Weense pens, passie en bekrompenheid

Weense Passie, de derde roman van de Oostenrijkse schrijfster Lilian Faschinger (1950), draagt twee motto's: de bijbeltekst `alle mensen zijn leugenachtig', en een uitspraak van Daniel Defoe, dat het voordeel van de hemel boven de hel, is dat er in de hemel tenminste wordt nagedacht. Als derde motto had de beroemde tekst van John Lennon niet misstaan: `woman is the nigger of the world'.

Weense Passie vertelt vanuit verspringend perspectief drie verhalen, die steeds nauwer verweven raken. De Amerikaanse zangeres Magnolia Brown, dochter van een zwarte vader en een moeder met Oostenrijkse wortels, wordt door haar minnaar en regisseur naar Wenen gestuurd voor de rol van Anna Freud in een musical. Ze neemt les van de hypochondrische Josef Horvath die zijn intrek heeft genomen in het sterfhuis van de door hem aanbeden Schubert en die enigszins verrast is door zijn nieuwe leerlinge (`mijn reputatie scheen tot buiten de grenzen van Wenen en Oostenrijk door te dringen, tot in Afrika toe'). Horvath staat, met zijn vergane glorie als voormalige Wiener Sängerknabe en het nijpende geldgebrek waaronder hij als zangleraar leeft, model voor het provinciale Wenen, waar iedereen voortdurend weemoedig terugblikt op de oude hoogtijdagen. Gedurende haar verblijf in Wenen trekt Magnolia in bij een bitse tante die ze nog nooit eerder heeft ontmoet. In een kist op haar kamer vindt ze het vergeten dagboek van Rosa Tichy die wegens moord ter dood is veroordeeld. Rosa beschrijft haar leven als dienstmeisje in het Wenen aan het einde van de negentiende eeuw als een Dickensiaanse lijdensweg vol onrecht, hard werken en te weinig eten.

Weense Passie doet in veel opzichten denken aan eerder werk van Faschinger. Ze maakt geen geheim van haar feministische drijfveren. Het verhaal van Rosa Tychi is een verhaal over de complete onderworpenheid van vrouwen, die – uiteraard – in stand wordt gehouden door mannen, maar ook door wetten en de kerk. Faschinger grijpt bovendien elke gelegenheid aan om de door haar zo verafschuwde Oostenrijkse volksaard – gierig, bekrompen, hoogmoedig en xenofoob – op de hak te nemen. Zou het toeval zijn dat haar werk niet in Oostenrijk maar in Duitsland wordt uitgegeven?

Faschinger hanteert een onmiskenbare, virtuoze schrijfstijl, vol herhalingen en zijpaden. Op de meest onverwachte en dikwijls ook ongepaste momenten laat ze haar personages – dikwijls in de indirecte rede – uitbarsten in één of andere op hoge toon uitgesproken uitweiding. De argeloze lezer en toehoorder wordt getrakteerd op tirades over de Oostenrijkse keuken, politiek, vreemdelingen of Oostenrijks-Duitse muziek. Taal wordt gebruikt als een geducht wapen. Zoals de verontwaardiging van Magnolia's tante wanneer zij haar soep niet wil. `De penssoep [...] was een uitgesproken gezond Boheems gerecht, net wat zo'n door magerzucht, alweer zo'n moderne ziekte, getekende adolescente uit zo'n overgecultiveerd westers industrieland nodig had, ze was zo vrij mij te vragen wat ik, terwijl er door mijn aderen toch goddank niet alleen Afrikaans maar ook nog goeddeels oud-Oostenrijks bloed vloeide, voor bezwaar kon hebben tegen een Boheems nationaal gerecht dat uit uitsluitend natuurlijke en voedzame bestanddelen bestond, te weten naast het hoofdingrediënt, namelijk kleingesneden pens, ook wel netmaag, boekmaag of lebmaag genoemd van het rund, kalf of varken, alleen wat bloem, boter, uien, soepgroente, zout, knoflook, paprika en een snufje marjolein.' Vertaalster Ingeborg Lesener, die voor dit werk een vertaalbeurs van het Fonds voor de Letteren ontving, moet er een behoorlijke klus aan hebben gehad en heeft Faschingers taal in een spervuur van Nederlands weten om te zetten.

Juist die taalkundige uitvergroting en de extremiteit van haar personages vormde in eerder werk Faschingers grootste kracht. De volstrekt amorele Magdalena, de vertelster uit haar vorige roman Magdalena Sünderin, paste perfect bij Faschingers schrijfstijl.

Ze was een geloofwaardig karakter om tegen alle conventies in te gaan: een mooie, vrijgevochten vrouw die priesters knevelt, minnaars vermoordt en de wereld doorkruist op een Puch 800-motor met zijspan en compromisloos haar eigen, dwingende logica volgt.

De hoofdfiguren in Weense Passie missen dat verrassingselement. Hoewel Faschinger verschillende bijfiguren bedacht die onovertroffen zijn in hun kleingeestigheid, gierigheid, burgerlijke zelfgenoegzaamheid en hun vermogen om vrouwen te kwellen, zijn de hoofdpersonen net wat te kleurloos en te braaf. Faschingers filippica tegen vrouwenuitbuiting komt daardoor drammerig en zonder knipoog over. Weense Passie is een virtuoos geschreven boek, maar het wil maar niet meeslepend worden.

Lilian Faschinger: Weense Passie (Wiener Passion). Uit het Duits vertaald door Ingeborg Lesener. Anthos, 492 blz. ƒ69,50

Buitenlandse literatuur