Toneel voor bloed en bodem

Het Noord-Hollandsch Tooneel, geleid door NSB'er Jan C. de Vos, moest tijdens de Duitse bezetting `volkseigen, raszuivere' stukken gaan brengen. De kritiek was genadeloos en het publiek bleef thuis.

De programmablaadjes zijn onooglijk: dunne velletjes blauw papier, in tweeën gevouwen ter grootte van een briefkaart. Ze vermelden de auteur van het stuk, de vertaler, de rolverdeling en de korte inhoud. Op de voorkant staat de naam van het gezelschap, op de achterkant prijken pasfotootjes van de acteurs. Dat is alles. En toch was het Noord-Hollandsch Tooneel het enige theatergezelschap dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door het rijk werd gesubsidieerd. Het stond in het teken van `de nieuwe tijd' en onder leiding van een acteur en regisseur die NSB'er was.

Jan C. de Vos jr was, blijkens de zinsneden die in vooroorlogse kritieken aan hem werden gewijd, geen groot toneelspeler, maar wel een geschikte kracht voor de betere bijrollen. Zijn vader, Jan C. de Vos sr, had het als toneelleider en docent aan de Amsterdamse toneelschool verder geschopt dan hij. Ambitieus was hij echter wel. Hij wilde, zei hij eind jaren twintig in de Amsterdamsche Dameskroniek, `regisseur worden en tooneel-directeur, maar dan met ontheffing van alle financieele zorgen.'

Waarom hij lid van de NSB werd, is niet bekend. Hij was er, hoe dan ook, snel bij: al in 1933, twee jaar na de oprichting, werd Jan C. de Vos jr artistiek leider van het door de NSB gefinancierde gezelschapje Fascio, dat op een fiasco uitliep. Voor lege zalen speelde men het ideologische De dag die komt van de latere nazi-dichter George Kettmann. Zelfs diverse acteurs beschouwden het stuk als een lor. Prompt werd Fascio, dat tot in zijn naam naar het fascisme verwees, opgeheven. Na enkele omzwervingen trad Jan C. de Vos jr vervolgens in dienst bij het Residentie Tooneel in Den Haag. De collega's, onder wie veelbelovende jongeren als Caro van Eyck en Paul Steenbergen, waren op de hoogte van zijn politieke geaardheid. Maar hij droeg zijn NSB-speldje aan de binnenkant van zijn revers en riep niet meer, zoals bij Fascio, dat het tijd werd `die jodenkliek' bij het toneel weg te trappen.

Omroepspelers

Toen het land eenmaal bezet was, behoefde hij zich echter niet meer in te houden. Caro van Eyck, die een joodse vader had, schreef in haar memoires dat Jan C. de Vos en zijn vriendin, de actrice Willy Dunselman, meteen begonnen te stoken tegen alles wat joods was. Maar de leiding van het Residentie Tooneel trachtte, zo goed en zo kwaad als het ging, politiek neutraal te blijven – net als alle andere toneelgezelschappen in die tijd. De twee NSB-acteurs werden door hun collega's geïsoleerd. In de loop van 1941 vonden De Vos en Dunselman, die intussen zijn vierde vrouw was geworden, emplooi op de hoorspelafdeling van de nazistische Nederlandsche Omroep. Bovendien vormden ze onder de naam De Omroepspelers een groepje dat met een voorstelling door het land reisde. Tot de omroepdirectie klaagde dat zulke tournees ten koste gingen van het werk voor de radio. De acteurs moesten kiezen tussen radio en toneel – en toen had De Vos een idee.

Hij kwam als geroepen. Een gezelschap dat zich actief zou inzetten voor het volkseigene, raszuivere toneel, was van harte welkom bij het nieuwe, door NSB'ers geleide Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten in Den Haag. Moeiteloos wist De Vos een subsidie van 250.000 gulden per jaar te verwerven een fenomenaal bedrag, waarmee het Noord-Hollandsch Tooneel bovendien het enige toneelgezelschap met rijkssubsidie werd. De reguliere gezelschappen konden in die tijd slechts een beroep doen op gemeentelijke en provinciale steun.

