Uit de levendige jaren van Grr en Tjoeptjiep

Piet Calis' Het elektrisch bestaan. Schrijvers en tijdschriften tussen 1949 en 1951 beslaat slechts drie jaar uit de literatuurgeschiedenis, maar de auteur heeft daar meer dan 400 pagina's aan te wijden. Calis, bekend van schoolboeken, maar ook van menige opluisterende lezing en sappig geschreven essay onderzoekt in deze turf het reilen en zeilen van vijf literaire tijdschriften: Reflex, Blurb, Braak, Libertinage en Podium. Deze nu zo goed als vergeten tijdschriften (geen enkele bestaat nog) bereidden een essentiële vernieuwing in de Nederlandse poëzie voor. Calis begint bij het communistische kunstblad Reflex in 1949, waar de dichters Jan G. Elburg, Lucebert en Gerrit Kouwenaar aan mee mochten doen, en eindigt bij de hervorming van het wat oubollige Podium, dat met een literaire avond in het Stedelijk Museum van Amsterdam in 1951 de dichtersgroep der Vijftigers volledig de ruimte gaf.

Het elektrisch bestaan staat niet op zichzelf. Het is het vierde, afsluitende deel in de serie over de `belangrijkste literaire beweging van de twintigste eeuw': de Vijftigers. De serie begon met het proefschrift Het ondergronds verwachten, over tijdschriften in de oorlog, omdat de belangrijke schrijversgroepen van na de oorlog zich al ín die oorlog groepeerden. Op dreef gekomen volgden deel twee, Speeltuin van de titaantjes, en deel drie, De vrienden van weleer, waarin de nadruk vooral ligt op het vernieuwend proza. In Het elektrisch bestaan blinkt de nieuwe poëzie uit.

Het elektrisch bestaan is geen gewone studie, het is een biografie van jonge, literaire tijdschriften en de redacteuren die daarin zaten. De kettingreacties, botsingen en polemieken (`Je stuk stinkt een uur in de wind') komen prachtig uit, ook de soms lachwekkende manoeuvres die nodig waren bij protesterende drukkers omdat zij schrokken van nu doodgewone zinnen. Calis laat zien dat de scheidslijnen tussen experimentelen en anti-experimentelen niet zo scherp getrokken werden als ze in een hedendaagse terugblik nogal eens lijken. Er waren vele kruisbestuivingen: experimentelen die dichtten in het stijvere Libertinage of Podium, en anti-experimentele geluiden in het jonge Blurb. Toch ligt de historische lijn van modernisering voor het oprapen: van Reflex naar Blurb en Braak, naar het doorbraaknummer van Podium (met opeens al die dichters `van de nieuwe toon') en de literaire avond in het Stedelijk (Lucebert die een glas water over zijn hoofd giet, sterretjes afsteekt, `scabreuze woorden' uitkraamt). De gronden van de omwenteling zijn blootgelegd en dan houdt Calis' verhaal op.

Dat is jammer, want iedere pagina van deze biografie is smullen. De kracht van Calis is die van een bevlogen docent: je krijgt verschrikkelijk veel zin – en dat voel je in heel je lijf dat ongedurig wordt – om méér te lezen, heel veel meer. De manier waarop Calis zijn helden beschrijft, is verwarmend dichtbij. Met zeer veel brieven en aantekeningen, maar ook door interviews die de afgelopen jaren zijn afgenomen, worden de thans oude letterheren jonge jongens, die lol maken, ruzie stampen, of elkaar beleefd aanspreken.

Bewaarzucht

Vooral Simon Vinkenoog brengt leven in de brouwerij: `Al dat gerijmel van mensen die hun vuilnis leegstorten in een gereedliggende veertienregelschuit', schrijft hij oprecht en opruiend in zijn eenmansblad Blurb. Zijn persoonlijkheid zindert en de overige helden verbleken er een beetje bij. Dat komt, zo legt Calis uit, omdat Vinkenoog bewaarzucht heeft en er daarom nog zoveel materiaal voor handen was. Hadden er maar meer schrijvers bewaarzucht, en laat dit boek er een oproep voor zijn. Want de literatuurgeschiedenis wordt pas echt spannend, levend en geweldig als je 'm van zo dichtbij kunt aanschouwen. Even is het geen geschiedenis meer, even is het deel van je, of beter: dat zou je wel willen. Het heeft namelijk ook iets romantisch, zoals die jongens (waarom beschrijft Calis geen meiden?) elkaar de loef afstaken, strijdlustig waren als Remco Campert: `Eerst alle oude pikken uitroeien' of aandoenlijk als Hans Andreus: `ik kan en/of wil als criticus eigenlijk alleen maar Grrr of Tjoeptjiep zeggen'.

Calis maakt deze tijd nog levendiger doordat hij slimme metaforen gebruikt die naadloos aansluiten bij zijn onderwerp, zijn oordeel geestdriftig doseert (`Wat is dat prachtig: dat springen van het woord als op tennisgitaren') en de redacteuren van de tijdschriften laat uitblinken door de mooiste citaten uit te kiezen en deze soepeltjes te verbinden met eigen tekst. Wanneer je de tussenkopjes uit de hoofdstukken achter elkaar zet, `dicht' Calis een geestig tijdsbeeld: een vriendschap en een tijdschrift, `liegen op een hoger plan', `het volle clean-shaven gezicht van Ter Braak', enkele plaagstootjes, `het cultuurvretende grauw', `de muiltjes van asse pee poester', om er een paar te noemen.

Als alle literatuurwetenschappers zo zouden schrijven, zou de wetenschap een feest zijn. Iedereen zou Nederlands willen studeren om zich onder te kunnen dompelen in het warme bad van studieboeken. En hoe is het boek nou zo dik geworden? Doordat iedere jaargang, zelfs ieder tijdschriftnummer besproken wordt. Calis citeert veel gedichten, zodat hij tegelijk een bloemlezing geeft van die tijd. Neem het tot op het bot rakende dichtdebuut van Vinkenoog, `Afrekening', waarvan een strofe luidt:

angst voor het niets

dat schrik was en vergiffenis

een levensloop, belijdenis

van overmacht

en onvermogen

Wat mij betreft had deze biografie nog veel dikker mogen zijn. Maar, stelt Calis, nu de grootste literaire en mythische omwenteling van de vorige eeuw in kaart is gebracht, is het tijd er een punt achter te zetten. Nu kunnen we alleen maar hopen dat zo'n begenadigd literatuurwetenschapper als Calis een nieuwe reeks begint, over het postmodernisme bijvoorbeeld, de Maximalen of de generatie Nix, want ook daarover zijn enthousiasmerende, leesbare studies hard nodig.

Piet Calis: Het elektrisch bestaan. Schrijvers en tijdschriften tussen 1949 en 1951. Meulenhoff, 409 blz. ƒ49,50

Nederlanse letteren