Waar is bijvoorbeeld zijn huis?

Moeilijke of makkelijke gedichten, dat is de vraag niet. In de poëzie draait het om de kracht waarmee je als lezer wordt gedwongen in het hermetische, duistere en dubbelzinnige door te dringen.

Zijn moeilijke gedichten beter dan makkelijke? Of is het juist omgekeerd? Daarover ging de discussie die het afgelopen jaar werd gevoerd door een nieuwe generatie dichters. Aan de ene kant stonden de elektriek versterkte podiumpoëten, tuk op direct succes in de zaal, dichters als Ingmar Heytze, Ruben van Gogh, Hagar Peeters en (iets langer al) de rap-chansonnier Serge van Duijnhoven, die het gewone woord en de begrijpelijke taal verkozen boven de als academisch versleten moeilijkdoenerij. Aan de andere kant een groep ongelijksoortige dichters, wier positie verdedigd werd in een stuk dat de dichter Ilja Leonard Pfeijffer vorig jaar in Bzzlletin publiceerde.

Pfeijffer hield een hartstochtelijk pleidooi voor hermetische, dubbelzinnige, moeilijk verstaanbare poëzie. Er was niks tegen begrijpelijke taal, `bijvoorbeeld aan de telefoon met je beste vriendin of in een brief aan de inspecteur der directe belastingen', maar zulke taal is wezensvreemd aan echte poëzie, die zintuigelijk moet zijn én cerebraal én lyrisch én ambitieus.

Was dit de hele tegenstelling, mijn sympathie ging zonder voorbehoud naar Pfeijffer. Alleen vergat hij, omwille van de duidelijkheid, iets belangrijks waar de rest van deze (eigenlijk al oudere) discussie langs zeilde. Het draait namelijk in de poëzie niet om het hermetische en veelduidige en duistere, maar om de kracht waarmee je als lezer wordt gedwongen – of verleid – in dat hermetische, duistere en dubbelzinnige door te dringen.

Verrassingen

Moeilijke poëzie hoeft helemaal geen goede poëzie te zijn. Goede poëzie is poëzie die je raakt door rijm, ritme, beelden die je niet loslaten, verrassingen en nog zo wat. Gemakkelijke poëzie, althans de toegankelijke poëzie waartegen Pfeijffer zich afzette, heeft vaak nog wel het eerste (rijm en ritme), maar zelden het laatste. Er bestaat ook toegankelijke poëzie die dit wel allemaal heeft en die daarmee in tweede instantie alsnog complex blijkt. Zulke poëzie is uitzonderlijk. Nijhoff is hiervan het grote voorbeeld.

Wie de tweede dichtbundel van Jan Baeke onder ogen krijgt stuit meteen op zulke dilemma's. Baeke schrijft geen gemakkelijke, ondubbelzinnige gedichten, eerder onbestemde, hermetische poëzie. Dat irriteert wel eens, en toch kun je Zo is de zee niet schouderophalend terzijde leggen. Het gedicht `Met een minimum aan woorden' begint bijvoorbeeld met van die vage constateringen waar je niet veel van kunt maken:

Er zijn er

die het leven of de schoonheid rekken

met een minimum aan woorden.

Eén die langer drinkt en stiller

dan de anderen.

Zijn bier is de kortste tijd.

Die laatste regel blijft evenwel hangen; je hebt het idee dat het iets betekent, al kun je er moeilijk vat op krijgen. Het verlangt interpretatie. Dit gedicht, waarin iemand een vuurtje vraagt en een denkbeeldige pyromaan verschijnt, eindigt op een voor deze kwestie haast programmatische manier:

Er blijft genoeg te raden over

bij het verlaten van een café

tegen sluitingstijd.

Waar is zijn huis?

Bijvoorbeeld.

Er blijft genoeg te raden over, omdat het gedicht raadselachtigheid opwekt. Waarom dat zo is valt niet in een paar woorden te zeggen. Het gaat me nu ook even om iets anders, namelijk dat het niet de onbegrijpelijkheid van het gedicht is die ertoe doet, maar de raadselachtigheid, wat iets anders is. De vraag hoeveel het kwadraat van 1327 is, is niet raadselachtig, wat `zijn bier is de kortste tijd' zegt, is dat wel.

De duisterheid is bij Baeke overigens wel eens te groot, of althans niet raadselachtig, maar onbestemd. Zijn gedichten hebben vaak iets afstandelijks, met veel onpersoonlijke voornaamwoorden en onbepaalde lidwoorden. Zie het begin van het net geciteerde gedicht. Of we lezen van `een man die in een vreemd land opstaat'; en van `iemand' die `over een oceaan van slaap na wil denken'. Tsja, iemand zal wel ergens zijn, maar wil je als lezer ook weten waar?