Zo kon De Vos in het najaar van 1942 beginnen. Hij verzamelde circa twintig acteurs, voornamelijk leden of sympathisanten van de NSB met wie hij eerder bij de hoorspelkern van de Nederlandsche Omroep had gewerkt. Hij besefte, blijkens zijn correspondentie met het Departement, dat zij niet de beste toneelspelers van het land waren. De betere acteurs bleven liever bij hun eigen gezelschappen en keken De Vos en de zijnen met de nek aan. Of, zoals het door de NSB uitgegeven Nationale Dagblad het een halfjaar later formuleerde: ,,De toneelspelerswereld zat nog te veel vastgeroest in het oude om met Jan C. de Vos te willen samenwerken.''

Brandbrief

Eigenlijk wilde het Noord-Hollandsch Tooneel, dat kantoor hield aan de Lange Begijnestraat 13 in Haarlem, vooral nieuw Nederlands werk spelen. Daarin zou immers bij uitstek tot uiting kunnen komen in welke richting het Nederlandse volk voortaan werd geacht te denken. Bij gebrek aan zulk repertoire greep De Vos voor zijn eerste première echter terug op het uit 1918 daterende De Witte van Haemstede van de historische streekschrijver J.W. van Cittert. Het ging over de zoon van Floris V, die in 1304 de opmars van de Vlamingen in Holland wist te stuiten en de adel ergerde door zijn nauwe contacten met het gewone volk. Het genre van de geromantiseerde vaderlandse geschiedenis paste in de nazistische ideologie; het versterkte de band van het arische volk met zijn grondgebied.

Maar de kritiek had er, ondanks de zelfcensuur in de kranten, nauwelijks een goed woord voor over. De recensies waren dermate negatief, dat De Vos op 24 september 1942 een brandbrief stuurde aan prof.dr. T. Goedewaagen, secretaris-generaal van het Departement. Hij drong erop aan ,,dat door u maatregelen worden getroffen waardoor het den heeren critici onmogelijk wordt gemaakt op een dergelijke niets-ontziende wijze een werk van een Nederlandsch tooneelschrijver, dat door inhoud en opvoering een diepen indruk heeft verwekt op het aanwezige publiek, af te breken''. En hij wist, zo voegde hij eraan toe, ook wel een oplossing: ,,Ik mag hier misschien verwijzen naar de desbetreffende regelingen en verordeningen zooals die door den Reichsminister Goebbels in Duitschland werden getroffen, waarbij het verboden is in couranten en periodieken kritiek te geven, daar deze alleen is toegestaan in de vakbladen.''

Meteen deed zich ook een ander probleem voor: er kwam geen mens naar De Witte van Haemstede kijken. In een met Heil Hitler! ondertekend briefje aan het huisadres van Goedewaagen hield De Vos er op 5 december 1942 niettemin de moed in: ,,Tenslotte is het een groote troost voor ons allemaal dat zelfs de Führer in den aanvang geen volle zalen vermocht te trekken.'' Maar van een andere kant bereikte Goedewaagen in diezelfde maand een minder hoopgevend bericht. Frans Primo, hoofd van de afdeling theater en dans op het ministerie, was door De Vos gevraagd om Philoktetes te komen regisseren. In een nota met het stempel `geheim' concludeerde Primo dat deze hoge kunst voor acteurs als Willem van der Veer, Ton van Otterloo en Carl Veerhoff veel te hoog gegrepen was. ,,Technisch schoten zoowat allen te kort,'' schreef hij. ,,Ik begon de repetitie vol goeden moed, maar... werd alras ontgoocheld; blijkbaar niemand had ook iets aan zijn rol gedaan; alles wat geleerd was, was alweer vergeten; Van der Veer struikelde weer over alles en nog wat, kon de Grieksche namen alweer niet zeggen zonder stotteren, was zijn standen en houdingen vergeten... het was hopeloos...''

