Sneller, hoger, echter

Voor schrijver Gabriele d'Annunzio waren boeken vingeroefeningen voor het echte leven: hij was ook vliegenier, oorlogsheld en minnaar van reeksen mooie vrouwen.

Het liefst zou hij op zijn eigen begrafenis zijn geweest. Toen hij zestien was en al bekend stond als een talentvolle jonge dichter, verspreidde Gabriele d'Annunzio het bericht dat hij van zijn paard was gevallen en zijn nek had gebroken. De kranten in Rome pikten het meteen op; hier en daar verschenen geschokte klaagzangen over zoveel talent en zo'n kort leven. Dat was precies waar de jonge d'Annunzio op uit geweest was, en daar zou hij de rest van zijn leven op uit zijn: hoe eigenzinnig en gewaagd zijn gedichten en later zijn proza ook zouden zijn, zonder publiek ging het niet, zijn kunst en leven werden altijd al geacteerd terwijl ze beleefd werden.

In het spektakel vonden d'Annunzio en zijn bewonderaars elkaar. Anders dan je van een estheet die artistiek volwassen werd in het fin de siècle kan verwachten, koesterde de schrijver een onbeschaamde genegenheid voor de massa. In een tijd van massaproductie en verzakelijking wilde het lezerspubliek niets anders dan wegdromen, schreef hij. Waarbij konden ze dat beter doen dan bij de boeken van een verfijnde aristocratische dichter en romancier, die toch helemaal van deze tijd was?

Als je de tentoonstelling bekijkt die op dit moment in het Musée d'Orsay te Parijs over het leven van d'Annunzio (1863-1938) is ingericht, als onderdeel van een grotere tentoonstelling over de premodernistische Italiaanse kunst, wordt al snel duidelijk dat die behoefte om te dromen van twee kanten kwam. Je ziet een waanzinnig volgepakt leven, vol met woorden allereerst, grote en buitenissige woorden, maar ook met ontzagwekkende daden, en met veel vrouwen natuurlijk. En last but not least, met spullen, heel veel spullen. Zoals op deze tentoonstelling, denk ik, zo zag d'Annunzio zijn leven zelf ook het liefst, als een wervelwind. Een heel leven gecomprimeerd tot een niet aflatende reeks sensaties – de jonge dichter uit Pescara die de literaire goegemeente in Rome verblufte met zijn gewaagde poëzie, de decadente Europese romancier en toneelschrijver, beroemd om zijn nietsontziende romans en zijn verhouding met de op een na beroemdste actrice van haar tijd, Eleonora Duse, de vliegenier van het eerste uur en de oorlogsheld, die zich ruim voor de Duce als geestelijk leidsman van zijn vaderland opwierp, de bevrijder van Fiume, het stadje in Istrië dat hij in naam van Italië anderhalf jaar lang bestuurde, met grondwet en al. En dan natuurlijk de apotheose, de slotakte waarin alles samenkwam: het Vittoriale, het monument dat d'Annunzio na zijn wildste jaren voor zichzelf oprichtte aan de oever van het Gardameer, een krankzinnig complex van huizen en tuinen en monumenten, dat zowel het leven van de schrijver moest verbeelden als de ziel van Italië, twee zaken die aan het einde van zijn leven nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden waren.

Dat begreep Mussolini ook. Hij vond één Duce weliswaar meer dan genoeg, maar was zo slim om de volksheld d'Annunzio regelrecht het graf in te prijzen. Toen d'Annunzio het huis dat hij naar zijn eigen beeld had geschapen begin jaren twintig overdeed aan de Italiaanse staat, pompte de Italiaanse dictator er een oneindige stroom geld in. Over alles in het Vittoriale was nagedacht, alles was ontworpen en geregisseerd, versierd, beschilderd, opgetut, symbolisch. Alleen al in de badkamer van de schrijver, het is geteld, bevonden zich meer dan duizend snuisterijen.

Tijdgeest

Gabriele d'Annunzio stierf in 1938. Hem werd een wereldoorlog bespaard waarin hij toch niet meer had kunnen uitblinken, te weinig romantisch ook. Want dat valt je op in het d'Orsay: hoezeer Gabriele d'Annunzio en de tijdgeest van de eerste decennia van de twintigste eeuw aan elkaar gewaagd waren. Er kon niets nieuws gebeuren of d'Annunzio stond er met zijn neus bovenop, of het nu een nieuwe literaire of politieke stroming was, of een nieuwe vinding. Het vliegtuig was nog maar nauwelijks uitgevonden of d'Annunzio ging de lucht in (bij een onzachte landing zou hij aan het begin van de Eerste Wereldoorlog een oog kwijtraken). De eerste bioscopen waren nog maar net ingericht, of d'Annunzio had al een scenario geschreven. Sneller, hoger, dat waren zijn geloofsartikelen (hij dichtte een ode aan de snelheid, zelfs de futuristen was hij vooruit). Het hoogste doel was de sensatie. En hij kreeg ruim de gelegenheid op al die nieuwe ontwikkelingen zijn persoonlijke stempel te drukken, overal en altijd wist hij zich op de voorgrond te dringen, zodat het net leek of het allemaal enkel en alleen op zijn conto geschreven kon worden, alsof de wereld eigenlijk van hem was.

