De sterren van de hemel

De klas is klaar. Dat kostte de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie vier maanden. Een selectieverslag in drie bedrijven. De moeder: `Ik vond het echt hartstikke goed.' De artistiek directeur: `Er zijn strafkampen voor dat soort moeders.'

Het sneeuwt als op een zaterdagochtend in februari enkele tientallen jongeren zenuwachtig door de gangen van de Toneelschool en Kleinkunstacademie ijsberen. Ze wonen in Bolsward, Nijmegen en Vlaardingen en zitten in het laatste jaar havo of vwo. Vandaag is het hun beurt auditie te doen in het gebouw aan de Amsterdamse Jodenbreestraat. Roemrucht als de school is, trekt zij ieder jaar honderden jonge mensen die willen toneelspelen, zingen of dansen. Dit jaar zijn dat er 622. Dat betekent dat bijna zeshonderd kandidaten moeten afvallen tijdens de drie selectieronden de komende maanden. Slechts 23 worden aangenomen als student van de – en dat is nieuw – dit jaar samengevoegde opleidingen Toneelschool en Kleinkunstacademie.

RONDE 1

Op de zwarte deur van studio 8.11 hangt een wit vel papier: `auditie commissie 1'. Aan de andere kant van die deur zitten vier docenten en een student achter een lange tafel. Elke acht minuten roept Ruut Weissman een nieuwe kandidaat binnen. Hij is artistiek leider van de gefuseerde school. De sfeer is vriendelijk, maar kordaat. De selectiecommissie heeft geen tijd om handjes te schudden. De aspirant-studenten worden meteen gedirigeerd naar een stoel middenin de studio. Met direct een vraag: ,,Wie ben je en wat ga je doen vandaag?''

In de eerste ronde doen 622 jongeren audities, die uitgesmeerd worden over negen dagen. De aspirant-studenten moeten twee opdrachten kiezen uit een tekst van Judith Herzberg, een Nederlands lied, een monoloog naar keuze en een improvisatieopdracht die ze ter plekke door een van de docenten voorgeschreven krijgen.

Weissman: ,,Als we helemaal niets voorschrijven, krijg je weer een of ander kloterig tekstje van Herman Finkers.''

Van de ruim zeshonderd auditanten kiezen er vijfhonderd een improvisatieopdracht. `Speel een geile chihuahua.' `Stel: je doet een gordijn open en je blijkt opeens in een vol circus te staan. Doe een act.' Of: `Je bent directeur van een vlooientheater waarvan de vlooien aan het muiten slaan.'

Toch zijn die opdrachten minder banaal dan ze lijken. Door de reactie van auditanten kunnen de docenten, stuk voor stuk met een lange en respectabele staat van dienst in het Nederlandse toneel, beoordelen of de aspirant-student snel kan schakelen tussen wat `normaal gedrag' is en een geheel andere identiteit. Op het toneel speelt de acteur immers ook een rol die ver van hem afstaat.

Ruut Weissman heeft voorstellingen van een groot aantal Nederlandse cabaretiers geregisseerd: Paul de Leeuw, Lenette van Dongen, De Vliegende Panters en Acda en de Munnik. Weissman was daarnaast vijftien jaar artistiek leider van de Kleinkunstacademie en doceerde al jaren aan de Toneelschool. Samen met faculteitsdirecteur André Veltkamp was hij architect van de fusie van de twee opleidingen. Door deze fusie hoopt de school beter in staat te zijn `allround, kritische en sociaalbewuste kunstenaars' op te leiden.

Dat het hele selectiesysteem drie maanden in beslag neemt, is volgens Weissman eigenlijk te arbeidsintensief. Hij weet na de eerste ronde wel wie hij aan wil nemen en wie niet. Kandidaten zonder talent vallen snel op, bij de docenten gaat veel op gevoel. ,,In wezen houden we dit hele systeem in stand voor die paar twijfelgevallen.''

