`VVD mist intern debat'

Saaiheid is troef bij de VVD, die binnenkort congresseert. Filosoof Paul Cliteur, het liberale geweten, weet daar wat op: de VVD moet een seculiere beginselpartij worden, met levendig intern debat.

Het jaarlijkse congres van de VVD, volgende week in Noordwijkerhout, dreigt tamelijk slaapverwekkend te worden. Er staat namelijk geen noemenswaardig politiek punt op de agenda. Discussie over de pil van Drion heeft partijleider Dijkstal hoogstpersoonlijk taboe verklaard. En in de zaak Zorreguieta heeft de VVD maandenlang gezwegen, om na de verloving te laten weten dat het niet meer nodig was iets te zeggen. Staat de VVD nog wel ergens voor?

We vragen het de filosoof Paul Cliteur, bijzonder hoogleraar in Delft, docent in Leiden en curator van de Teldersstichting, het wetenschappelijk instituut van de VVD. Hij wordt wel `het liberaal geweten van de VVD' genoemd. Kinderachtig, vindt hij, zoals alle partijen onlangs over minister Borst zijn heen gevallen. ,,Het is een laf argument, te zeggen dat het niet het juiste moment is om over de pil van Drion te debatteren en dat de maatschappij dat maar moet doen'', aldus Cliteur. ,,Het is voor een politieke partij altijd het moment om over zulke principiële vragen discussie te voeren. Dat is de taak van een partij.''

Het ontbreken van een principieel, politiek profiel is niet alleen een probleem van de VVD, meent de liberale denker. Alle grote partijen lijden eraan. ,,Partijen moeten totaalvisies aanbieden. Wij leven in een cultuur die de politiek op afstand volgt. Benjamin Constant heeft dat in zijn uit 1819 daterende opstel De la liberté des anciens comparée à celles des modernes goed beschreven: in het oude Athene hadden de burgers de gelegenheid zich over elke afzonderlijke kwestie een oordeel te vormen, maar wij hebben daar geen tijd meer voor. Wij moeten geld verdienen.

,,Dus moeten politieke partijen beginselpartijen zijn, opdat de burger op hoofdlijnen zijn keuze kan bepalen'', zegt Cliteur. En moet er over die hoofdlijnen levendig intern debat zijn. ,,Maar helaas vermoeit men de kiezer met details, is men veel te pragmatisch of hangt men debatten op aan personen. In plaats van grootse politiek te bedrijven door iets néér te zetten, bedrijft men politiek door korte verklaringen in de media over actuele zaken.''

In de VVD ontbreekt bovendien een forum voor politieke gedachtewisseling over actuele vraagstukken. ,,Er is het blad Liberaal Réveil van de Teldersstichting. Maar ja, dat verschijnt slechts vier keer per jaar, dus voordat je bijdrage er in staat, zijn we al vlug acht maanden verder. Andere wegen voor het partijlid om zich in een actuele discussie te mengen zijn er niet. De partij geeft daarmee eigenlijk aan het publieke debat niet langer te willen leiden. Men laat dat over aan de freischwebende Intelligenz, aan opiniepagina's in kranten of aan journalisten. Waarom is er geen ledenblad voor discussie?''

Cliteur koestert, ofschoon atheïst, een uitgesproken bewondering voor de kleine ChristenUnie en de SGP, omdat die nog uitgesproken beginselpartijen zijn. ,,Daar worden de dingen nog doordacht.'' Hij pleit voor de VVD als `seculiere beginselpartij'. Het CDA bevalt hem in dit opzicht minder: ,,Dat zou beter het ADA, Agnostisch Democratisch Appel, kunnen heten. Voor wat de PvdA betreft, verbind ik mijn hoop met de nieuwe voorzitter, Ruud Koole, die de leden weer bij het debat wil betrekken. Dat zou in de VVD ook moeten, de hele vereniging moet worden gerevitaliseerd.''

Cliteur denkt niet dat het zwijgen der politici te maken heeft met de Paarse coalitie, waarin de politieke extremen van weleer zijn verenigd. ,,Waarom zou je niet duidelijk je beginselen kunnen articuleren en daarna in een kabinet compromissen kunnen sluiten? Als alles van tevoren al mistig is, dan is dat voor de politiek de dood in de pot. Concessies moeten, net als de beginselen, expliciet zijn. Politiek verschilt niet zo veel van de rest van het leven. Hier aan de universiteit nemen we expliciete wetenschappelijke standpunten in. Dat verhindert ons niet om vervolgens samen te werken.''

Er is eerder, vermoedt Cliteur, in het poldermodel een enorme beduchtheid voor het innemen van standpunten überhaupt. Als expliciet republikein noemt hij het optreden van premier Kok in de zaak-Zorreguieta als voorbeeld. ,,Kok vertelde ons niet wat hij wilde doen, maar vroeg wel vertrouwen. Achter de schermen heeft hij een resultaat tot ieders tevredenheid bereikt. Het had net zo goed een debacle kunnen zijn.''

Het afkalven van het ledenbestand van de partijen en de verminderde belangstelling voor de partijpolitiek in het algemeen zullen niet tot staan worden gebracht, zolang de politici niet terugkomen op hun in de jaren negentig in zwang geraakte opvallende pragmatisme, denkt Cliteur. De gedachte aan het einde van de ideologie was een dwaalweg, meent de filosoof. ,,Want de meeste mensen zijn wel degelijk een beetje filosoof: ze hebben vage noties over wat ze belangrijk vinden: vrijheid, veiligheid of gelijkheid.'' Op die gronden kunnen ze partijen onderscheiden en een voorkeur uitspreken.

Wat hemzelf betreft: ,,Ik ben liberaal om de werken van John Stuart Mill. Ik stem niet op de VVD vanwege Bolkestein of Dijkstal. En ik haak ook niet af om een domme opmerking van Jorritsma over Chirac. Want die verandert mijn kijk op de liberale beginselen immers niet.''

    • Raymond van den Boogaard