Dat is het geheim van het wereldsucces van Gabriele d'Annunzio. De danseres Isadora Duncan verklaarde zijn onvoorstelbare succes bij vrouwen uit het feit dat hij hun met zijn rozen en liefdesbrieven het gevoel gaf het middelpunt van de wereld te zijn, maar dat is een denkfout die vrouwen tot hun ongeluk wel vaker maken: iedere aartsverleider is in de eerste plaats een narcist. D'Annunzio's aantrekkingskracht op beide geslachten school in zijn vanzelfsprekende overtuiging dat hij zélf het middelpunt van het universum was. Die mengeling van honger naar alles wat werelds was en absolute zelfverzekerdheid maakte hem lang onweerstaanbaar. Wie cynisch wil zijn, kan zeggen dat hij in wezen niets anders deed dan achter iedere mode aanlopen, zich onmiddellijk alles eigen wist te maken wat op dat moment en vogue was. Maar dan ga je voorbij aan de wonderlijke manier waarop d'Annunzio erin slaagde alles wat hij aanraakte ook nog eens naar zijn hand te zetten. Hij drukte wel degelijk op alles zijn eigen stempel. Alles aan hem en zijn werk is direct herkenbaar als van hem en van niemand anders.

Omwenteling

Transformatie is een woord dat je veel in zijn werk tegenkomt. Dat is ook wat hij heel zijn theatrale leven lang nastreefde, de omwenteling om de omwenteling zelf. Geruggensteund door een populistisch geloof in Nietzsche's Übermensch, wist hij de illusie te scheppen dat hij, Gabriele d'Annunzio, de wereld kon veranderen. Vandaar dat de literatuur uiteindelijk niet genoeg was, woorden waren tenslotte maar woorden. Boeken waren een vingeroefening voor het echte werk: de transformatie van de werkelijkheid.

Het was wel echt een illusie, natuurlijk. Als je de retorische praatjes van d'Annunzio opzij schuift, zie je een operettefiguur, een aanmatigende man in de greep van even narcistische als potsierlijke dromen van grandeur, megalomaan in zijn persoonlijkheidscultus, prefascistisch in zijn politieke waanbeelden. Er was geen visie, er waren alleen opzwepende woorden, er werd geen nieuwe maatschappelijke orde voorzien, het was juist de beweging van de wanorde, van het risico, het tumult, het verhitte bloed, dat aantrok. Als het maar bewoog. Dat de schrijver d'Annunzio daarmee kon uitgroeien tot een volkstribuun (tot aan het einde van zijn leven liep hij in uniform), een soort levende voorstudie voor Mussolini en ook Hitler, is heel begrijpelijk: het grote publiek, dat had hij heel goed aangevoeld, smachtte naar onwerkelijke dromen die werkelijk leken. De massa is van nature vormeloos en passief, vandaar dat ze als was is in de handen van leiders die individuele daadkracht uitstralen, die de illusie scheppen de wereld in hun zak te hebben, terwijl in werkelijkheid het omgekeerde natuurlijk het geval is. D'Annunzio was in laatste instantie een speelbal, net als iedereen. Maar hij was geen handige oplichter, want hij geloofde zelf in zijn illusies – daarom bleek het ook zo aantrekkelijk om in hem te geloven. Hij was een oprechte schertsfiguur. In het theater van zijn leven en werk ontpopte hij zich als regisseur en hoofdrolspeler, bij hem leek het alsof de verbeelding werkelijk aan de macht kon zijn. Hijzelf was er in ieder geval van overtuigd.

De tentoonstelling in het Musée d'Orsay laat al of niet doelbewust de krampachtigheid zien waarmee die illusie overeind gehouden werd. Dit leven was overvol, met grote woorden, mooie vrouwen, ontelbare kunstvoorwerpen. Op de tentoonstelling hangt een wand vol vrouwenportretten, allemaal veroveringen, allemaal verhoudingen die eindigden in tranen en verwijten en dreigementen, en soms met een zelfmoordpoging. Er staan rijen sierlijke leren schoentjes uitgestald, er hangen elegante maatpakken, er zijn een paar kabinetten nagebouwd met kunst- en artistiek vormgegeven gebruiksvoorwerpen, de meeste art nouveau, om een indruk te geven van het volgestouwde Vittoriale.

D'Annunzio wilde zichzelf verliezen in datgene wat hij tegelijkertijd volledig in zijn macht had, zich volledig onderdompelen in dingen en mensen waarover hij met aristocratische zwier en veel vertoon van Nietzscheaanse wilskracht heerste. Het verlangen naar macht en het verlangen naar de roes waren bij hem twee kanten van dezelfde medaille. Het is dezelfde onzichtbare paradox die de totalitaire regimes van de twintigste eeuw in zijn greep hield.