Echt getwijfeld wordt er zelden. Zodra de auditant de studio heeft verlaten, gaat Weissman het rijtje af. De vijf commissieleden spreken ieder een `ja' of een `nee' uit, de meerderheid beslist. De docenten kijken of de auditant zich kan concentreren, een liedje kan zingen en een tekst uit het hoofd kan leren. Met dat laatste heeft auditante Dominique Hellweg problemen. Tijdens `Het knuffellied' van Paul de Leeuw, dat ze in de eerste ronde zingt, raakt ze even de draad kwijt, maar ze herstelt zich snel. `Nee', `ja', `ja', `ja', `nee' is het oordeel van de docenten. Dominique is door.

Een aspirant-studente steekt haar monoloog af en zingt een liedje, begeleid door een puber met een paarse capuchontrui en een piercing door zijn onderlip. Op de gitaar van de jongen zit een sticker die zegt dat drank meer kapot maakt dan je lief is.

De meegekomen moeder van de aspirant-studente stelt zich schuin achter de tafel met de selectiecommissie op. Als het meisje klaar is, neemt Weissman het woord.

Hij zegt: ,,Ga even zitten. Wil je graag op deze school komen? Wil je niet liever nog een jaar eerst gaan reizen? Of werken misschien?''

Dat wil ze niet. Voordat het gezelschap de deur weer sluit, zegt de moeder op hoge toon: ,,Ik vond het echt hartstikke goed.''

Weissman: ,,Er zijn strafkampen voor dat soort moeders.''

Ronde 2

In de tweede ronde, een maand later, beginnen de maniertjes op te vallen. De kandidaten gaan halverwege hun monoloog ineens rechtop staan. Ze maken grote handbewegingen, alsof ze duizenden toeschouwers toespreken. Of ze stoppen halverwege een zin, en spieden een onzichtbare verte af. Het zijn de trucjes die zijn aangeleerd op een vooropleiding toneel of een cursus `amateurtheater' in het lokale buurthuis.

Maar de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie moet er niets van hebben. Too much. Hoe kun je van zo iemand nog een origineel acteur maken? Want daarin wil `Amsterdam' zich onderscheiden van de toneelopleidingen in Maastricht en Arnhem. In de andere steden worden de studenten opgeleid tot kundige vakacteurs, op Nederlands meest prestigieuze opleiding in Amsterdam worden het ,,theater-personalities'' die met hun karakter iets toevoegen aan het Nederlandse toneel. Althans, dat is de bedoeling.

Honderd kandidaten doen mee aan deze tweede ronde. Zij brengen een weekeinde door op de Toneelschool en krijgen les in gezongen repertoire, beweging en improvisatie. Intussen worden ze getest en beoordeeld.

In de hal beneden zingt aan de piano een groepje samen liedjes van Acda en de Munnik. Het is duidelijk dat de zenuwen de auditanten tot een groep smeden. Terwijl iedereen tegen elkaar om dezelfde paar plekjes vecht, delen ze wel elkaars angsten. Dominique Hellweg bekent een meisje haar dialoog op papier bewerkt te hebben met twee verschillende kleuren stift. ,,Anders vergeet ik m'n tekst weer.''

Later, tijdens de les `spel & tekst' van groep 2 staat Hellweg te vloeken. Ze is haar tekst kwijt. ,,Godverdomme. Ik wil boos worden, verdrietig. Dat hoort bij dit stuk. Maar daardoor raak ik juist de tekst kwijt.'' Docent Khaldoun Elmecky staat op om aanwijzingen te geven. Als hij terugloopt kijkt hij veelbetekenend naar de studente die hem vandaag helpt te selecteren.

,,Geeft niks'', zegt de docent tegen Dominique. ,,We souffleren je wel.''

Tijdens de docentenlunch zwiept de deur open. Een studente zoekt Ruut Weissman en kijkt hem dan recht in zijn ogen aan. ,,Als die mooie meid'', zegt ze alleen maar en ze draait zich om.

