Eigenbelang is de vijand van de vrijheid

Als burgers zich tegenover de overheid opstellen als calculerende vrijbuiters, gaat het evenwicht in de samenleving verloren, meent F. Korthals Altes.

In Nederland zijn vrijheid van meningsuiting en van geloofs- en levensovertuiging onomstreden. Op alle niveaus kennen wij democratische en vrije verkiezingen. Aan de eisen voor geestelijke vrijheid is voldaan. Bestaat echter overal in ons land en bij eenieder vrijheid van angst? Of zijn er toch velen die beducht zijn voor criminaliteit, voor vervuiling van hun leefomgeving, voor rampen door gebeurtenissen die wij tot voor kort voor onmogelijk hielden, althans in ons eigen goedgeordende land.

Goede ordening, goede regels alléén zijn niet voldoende om een leven zonder angst te garanderen. Het gaat ook om de naleving van de regels die bescherming moeten bieden. Naleving van de op democratische wijze tot stand gekomen regels is in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven zelf. De ervaring leert echter dat – zeker bij een vrijgevochten volk als het onze, dat, gelukkig, onderworpenheid aan autoriteiten niet kent – die bereidheid tot naleving een steuntje in de rug nodig heeft. Een steuntje in de rug door toezicht op de naleving en handhaving met toepassing van overheidsgezag als die naleving niet plaatsvindt.

Aan die bereidheid tot naleving, maar ook aan de bereidheid van de overheid om gedegen en merkbaar toezicht uit te oefenen en daaraan consequenties te verbinden in de vorm van rechtshandhaving, heeft het de laatste dertig à vijfendertig jaar te vaak geschort. Een hele generatie groeide intussen op voor wie de begrippen naleving, handhaving en gezag niet meer de betekenis hebben die de grote meerderheid vroeger als vanzelfsprekend beschouwde.

Dat klinkt misschien somber, maar ik sta daarin niet alleen. De gewezen nationale ombudsman, staatsraad Oosting, maakte bij de presentatie van het rapport van de door hem voorgezeten commissie van onderzoek naar de vuurwerkramp in Enschede gewag van de wenselijkheid van een culturele revolutie. In mijn perceptie is een revolutie een omwenteling die onder het volk op gang wordt gebracht. Het volk is de voornaamste actor. Er ontstaan door een omwenteling nieuwe, door het volk aanvaarde, vormen van gezag. Uit de media kreeg ik echter de indruk dat deze meenden dat de omwenteling zich juist bij de overheid diende te voltrekken. Daar waren de fouten gemaakt, daar moesten koppen rollen – iets wat bij revoluties inderdaad niet ongebruikelijk is. Het volk bleef buiten schot. Het beeld van de culturele omslag spreekt mij aan. In mijn beleving gaat het bij die omslag echter niet alleen en ook niet primair om de gekozen of benoemde gezagsdragers en de ambtenaren met behulp van wie zij hun beleid voorbereiden en uitvoeren. Het gaat in dit geval ook en vooral om een omslag binnen de gehele samenleving.

Naleving van regels vereist in de allereerste plaats draagvlak bij de bevolking. Voor mij is zeker dat een norm of rechtsregel, door het draagvlak dat ervoor bestaat, voor 80 à 90 procent vrijwillig moet worden aanvaard en nageleefd, wil het mogelijk zijn het ontbrekende gedeelte geloofwaardig en voor allen zichtbaar af te dwingen. Dat is geen fatalisme. Draagvlak en vrijwilligheid bij de naleving moeten hoofdregel zijn; draagvlak en vrijwilligheid zijn de ruggengraat van de naleving; gedegen toezicht is daarbij behulpzaam; rechtshandhaving kan alleen maar sluitstuk zijn. De vrijwilligheid bij de naleving heeft twee steuntjes in de rug nodig: de vaste overtuiging dat toezicht, controle, plaatsvindt, en een grote mate van zekerheid dat bij niet-naleving een passende sanctie wordt opgelegd. Als een rechtsregel niet wordt gemarkeerd, vervaagt zij.

Een belangrijke drijfveer bij de vrijwillige naleving is burgerzin. Burgerzin is het besef, en het daaruit voortvloeiende gedrag, dat de individuele burgers deel uitmaken van een gemeenschap, die is aangewezen op de positieve bijdragen van de burgers die er deel van uitmaken. Bereidheid in de eigen omgeving een bijdrage te leveren aan het goed functioneren van de gemeenschap waarvan men deel uitmaakt: de buurt, de school, de werkkring. De overheid, in een democratische samenleving gedragen door de burgers, vult aan, is complementair.

