereldoorlog te voorkomen.

We spreken Frans terwijl we in de schaduw- rijke tuin van mijn gastvrouw kleine nipjes nemen van Cuba's mierzoete zwarte koffie. 'Het probleem van de Revolutie was', zegt Serguera gepassioneerd, 'dat we allemaal jong en onervaren waren. Fidel was met zijn 32 jaar de oudste. We hebben twee grote vergissingen gemaakt. De eerste was dat we op economische problemen politieke antwoorden hebben gegeven. De tweede dat we geen dialoog met het volk hebben gevoerd. We hebben de generaties die na ons kwamen het woord ontnomen, en daarmee de verbeelding.'

'De vijftigers nemen langzaam de macht over', zeg ik, denkend aan de slaapverwekkende toespraken van kleurloze functionarissen op tv. 'Die staan kritisch tegenover het regime, maar zijn niet werkelijk tegen', antwoordt Serguera. 'Zij hebben immers de tijd van Batista nog meegemaakt. En de geweldige euforie daarna. Maar het ontbreekt hen aan bevlogenheid, de meesten die aan de regering deelnemen zijn bureaucraten. Ik denk niet dat iemand van hen Fidels politiek na zijn dood verder kan dragen.' Voorziet hij een bloedbad? Serguera huivert: 'Er zijn overal milities en geweren. En dan zijn er natuurlijk ook de revanchisten uit Miami nog. Maar voorlopig zitten wij nog in de wachtkamer en zien hoe de kapitalisten nieuwe sloten in de deuren zetten.'

De mythen van Cuba

Suiker, suiker, suiker. De donkergroene plantages rijgen zich aaneen, af en toe onderbroken door kleine dorpen met kleurige, fris opgeschilderde huizen, een tv-antenne op het dak. 'In de tijd van Batista was dit achterlijk gebied', zegt Lea. 'De Revolutie heeft het platteland voor de moderne wereld ontsloten door overal infrastructuur aan te leggen. Daarom staan de boeren achter Fidel.'

We zijn op weg naar de Varkensbaai en het graf van Che Guevara. Ik wil de mythen van Cuba zien, de etappes in de geschiedenis zoals Marx die zag, en wij, de linksen van de jaren zestig/zeventig, met hem. Dat was de Geschiedenis als een duidelijke lijn, een regenboog die eindigt bij de goudpot, de beste van alle werelden. Vooralsnog rijden we op goed geluk over een brede asfaltbaan zonder strepen, middenbaan of richtingborden. Er is nauwelijks verkeer. Wel staan overal groepjes mensen in de berm te wachten op de gammele bussen of open vrachtwagens van het openbaar vervoer of op een lift in een personenauto. We kiezen onze lifters zorgvuldig. Verhalen over beroving van toeristen hebben ons voorzichtig gemaakt.

'Companêro!' De man die door Lea met de communistische groet wordt aangeroepen, weet hoe we moeten rijden. Hij stapt in en haalt meteen uit een grote tas een stapel cassettebandjes tevoorschijn: muziek, van de radio getaped. Hij verkoopt ze verderop voor een dollar aan toeristen.

De kwaliteit van de tapes is abominabel, maar de Cubanen zijn kapitalistisch inventief geworden in hun pogingen om aan dollars te komen. Ze moeten ook wel, want de lonen die de staat betaalt zijn te laag om een gezin van te onderhouden. Dat geldt evenzeer voor de fabrieksarbeiders als voor de hoger opgeleiden en intellectuelen. Je mond valt open als je hoort wat het werkelijke beroep is van de illegale taxi-chauffeurs in de met eindeloos geduld opgelapte auto's, de venters van sigaren, rum en door Che gesigneerd geld, de vrouwen die in de primitieve keukens van hun woning in het geheim koken voor een handvol toeristen en de mooie jongens op de taxi-bikes, een soort riksja van een omgebouwde fiets. Het zijn waterbouwkundigen, electrotechnici, onderwijzers of, zoals onze cassette-man, verplegers in een ziekenhuis. Zelfs de jonge mannen en vrouwen die seks en drugs aanbieden, zijn goed opgeleid. Een redelijk salaris verdienen alleen de militairen, de politie en de straatvegers, omdat anders niemand voor dat werk te porren zou zijn. Trouwens, de Cubanen werken überhaupt niet meer, zegt onze lifter, want er is niets dat hen daartoe motiveert.