De docenten kijken vragend naar Weissman. ,,Ik had mijn groep gevraagd hoe ik ieder van hen zou moeten herinneren.''

Een uur later geeft Weissman improvisatieles. Hij begint vriendelijk. ,,Wat zouden jullie deze les absoluut níet willen doen?'' ,,Zingen'', zegt de een. ,,Dansen'', zegt een ander. ,,De cabaretier uit moeten hangen.'' ,,Maakt niet uit, ik vind het allemaal wel leuk.'' Weissman, met een glimlach: ,,Jij vindt het allemaal wel leuk? Ik spreek je zo nog wel.''

Vraag de docenten waar ze de grootste hekel aan hebben bij de audities, en ze komen allemaal met hetzelfde antwoord: de gedachte van de aspirant-studenten via de school ster te kunnen worden. Nederland bulkt van de soapsterretjes en op tv worden bij Starmaker een paar tieners binnen een paar weken opgeleid tot zingende bekende Nederlanders. Het docentencorps van de Toneelschool en Kleinkunstacademie moet daar echter niets van hebben. Ouders pushen hun kinderen veel te veel in de richting van de school, klagen de docenten. Docent Khaldoun Elmecky: ,,Het is confronterend te zien wat de kinderen zichzelf daardoor aandoen. Ze zetten alles opzij om hier toegelaten te worden en een ster te worden.''

Weissman heeft zelfs op de samengevoegde school een nieuw vak `theater maken' ingevoerd. De nieuwe klas gaat na de zomer onder leiding van docente en actrice Adelheid Roosen zes keer per jaar naar een theatervoorstelling, verplicht. De studenten moeten in een schriftje hun ervaringen bijhouden. Weissman vindt het ,,enorm gênant'' dit te moeten doen, maar kan niet anders, zegt hij. Nieuwe studenten hebben te weinig binding met hun eigen kunstvorm. Een groot deel van de studenten wil de opleiding volgen `omdat het ook wel leuk is', klaagt hij. ,,Ik zie te vaak dat de ambitie ontbreekt.''

Weissman overweegt de laagdrempeligheid van zijn opleiding te verhogen door de auditanten een klein bedrag, zogenaamd voor administratiekosten, van tevoren over te laten maken aan de school. Nu betalen ze dat nog contant op de dag van auditie. Tevens moeten ze de tekst van de monoloog die ze gaan voordragen opsturen. ,,Ik weet zeker dat de helft dan niet meer naar de eerste ronde komt. Ze moeten niet alleen goed zijn. Talent heeft ook te maken met graag wíllen, en er dus iets voor doen.''

De kandidaten zijn het niet met Weissman eens. Stuk voor stuk zeggen ze dat het hen gaat om theater maken, niet om beroemd worden. Neem Dagmar Slagmolen, ze kwam met vlag en wimpel door de tweede ronde. ,,Ik wil naar de toneelschool omdat ik met theater verhalen kan vertellen. Ik vind het belangrijk erkend te worden om mijn werk, maar de roem die daarbij komt trekt me niet echt. Dat gaat toch snel vervelen.'' Dagmar, die een goede kans maakte, werd aangenomen op de theateropleiding in Arnhem. Ze zei af voor de laatste ronde in Amsterdam.

Tijdens de bespreking na de tweedaagse cursus staan de docenten uitgebreid stil bij elke kandidaat. In totaal werken zij zesmaal met tien man door de lijst van aspirant-studenten heen. De jongeren worden beoordeeld op kwalificaties als `fysiek' en `schakelen tussen emoties'.

,,Dit meisje had een mooie ingehouden woede.''

,,Ingehouden woede? Energieloos was ze.''

,,Echt een nitwitje.''