Philoktetes ging niet door. In plaats daarvan zette De Vos een minder lastige klassieker op zijn repertoire: Rose Bernd van de Duitse naturalist Gerhard Hautpmann. Hoewel er geen kritieken bewaard zijn gebleven, is te bedenken dat dit plattelandsdrama zich naar zijn mening wel leende voor het accentueren van enige Blut und Boden-sentimenten. Maar ook zijn kameraden vonden het een mislukking. Het gebodene was `uitzichtloos en volksvijandig', rapporteerde Max Wolters, waarnemend hoofd theater en dans, aan zijn superieuren. ,,Ook als stuk uit het toneelmuseum was de voorstelling waardeloos, aangezien zij zeer slecht was verzorgd, belachelijke aankleding en zeer slecht spel, vooral van de hoofdvertolkster.'' Die hoofdvertolkster was Willy Dunselman, de vrouw van De Vos, die zelf de mannelijke hoofdrol speelde.

Verder speelde het Noord-Hollandsch Tooneel in dat eerste seizoen het Duitse blijspel Watersport, door Wolters beschreven als `een onbetekenende, fabrieksmatige, vaak zeer laag bij de grondse comedie', en het nieuwe stuk Dorp in onrust van de Brabantse streekromancier Kees Spierings, die daarmee een toneelschrijfwedstrijd van het Departement had gewonnen. Wolters noemde het `een dilettantisch maakwerk' en zelfs het geestverwante Nationale Dagblad liet er geen spaan van heel. In een woedende brief klaagde De Vos intussen dat Wolters `geen verstand van tooneel' had, en dat het ministerie nog altijd niet bereid was ,,de pers te beteugelen en op de wenschelijkheid te wijzen het N.H. Tooneel te steunen.'' Maar ook dat hielp niets.

,,Dit gezelschap, dat met een zeer toe te juichen opzet begon, is bezig af te glijden naar het plan van vrij onbeduidend amusementstooneel,'' meldde prof. dr G.A.S. Snijders, president van de Nederlandsche Kultuurraad, in een advies aan het Departement. Zo ging het niet langer, vond ook jhr S.M.S. de Ranitz, die Goedewaagen opvolgde als secretaris-generaal. De Vos wilde wel toegeven dat sommige acteurs `bepaald onvoldoende prestaties' hadden geleverd. ,,Niet altijd zijn talent en geestdrift gelijk aanwezig'', schreef hij in een brief die beterschap beloofde. Desondanks werd de subsidie voor het nieuwe seizoen gehalveerd. Het ministerie betaalde voortaan nog maar 70.000 gulden, en de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlem beloofden dat bedrag aan te vullen tot 125.000 gulden. Op voorwaarde dat het Noord-Hollandsch Tooneel `zoowel kasstukken als stukken met nationaal-socialistische strekking' zou spelen.

In het najaar van 1943 zag het er derhalve slecht uit. Nog steeds wisten veel schouwburgdirecteuren uitvluchten te verzinnen om het gezelschap niet in huis te halen. Voorts zegde de actrice Mien Duymaer van Twist haar dienstverband op. Zij was de enige die doorgaans werd geprezen, en ook de enige die na de oorlog nog een respectabele toneelcarrière had. Na onderzoek door een externe accountant bleek bovendien dat het in de boekhouding wemelde van de telfouten, foutieve boekingen en afwezige kasbewijzen.

En nieuwe acteurs waren bijna niet te vinden. De situatie was dermate nijpend, dat zakelijk leider Carl Veerhoff aan het ministerie toestemming vroeg of hij de halfjoodse Adolphe Engers mocht engageren. ,,De man is niet arisch'', gaf Veerhoff toe, ,,maar is en blijft een uitstekend toneelspeler.'' De Vos, die een paar dagen wegens ziekte niet op kantoor was geweest, sprong uit zijn vel toen hem een kopie van het verzoek onder ogen kwam. ,,De bezwaren tegen Engers zijn te groot om hem aan ons gezelschap te verbinden'', liet hij onverwijld weten. ,,Het hele geval berust op een misverstand.''

Met twee Duitse blijspelen en Twee edellieden van Verona van Shakespeare begon het Noord-Hollandsch Tooneel het nieuwe seizoen. Buiten het reguliere theatercircuit, waar hij nauwelijks welkom was, had De Vos een tournee geboekt bij de naar Duits model ingerichte vakbond Vreugde & Arbeid en ook voor de NSB kon hij een paar keer optreden. Toen het ministerie voorzichtig informeerde of zulke engagementen de naam van het gezelschap zouden schaden, antwoordde Veerhoff cynisch: ,,U behoeft ook niet bang te zijn dat het overige publiek om die maatregelen wegblijft, want dat publiek is zóó gering, dat de grootere toeloop van de zijde der NSB daar ruimschoots tegen opweegt.''