Inruilen tegen babyvoedsel

Het Museum Girón staat vlakbij de plek waar op 17 april 1961 de invasie plaatsvond van de door de CIA gesteunde, Cubaanse antirevolutionairen uit Miami. Binnen 65 uur, zo vermelden tekstborden in het lage, rechthoekige gebouw, waren 200 van hen door Castro's leger gedood, 1197 gevangen genomen en waren 11 vijandelijke vliegtuigen neergeschoten. De meeste gevangenen bleken, althans volgens Castro, vóór de Revolutie grote materiële belangen in Cuba te hebben gehad, tot de maffia te behoren of militair onder Batista te zijn geweest. Castro, die hun antecedenten openbaar maakte, ruilde ze bij Kennedy in tegen medicijnen en babyvoedsel.

'Het hele volk stond tijdens de invasie als één man achter Fidel', vertelt Lea, 'ieder van ons voelde persoonlijk de dreiging van het Amerikaanse imperialisme en hoeveel we te verliezen hadden.' Dat wil ik best geloven als ik de foto's zie van de uitgemergelde bevolking van vóór de Revolutie. De beelden die daarop volgen, fiere blanke en zwarte vrouwen in soldatenuniform die mannen en vrouwen met verweerde gezichten helpen bij het schrijven, zijn bekende revolutionaire cliché's, maar ze maken toch indruk. Iedereen was betrokken bij de algemene alfabetisering die Armando Hart onmiddellijk na de Revolutie tot zijn beleid maakte. Lea's gemoed schiet vol als ze vertelt hoe trots zij was toen zij als 13-jarige de Revolutie kon dienen door oudere mensen op het platteland les te geven in lezen en schrijven.

Ons plan om de plaats van de invasie te bezoeken, gaat niet door. Het gebied is met een hek afgesloten. Daarachter, aan het prachtigste blauwe water, ligt een groot toeristenoord. Je kunt er logeren, dineren, cocktails drinken, snorkelen en duiken, zonnebaden, massage en schoonheidsbehandelingen krijgen, en zo meer. Tenminste, als je geen Cubaan bent. Want op het personeel na hebben Cubanen hier geen toegang. Cubanen zijn nu eenmaal de dragers van het idee van de Nieuwe Mens. Daarom moeten zij, vindt Fidel, op alle manieren beschermd worden tegen het platte materialisme, zelfs als dat betekent dat hun de toegang tot internet, het buitenland en hun eigen mooiste stranden wordt ontzegd.

'Voor een revolutie en de schepping van een totaal nieuwe samenleving zijn bijzondere individuen nodig met meer dan normale hardheid, visie, meedogenloosheid en intelligentie, eigenschappen die vroege bolsjewieken als Lenin, Trotski en Stalin in overvloed bezaten. En toch probeerden ze een samenleving op te bouwen die korte metten maakte met de ambities en eigenschappen die ze zelf bezaten', schrijft Francis Fukuyama in Het einde van de geschiedenis n de laatste mens.

Het monument van Che Guevara staat in Santa Clara, de stad waar Guevara met een handjevol rebellen het leger van Batista de genadeslag toebracht. Hoog torent de bronzen held uit boven het enorme plein waarop met gemak duizenden mensen kunnen staan. Hij draagt een soldatenuniform, een geweer en natuurlijk zijn onafscheidelijke zwarte baret. Zijn houding drukt een voorwaartse beweging uit. Onder hem, in een intieme, lage ruimte, bevinden zich de restanten van de gesneuvelde helden van de Revolutie. Sinds 1997 ligt Guevara er zelf ook, nadat Colombia zijn lichaam aan Cuba had overgedragen. De tombes zijn in de muren gemetseld en afgedekt met een koperen plaat waarop de schuil-of bijnaam van iedere rebel staat: Coco, Chino, Pepito. Het stuk muur met de tombe van Che steekt iets naar voren. Een lichtje erboven projecteert een ster op zijn naam, dezelfde ster die op zijn baret zat.

Is er iemand in de geschiedenis dichter bij de Olympus gekomen dan Ernesto Che Guevara? Waarschijnlijk niet, als we tenminste afgaan op de levendigheid van zijn mythe in Latijns-Amerika. Che is een held wiens aureool van charisma, schoonheid en moed zelfs zijn tegenstanders imponeert. 'Che was iemand met een oneindig geloof en vertrouwen in de mensheid', schrijft Castro in Che, a memoir by Fidel Castro. 'Hoe schitterend zou het zijn als het ons, het Cubaanse volk, zou lukken om het model waar hij voor staat, over te brengen op de jongere generaties'.