Ronde 3

Vlak voor de beslissende ronde begint Dominique Hellweg 'm te knijpen. ,,In de tweede ronde vond ik het niveau laag. De auditanten waren jong en onervaren en wilden gewoon beroemd worden. Maar nu zie ik er tegenop. Ik ken m'n tekst nog niet helemaal. Ik ben nu wel heel dichtbij. Naar de school wil ik al sinds ik dertien ben. Als ik het niet haal, zal de klap daarom des te harder aankomen.''

De laatste ronde ademt een meer gespannen sfeer dan de eerste ronde in februari en de `cursus' in april. De aspirant-studenten zijn er dichtbij toegelaten te worden, en dat weten ze. In het eigen theater van de opleiding, het Tip-Top-theater op de begane grond van het gebouw vlakbij het Waterlooplein, wordt de groep van vijftig overgebleven aspirant-studenten teruggebracht tot de uiteindelijke klas van 23. Twee dagen lang krijgt de selectiecommissie in blokjes van tien minuten telkens een andere auditant te zien. Voor deze gelegenheid wordt het docentencorps aangevuld met `mensen uit het vak'. Zo zitten onder meer actrice Elsie de Brouw van de toneelgroep Hollandia en Jenny Arean in de zaal. Toch lijkt de aanwezigheid van Paul de Munnik, helft van het Nederlandstalige liedjesduo Acda en de Munnik, de meeste indruk te maken op de auditanten. De Munniks liedjes zijn voor velen de afgelopen jaren hun leidraad geweest, waarmee ze hopen toegelaten te worden tot de toonaangevende kunstopleiding. Een van de aspirant-studenten roept middenin de voordracht van een Shakespeare-monoloog zelfs heel hard `Paul!', waarop de docenten zich afvragen of dat er wel in hoort. De Munnik: ,,Officieel niet, maar het stuk wordt er wel beter van.''

Ruben Brinkman is, net als in alle voorgaande ronden, een van de weinige jongens die auditie doet. De meisjes zijn zich bewust van de complicaties die deze op lange termijn met zich kunnen meebrengen. Het Nederlandse toneel heeft namelijk beduidend minder vrouwen- dan mannenrollen. In de voorgaande rondes viel Brinkman op bij de docenten door zijn corporele uitstraling met zijn blauwe overhemd en Leidse `r'. Een enkeling refereert aan hem als `de kakker', net zoals over anderen als `de hippie' en `die nare pleaserige nicht' gesproken wordt.

Brinkman is vrij vroeg aan de beurt op vrijdagochtend. Na zijn openingsmonoloog, een deel van Shakespeare's Richard III, doet Brinkman iets ongewoons. Hij zingt geen lied, houdt geen monoloog, maar begint uit de losse pols over zichzelf te vertellen. Over zijn jeugd in het saaie Julianadorp, de marineambtenaren in het nabijgelegen Den Helder en de Vrije School waar hij leerde breien, fluiten en brood bakken. De docenten zijn verrast, en lachen zo nu en dan om de grappen. Brinkman, achteraf: ,,Ik weet dat ik vrij grappig kan zijn, maar toch was het een verrassing dat het aansloeg. Ik raakte er bijna van in de war.''

Adelheid Roosen denkt dat Brinkman timing heeft. ,,En dat geneuzel tussen de grappen door maakt niet uit. Om dat af te leren kun je naar een school als deze.'' Ruben wordt aangenomen en begint na de zomer als student aan de school.

Dominique Hellweg is later die middag aan de beurt. Ze is zenuwachtig en zingt een liedje van cabaretgroep `De Vliegende Panters'. Als tweede stukje heeft ze zelf een act in elkaar gezet, onder andere met teksten uit een recent hitje van Madonna, What it feels like for a girl. ,,Ik twijfel wel over deze keuze.'' Na Hellwegs tien minuten neemt artistiek leider Ruut Weissman afscheid van haar zoals hij dat bij alle aspirant-studenten doet. ,,Je krijgt volgende week een brief over hoe het eventueel verder gaat. In ieder geval bedankt voor het komen al die keren.''

De brief aan Hellweg bevatte een afwijzing.