Van plaats naar plek

,,De enige plekken waarvan ik ooit gehoord had, waren de blauwe plek en de mooie plek in het bos.'' Citaat uit een lezersbrief van een jaar of twee geleden. Het ging over de gaande en komende woorden. Plek was toen duidelijk al een woord in opkomst, en plaats had zijn beste tijd gehad. Wanneer is het begonnen? Ik veronderstel in de jaren zestig, toen het tot de nieuwe democratische orde hoorde dat iedereen zijn eigen werkplek had. Plaats was verbonden met een rangorde in verval. De tijd dat `iedereen zijn plaats wist', was voorbij. Iedereen had zijn individuele plek.

Dikwijls was dat misleiding. Dan bevond zo'n werkplek zich in een kantoortuin, een grote zaal waar het personeel collectief aan het werk was gezet, per afdeling op zijn hoogst gescheiden door een rij potpalmen en vrouwentongen in potten met bruine korrels. De privacy van de kantoorlokalen was opgeheven, omdat de muren en deuren teveel ruimte in beslag namen. Dat kostte geld. In de kantoortuin konden meer mensen op hetzelfde aantal vierkante meters werken. Zo werd het rendement verhoogd, terwijl de werknemer zich toch verheugde in zijn eigen werkplek. Een goed voorbeeld van een geslaagde collectivisering met een schijn van individualisering.

Hoe dat komt weten we niet, maar dit oude woord plek was daarmee aan een nieuw leven begonnen. Ik ging erop letten. In de ochtendspits kwamen drie kinderen lijn drie binnen. Ze gingen op een bankje voor twee grote mensen zitten. Heb je nog plek, vroeg degene die aan het raam zat aan de buitenste. Plek zat! zei ze. Als vanzelf begin je je dan af te vragen wat er verder mogelijk is. In de sport, waar alles uiteindelijk om de rangorde draait? Het leek me niet waarschijnlijk. Toen was op de televisie een autorace aan de gang. Schumacher ligt op eerste plek, zei de verslaggever. Jantje Lammers is op twaalfde plek geëindigd. Nog beter: plek zonder lidwoord. Ook de lidwoorden zijn aan de verliezende hand. In het spraakgebruik wordt op het verschil tussen het en de niet streng meer gelet.

De oorzaak van deze overwinning van plek kan, dunkt mij, niet meer met een redenering worden verklaard. Het gaat om de aanstekelijkheid van het woord. En altijd weer vind ik zo'n verandering een raadsel. Iemand die jaren plaats heeft gebruikt, een sportverslaggever bijvoorbeeld, gaat er plotseling toe over plek te zeggen. Gaat het bewust; is het een wilsbesluit? Of was het eruit voor hij het wist? Meneer, wil ik zeggen, het kan me niet schelen of u plaats of plek zegt, maar waarom doet u het? Wisten we dat, dan begrepen we meer van het hoe en waarom van de veranderingen in het woordgebruik.

Nu kunnen we het alleen omschrijven, niet verklaren. Klinkt plek sexy? Mogelijk. Misschien dat hoop ik ben ik de eerste die nu een nieuwe uitdrukking signaleert, een verwensing. Ook al in lijn drie (Amsterdam, 's ochtends vol kinderen die naar school gaan), zei een jongen van een jaar of veertien tegen de leeftijdsgenoot: ,,Krijg de plekke!'' Op de redactie belde ik mijn lexicograaf. Hij hij dat al gehoord? Nee, zei hij afgunstig. Waar zou het vandaan komen? Misschien van het krijg de vlekken wat weer een afleiding is van krijg de typhus, een standaard verwensing. In ieder geval werd het daar in de tram door de aangesprokene begrepen. Hij antwoordde adequaat.

Dankzij de grammofoon en de film weten we hoe een jaar of tachtig geleden Nederlands werd gesproken ongeveer. Dat is al veel. En toch zijn we niet tevreden. Hoe beter de reproductietechnieken ons bedienen, hoe meer we ervan eisen. Ik zou er een lief dingetje voor over hebben, Jacob Cats en Multatuli in gesprek te horen, hier, voor mijn bureau, al was het maar één minuut. Kort na de oorlog zijn veel Nederlanders naar Canada of Autralië geëmigreerd. Er zijn erbij die daarna nooit meer een voet op Nederlandse bodem hebben gezet. Zo iemand tegen te komen is een buitenkans: die spreekt onze taal van een halve eeuw geleden. In dit opzicht een mens uit een andere wereld.

De taal is een stad. Als je vroeger van Nederland naar het zuiden wilde, moest je in Parijs overstappen, van het Gare du Nord naar het Gare de Lyon. Beter was het, in Parijs een nacht over te blijven. Dat deed ik in Hotel Métropole, naast het Gare de Lyon. Een honderd jaar oud gebouw, met scheve vloeren, klemmende deuren en een aroma van sterke beddengeur en koffie. Ik ging weer eens; was voorbereid op de aanblik van het hotel. Waar Métropole had gestaan, gaapte een diep gat. Nu staat er iets moderns dat ik niet zou kunnen beschrijven. De afbraak heeft bij mij een lege plek achtergelaten. Of plaats? In ieder geval: daar was iets dat er niet meer is.

    • H.J.A. Hofland