Bij een gedicht als `Marinus' moet je snappen dat het over Marinus van der Lubbe gaat, aanstichter van de Rijksdagbrand. Bij een reeks gedichten naar aanleiding van grote wetenschappers kon ik Weber niet plaatsen. Het was niet Max, de grote socioloog. Word ik nu geacht te kiezen tussen de Duitse anatoom, ontdekker van de beentjes van Weber, de Duits-Nederlandse zoöloog, of de fysicus naar wie de weber, de eenheid van magnetische flux, is vernoemd? Geleerdenpoëzie is het, in de slechte zin van het woord, al staan in het gedicht over Coulomb dan weer goede regels:

Zijn vingers kunnen haar lichaam

niet weerstaan.

Het is niet haar lichaam.

Het is het ruisen dat je in de jurken hoort.

Coulombs naam vond zijn neerslag in de eenheid van elektrische lading en hij hield zich bezig met wrijving, wat mooi bij dit beeld past. De vraag is of je die kennis bij de lezer mag veronderstellen. Ik denk in dit geval van wel omdat ik dit toevallig wist. De grens is arbitrair. Zulke gedichten verworden snel tot opzoekpoëzie. Hier speelt weer hetzelfde onderscheid: een gedicht moet geen cryptogram zijn, noch een vraagstuk – er moet een raadsel zijn. En eigenlijk niet een raadsel, maar iets dat al in de lezer zit voor hij er erg in heeft en dat dan alsnog zich tot raadsel ontpopt, als hij zich afvraagt waarom het raak was.

Cabaret

In dat opzicht is er een hemelsbreed verschil met de poëzie van Jules Deelder, die balanceert op de rand van dichtkunst en cabaret. Dat pakte in zijn anderhalf jaar geleden verschenen bundel Bijbelsch soms goed uit, waar hij in razend tempo plat en plechtig taalgebruik wist af te wisselen. In zijn nieuwe, N.V. Verga, is de taal eendimensionaal en ondubbelzinnig: `Hoe vaak je/ virtueel ook// in de kroeg/ mag komen// Je moet wel/ zelf de// drank in-/ kopen'. (Even denk je: zijn bier is de kortste tijd.)

Niet alleen in dit opzicht is Jules Deelder een vertegenwoordiger van de zogeheten jonge generatie podiumdichters. Hij is dat in vrijwel alle andere opzichten, met zijn optredens, toegankelijkheid, zijn afkeer van `moeilijke' poëzie, zijn drugs en rock-'n-roll, die nu door rap vervangen is. Het kan geen kwaad je dit bij de discussie van het afgelopen jaar te realiseren, want de podiumdichters blijken aldus minder vernieuwend dan ze meenden.

Verder mis ik in het dichtdebat een andere vorm van toegankelijke poëzie, het zogenaamde lichte vers. Dat wordt weleens onderschat, juist vanwege die cabareteske kant. Wat vonden de jonge podiumdichters van `light verse'? Technisch zijn de gedichten van Driek van Wissen, Jan Boerstoel, Ivo de Wijs en drs. P vaak erg knap. Onlangs verscheen van Jan Boerstoel Altijd het niemandsdier, een keuze uit de gedichten die hij voor de zaterdagkrant van het Algemeen Dagblad schreef. En die daarom wellicht nog toegankelijker zijn dan wat Boerstoel anders doet.

Dat geldt ook voor de boodschap waar hij veel verzen mee optuigt: mensen binden zomaar hun huisdier aan een boom in het bos als ze op vakantie gaan; inspraak heeft geen zin want de gemeente doet toch wat ze wil; de rijken krijgen een gouden handdruk maar de armen komen in de WW, enzovoort. Deze gedichten lijken echter zo weinig pretentieus dat het nauwelijks hindert. Als ze al eens dubbelzinnig zijn, is dat door een simpele woordspeling; `Koerswinst of koersverlies, ik lach om het effect' dicht Boerstoel.

Het is maar wat je van poëzie verlangt: vermaak en stichting met een glimlach, of verwarring en verrassing door een opstopper van taal. Liedtekst of gedicht.

Jan Baeke: Zo is de zee. Gedichten. De Bezige Bij, 71 blz. ƒ37,50

Jan Boerstoel: Altijd het niemandsdier. Gedichten. Bert Bakker, 54 blz. ƒ27,50

Jules Deelder: N.V. Verga. De Bezige Bij, 63 blz. ƒ25,–

Nederlandse literatuur