Een gebed bij het hoofd van Johannes

De paus zou in de Omayadenmoskee in Damascus samen met de imam bidden. Dat gaat echter niet door. Geen van de partijen wil de ander de schuld geven. Vaststaat dat de kwestie uiterst omzichtig wordt behandeld.

Vandaag zou paus Johannes Paulus II als eerste paus ooit een islamitisch gebedshuis binnengaan, maar over het programma van dit historische bezoek aan de Omayadenmoskee in Damascus heerst nog altijd grote onduidelijkheid. Oorspronkelijk zou de paus samen met de imam van Syrië een gezamenlijke dienst leiden, in het kader van de `interrreligieuze dialoog' waarvoor het Vaticaan zich sterk maakt. De plaats van handeling verleende extra symboliek, want in de Omayadenmoskee zou het hoofd liggen van Johannes de Doper. Deze wordt door moslims vereerd als de profeet Yehya, een mooie verwijzing naar de gezamelijke bron waaruit islam en christendom putten.

Het mocht niet zo zijn. Nog steeds gaat de paus zondag voor het eerst in de geschiedenis een moskee binnen. Hij betreedt de imposante Omayadenmoskee echter niet om er een eredienst te houden met een islamitische geestelijke, maar voor een bezoek aan de laatste rustplaats van Johannes' hoofd. Daar zal hij in zijn eentje een gebed van twee à drie minuten verrichten. Vervolgens heeft hij buiten de muren van de moskee een bespreking met islamitische geestelijken, af te sluiten met een verklaring. Over de tekst daarvan wordt al lang onderhandeld, net als over de vraag welke delen van de moskee de heilige vader mag betreden, en welke niet.

Het is onbekend wie uiteindelijk het plan voor een gezamenlijk gebed heeft afgeschoten, het Syrische regime, het katholieke of het islamitische kamp. Maar vaststaat dat de kwestie uiterst omzichtig wordt behandeld. De afzonderlijke partijen willen noch de schuld krijgen, noch die aan de ander geven. Het illustreert treffend hoe gevoelig de verhoudingen tussen de islamitische meerderheid en de christelijke minderheid in het Nabije Oosten liggen, 1.300 jaar na de komst van de islam in het gebied.

Het is geen toeval dat het gezamenlijke gebed juist in het relatief seculiere Syrië zou worden gehouden. Net als in andere Arabische landen met een christelijke minderheid gelden ook voor de vijftien procent Syrische christenen een aantal discriminerende bepalingen uit de islamitische wet. Een islamitische vrouw mag bijvoorbeeld ook in Syrië niet trouwen met een man van een ander geloof, en kinderen uit gemengde huwelijken zijn automatisch moslim. Maar overigens zijn in Syrië godsdienst en staat meer gescheiden dan in welk ander Arabische land in het Nabije Oosten.

De zo symbolische alcohol wordt vrij geschonken door Syrian Airways, en mag overal in het land worden verkocht. In het centrum van Damascus adverteren nachtclubs in alle openheid met foto's van schaars geklede Russische danseressen, in bioscopen hangen filmshots van halfnaakte vrouwen in de etalage – ondenkbaar in Kairo, Amman, Riad of Koeweit-Stad. Ook buiten gehoorafstand van de geheime dienst bevestigen de meeste christenen in Syrië hun redelijk gelijke positie.

In deze context was een pauselijk bezoek aan een moskee haalbaar, zeker ook omdat het nieuwe regime in Damascus graag eens op een andere manier in het nieuws komt dan door mensenrechtenschendingen of conflicten met Israël. Maar een gezamenlijk gebed was kennelijk toch een brug te ver.

Mochten de bezwaren hiertegen van katholieke zijde zijn gekomen, dan zijn die misschien voortgekomen uit de vrees dat een handreiking aan moslims ook als een erkenning van de aanspraken van de islam zou worden opgevat – hetzij door de eigen achterban, hetzij door de buitenwereld. De meeste christenen in het Nabije Oosten beschouwen Mohammed in het beste geval als een misleide geest die met geweld en bedrog een aanhang heeft verworven. In het slechtste geval is hij de antichrist zelve. Je hoeft dezer dagen in Damascus niet lang te zoeken naar een christen die van mening is dat de paus de Omayadenmoskee überhaupt niet moet bezoeken.

Maar de bezwaren kunnen ook van islamitische kant zijn gekomen. In dat geval kunnen de geestelijken zich hebben beroepen op de koranverzen waarin afkeurend – of erger – over aanhangers van andere godsdiensten wordt gesproken. Bijvoorbeeld: ,,Jullie die geloven! Neemt de joden en de christenen niet als medestanders''. Of deze verzen een rol hebben gespeeld is niet zeker want als het aankomt op de verhouding tot joden en christenen, kun je met de koran ook juist de andere kant op. De koran bestempelt het joden- en christendom uitdrukkelijk als voorlopers, waarvan de aanhangers erkenning, respect en bescherming verdienen. De gedachte is dat de islam de vervolmaking vormt van het joden- en christendom. Allah zou eerst een aantal profeten – onder wie Mozes, Johannes en Jezus – op de mensheid hebben afgestuurd. Helaas verdraaiden de joden en de christenen de prediking der profeten. Daarop zond Allah een definitieve, letterlijk te nemen openbaring aan Mohammed, de islam. Joden en christenen bidden dus tot de juiste god, zegt de koran, maar via het verkeerde geschrift.

Op deze visie bouwen de verzen en overgeleverde uitspraken van de profeet voort die tolerante moslims op de lippen bestorven liggen en die in de toekomst kunnen dienen om een gezamenlijk islamitisch-christelijk gebed te rechtvaardigen: ,,Ik heb mijn religie en jij hebt de jouwe'', heeft Mohammed gezegd. En de koran stelt: ,,In de godsdienst is geen dwang.'' Nogal wiedes, zeggen tolerante moslims, die dit laatste vers uitleggen als `geen dwang in de keuze van godsdienst'. Als God almachtig is, zegt deze stroming, heeft hij zelf gewild dat sommige mensen geen moslim zijn.