Ja, hoe schitterend zou dat zijn. Maar terwijl we rondlopen in het aan Guevara gewijde museum, denk ik aan het gesprek met een jonge Cubaanse kunstenaar. 'Ach Che', zei hij, 'hij is de mythe van jouw generatie, niet van de mijne. Wij geloven niet meer dat de mens en de wereld ten goede kunnen veranderen onder invloed van een theoretisch model. Dat model, het marxistische ideaalbeeld van vrijheid en gelijkheid, is in discrediet geraakt omdat het allerlei restricties oplegde en discussie niet mogelijk was. Ons is nooit iets gevraagd en het gevoel van toekomst, van deel te nemen aan de veranderingen in de wereld, is ons ontzegd. Daarom heeft de Revolutie zichzelf overleefd. Ik ben er trots op Cubaan te zijn, ik ben trots op het heroïsche verleden van mijn land, maar wanneer na Fidel het geweld losbarst, blijf ik aan de kant toekijken.'

We rijden terug naar Havana door kleine dorpen die soms uit miserabele hutten bestaan, dan weer uit zorgvuldig opgeknapte huisjes. Het is eind van de middag en de mannen komen thuis op hun paarden, oude tractoren of ossenwagens, lachend en speels. De vrouwen staan in groepjes te praten, terwijl kinderen, kippen en geiten om hen heen scharrelen. Ze zien er mooi en vrolijk uit. De tijd lijkt hier stil te staan, maar toch zal ook in deze nostalgisch stemmende omgeving het einde van de Geschiedenis zich morgen of over een paar jaar onherroepelijk doen gelden, aan de hand van projectontwikkelaars, bankiers en topmanagers. Dan zal andermaal blijken dat de regenboog eindigt bij een luchtspiegeling, een projectie voortgekomen uit het verlangen greep te krijgen op de willekeur, onrechtvaardigheid en wanorde van het leven.

En toch, wat zou er van Cuba geworden zijn als de vlag van het idealisme er niet was geplant? De zoveelste bananenrepubliek van Latijns-Amerika? Kunnen extreme armoede, uitbuiting en onrecht wel bestreden worden met het korte termijn denken, de ad hoc oplossingen en de morele flexibiliteit die bij de moderne democratie lijken te horen? Of is daar, zoals Régis Debray, de Franse intellectueel die in Colombia nog zij aan zij vocht met Guevara, recentelijk schreef in een pamfletachtig boek, een 'samenhangend denken'

voor nodig, een totaal-visie? Die ontbreekt nu in het Westen, stelt hij, en daarom heeft de intelligentsia geen enkele greep op de wérkelijke besluitvorming. Die berust bij de onzichtbare managers van het groot-kapitaal.

Misschien is dat waar, maar er is geen weg terug, want de mens van de 21ste eeuw gelooft niet meer in theoretische wereldbeelden en absolute waarheden. Hij streeft zijn vervolmaking niet meer na aan de hand van een model met ijzeren wetten, maar zoekt zijn heil bij politieke en economische systemen die flexibel en open zijn, ook al betekent dit een voortdurende, proefondervindelijke bijstelling van zijn morele principes. Die morele onzekerheid dringt ook langzaam in Cuba door nu het land niet anders meer kan dan zijn mythes, monumenten en lichamen versjacheren aan een ongedroomde Nieuwe Mens: de toerist.

Cuba wacht, opgesloten in een bevroren tijd. Nog even, en dan zal een harde hand alle wijzerplaten schoon vegen. M

Anna Tilroe is kunstcriticus. Ze werkt voor NRC Handelsblad.

Robert van der Hilst is freelance fotograaf. Hij woont en werkt in Parijs.

[streamliners] 'ALLE CUBAANSE REVOLUTIONAIREN WAREN JONG EN MOOI'

'GELUKKIG HEBBEN ZE ELIAN NIET TE PAKKEN GEKREGEN'

ONDER DE STENEN VAN HET PLEIN SCHUILT EEN MONSTER

PLOTSELING ZIE IK COMMUNISTISCH OOST-DUITSLAND

LACHEND WORDT GEPROOST OP CASTRO'S BANKREKENING

DE LONEN ZIJN TE LAAG OM EEN GEZIN TE ONDERHOUDEN

ALS NA FIDEL HET GEWELD LOSBARST, BLIJF IK TOEKIJKEN