Burgerzin wordt gevoed door verantwoordelijkheidsbesef. Ik zei reeds dat in mijn opvatting vrijheid en verantwoordelijkheid onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Zonder verantwoordelijkheidsbesef tegenover medeburgers en samenleving ontaardt vrijheid in ongebondenheid. Voor een toestand van ongebondenheid zijn de offers van de Tweede Wereldoorlog niet gebracht. Het was immers het gevoel van verantwoordelijkheid voor de burgers van het Europese continent, het gevoel van solidariteit, dat de Britten, Canadezen en Amerikanen ertoe bracht grote offers te brengen. Het was het gevoel van verantwoordelijkheid voor het leveren van een eigen bijdrage tot het herwinnen van onze vrijheid, dat verzetsstrijders het risico deed nemen met hun leven te betalen voor hun inzet.

In onze pluriform geworden samenleving met veel culturele en religieuze invloeden van buiten, is burgerzin niet meer een gemakkelijk en voor ieder op gelijke wijze over te brengen begrip. Het zal ook niet voor eenieder eenzelfde beleving zijn. Velen zullen het begrip misschien verouderd vinden, stammend uit de negentiende eeuw of de eerste helft van de twintigste, toen de overheid nog met autoriteit vereenzelvigd werd en de burgerij gezeten was. Laat ik daarom ook een andere benadering kiezen. Wij stellen aan de overheid niet meer de uitsluitende eis van autoriteit, maar verlangen dat zij zich gedraagt met inachtneming van toetsbare beginselen van behoorlijk bestuur. Als tegenover die overheid de burger staat als calculerende vrijbuiter, gaat het evenwicht in de samenleving verloren. Zoals van de overheid geëist wordt dat zij de beginselen van behoorlijk bestuur in acht neemt, mag en moet van de burger verlangd worden dat deze zich houdt aan beginselen van behoorlijk burgerschap, van verantwoordelijk burgerschap. Erkenning van deze notie zou misschien ook in de bestuursrechtspraak een evenwicht kunnen terugbrengen, dat veel bestuurders – maar ook volksvertegenwoordigers – thans missen.

Een aantal elementen moet altijd van burgerzin – van behoorlijk of verantwoord burgerschap – deel uitmaken. Eén van die elementen is de notie dat in een samenleving waarin ieder zijn of haar plaats kan vinden en tot zijn of haar recht kan komen, zich in vrijheid zonder angst kan ontplooien, rechtsregels moeten bestaan, die – omdat zij democratisch tot stand zijn gekomen – gerespecteerd moeten worden. Gerespecteerd onder toezicht van de overheid, die deze regels zo nodig afdwingt. Op die drie elementen – vrijwillige naleving, toezicht en handhaving – zou de culturele omwenteling betrekking moeten hebben. Daarbij zie ik taken voor ons allen: het volk, bestaande uit burgers en bedrijven, en verschillende takken van de overheid. Voor burgers en bedrijven zie ik als taak het ontwikkelen van beginselen van behoorlijk of verantwoord burgerschap of ondernemerschap, met respect voor rechtsregels en normen.

Voor de overheid geen terugtredende, maar een vitale overheid. Het terugtreden van de overheid, dat de laatste jaren een politiek begrip is geworden, heeft op de keper beschouwd geen betrekking op de overheid, maar op de staat. De staat – of de provincie of gemeente die in mindere mate deelneemt in het economisch verkeer en zich terugtrekt ten behoeve van marktpartijen. Op de politieke wenselijkheid of onwenselijkheid ga ik uiteraard niet in. Wel op de wenselijkheid van een zichtbare en vitale overheid als het gaat om toezicht en rechtshandhaving.

In zo'n samenleving is naast de rechtsregels ook een grote mate van verdraagzaamheid, tolerantie, nodig. Het gaat echter verkeerd als de overheid tolerantie verwart met toegeeflijkheid. De toegeeflijkheid en de lijdzaamheid van de permissive society zijn iets anders dan de verdraagzaamheid en het wederzijdse respect van een tolerante samenleving. Tolerantie is een deugd. Toegeeflijkheid een zwakte.

Mr. F. Korthals Altes is voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Bovenstaande tekst is een bewerking van de 5 mei lezing die hij hield ter gelegenheid van de Nationale Viering van de Bevrijding 2001 in de provincie Flevoland op uitnodiging van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.