Maar de tournee voor Vreugde & Arbeid werd een lijdensweg, rapporteerde De Vos na afloop: ,,Wij speelden o.a. te Treebeek, waar wij na de voorstelling anderhalf uur met onze koffers moesten loopen naar Heerlen; te Oss moest ik het publiek onder het spelen tot stilte aanmanen, daar in de zaal geen orde werd gehouden; te Zaandam moest ik kort na het begin het doek laten zakken wegens de herrie in de zaal, waar niets tegen gedaan werd; te Leidschendam vatten leden van ons gezelschap kou, daar er geen verwarming was; te Venlo was onvoldoende toezicht gehouden wie de zaal binnenkwam en zoodoende had men een bende zigeuners binnengelaten om onze voorstelling te saboteeren; te Nieuwe Pekela moesten de mannelijke leden van het gezelschap den nacht doorbrengen op stoelen in de eetzaal omdat de wagen niet gekomen was, die hen naar hun nachtlogies zou brengen; te Delfzijl was niet voor een maaltijd gezorgd'' enzovoorts, enzovoorts.

Gesjoemel

Het werd steeds erger. Zelfs de ambtenaren van het ministerie kwamen niet meer opdagen op de premières waarvoor ze waren uitgenodigd. In arren moede begon De Vos brieven aan het Departement te schrijven waarin hij zakelijk leider Veerhoff beschuldigde van gesjoemel met geld. Veerhoff schreef daarop dat De Vos fraudeerde (,,platweg uitgedrukt: hij heeft gegapt''), als regisseur niet deugde en trouwens ook een rokkenjager was: ,,Hij heeft vrouwelijke leden van het gezelschap tot onzedelijke handelingen trachten te verleiden, heeft solliciteerende dames gemolesteerd, waardoor deze rechtsomkeert maakten op den weg om te trachten bij ons emplooi te vinden.''

Ten slotte werd De Vos in februari 1944 als intendant ontslagen. Veerhoff mocht blijven, en de oude Willem van der Veer, die in het begin van de eeuw nog bij Heijermans had gespeeld, trad voorlopig op als artistiek leider. Zo reisden de schamele resten van het Noord-Hollandsch Tooneel in de vroege zomer van 1944 in een met paarden bespannen woonwagen van Vreugde & Arbeid om te spelen voor de polderjongens die bezig waren de Noordoostpolder te ontginnen. Bewonderend beschreef de collaborerende krant Het Volk hoe Van der Veer daar eigenhandig met de pollepel in een grote gamel met snert stond te roeren. Tegelijk schold Veerhoff zijn nieuwe leider in geschrifte uit voor `een dom groot blok'.

Maar in feite was het toen al voorbij. Secretaris-generaal De Ranitz velde een keihard oordeel: ,,Het aanzien van de subsidiegevers en – wat veel erger is – van het Nationaal-Socialisme in tooneelkringen is door het artistiek optreden van het Noord-Hollandsch Tooneel eer geschaad dan gebaat.'' Officieel werd het gezelschap op 15 september 1944 geliquideerd, toen de opmars van de geallieerde troepen op het vasteland al drie maanden gaande was.

Jan C. de Vos jr werd na de bevrijding voor tien jaar geschorst en vluchtte met zijn vrouw naar Berlijn, waar hij in 1959 stierf. De andere acteurs kregen een speelverbod van vijf jaar opgelegd, maar kwamen ook daarna zelden of nooit meer aan de slag. Veerhoff had het in januari 1944, in een benard briefje aan Wolters, al voorzien: ,,Onze gages zijn behoorlijk, maar daar is dan ook de kous mee af. En als het dit jaar eindigt, staan wij hopeloos van God en alle menschen verlaten op de keien.''

Met dank aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en het Theater Instituut Nederland.

    • Henk van Gelder