Wie zo manisch de volte zoekt, en de eeuwigdurende beweging, moet wel een grote angst gehad hebben voor de leegte, de verlammende stilstand. Het verrassende is dat d'Annunzio dat wel degelijk heeft begrepen, getuige zijn romans en verhalen. Zijn literaire werk is, toen hij er zelf niet meer was om zijn reputatie in leven te houden, vaak genoeg ontmaskerd als een geraffineerde vorm van plagiaat. Met zijn onovertroffen gevoel voor de tijdgeest wist de schrijver zich iedere heersende literaire mode eigen te maken, het verisme van Giovanni Verga, het naturalisme van Zola en Maupassant, de romantisch-decadente literatuur van Mallarmé en Huysmans, de opkomende psychologische roman. Veel beelden en beschrijvingen blijken rechtstreeks aan de beeldende kunst ontleend, veel zinnen en observaties en sfeertekeningen zijn aan andere auteurs ontleend. Maar zoals bij alles maakte hij er ook iets van hemzelf van, en nergens beter dan in zijn beste romans zie je dat zijn raventalent ook een groot oorspronkelijk talent was.

Zelfbeklag

De personages die hij op zichzelf modelleerde, en het komt niet als een verrassing dat dat er behoorlijk veel waren, lijken werkelijk op hem, op een nietsontziende manier – hun ijdelheid, hun heersersdrang en perverse wreedheid, hun zelfbeklag en hun spijt, en vooral hun wanhopige gevoel van zinloosheid, het is er allemaal en het is ook allemaal gezien door de auteur zelf. In zijn beste romans heeft d'Annunzio plotseling drie dimensies, terwijl de mythe die hij de buitenwereld inzond, er maar twee heeft.

Tullio Hermil, de verdorven aristocraat die in L'Innocente (1891) in een huwelijkse strijd met zijn jonge, mooie vrouw verwikkeld raakt tot er lijken vallen, is zo'n verbluffend d'Annunzio-personage. In een veelzeggende scène in de slaapkamer van zijn vrouw moet hij bijna huilen van spijt, omdat hij ondanks zijn oprecht goede voornemens om zijn huwelijk te redden en een toegewijde echtgenoot te zijn, toch weer heeft toegegeven aan de wil van zijn maîtresse en nu op het punt staat te vertrekken. Op hetzelfde moment dat hij wroeging voelt, beseft hij ook dat een paar tranen op zijn wangen hem helemaal niet slecht uitkomt; als zijn vrouw ziet dat hij huilt zal ze wellicht eerder geneigd zijn hem te vergeven voor de smerige streek die hij haar gaat leveren. Volgt een onvergetelijke passage waarin Hermil zich eerst opwindt omdat de tranen niet willen komen, dan zijn blijdschap dat er eindelijk een enkele traan uit zijn oog rolt - en vervolgens zijn pathetische angst dat zijn vrouw die traan niet kan zien, omdat het te donker is in de kamer. Een man die zich dicht naar zijn echtgenote toebuigt om te zorgen dat zij kan zien dat hij huilt; in het blootleggen van onze verdeelde motieven, die onverdraaglijke mengeling van spontaan gevoel en spontane berekening die ons op beslissende momenten parten speelt, is d'Annunzio een meester. Ondanks zijn oververhitte stijl (kenners zeggen dat je hem het beste in het Frans kunt lezen, in samenwerking met zijn vertaler en vriend Georges Hérelle schrapte hij veel overbodige woordkunst), is hij een genadeloos schrijver, die inmiddels eerder onderschat wordt dan overschat. Dat krijg je bij schrijvers die teveel achter hun schrijftafel vandaan komen en zich in het straatrumoer begeven: hun nagedachtenis wordt bepaald door het rumoer, niet door hun boeken. Van Gabriele d'Annunzio herinneren we zijn heldendaden als piloot, zijn politieke retoriek, zijn verovering van Fiume (in een Fiat en zonder dat er een schot werd gelost) – en steeds minder zijn boeken. Er is in het Nederlands maar één dichtbundel van hem verkrijgbaar, de lezer die geen Italiaans kent, moet uitwijken naar het Engels of het Frans, en dan nog moet je goed zoeken.

Aan het einde van de tentoonstelling in het Musée d'Orsay is een veelzeggend filmpje te zien: op een gigantisch schip dat d'Annunzio aan land heeft gebracht bij het Vittoriale ter illustratie van een roemrijke gebeurtenis in zijn leven, vindt een `huisconcert' plaats. Een groepje jonge musici komt Vivaldi spelen. Voor het oog van de camera betreedt een oude d'Annunzio het schip, in vol militair ornaat. Zijn gezicht heeft iedere scherpte verloren en hij oogt als een al te schalkse officier in een Lehár-operette of een Strauss-opera. Je ziet hem zijn best doen om de stemming erin te houden, maar wanneer hij niets zegt, valt iedere uitdrukking op zijn gezicht weg en zie je plotseling een schrikbarende, levenloze apathie. Dan, je ziet hem als het ware een aanloop nemen, stort hij zich weer in het gesprek, breed lachend en gebarend, charmant en aanwezig, een levende legende in een wereld die hij eigenhandig heeft geschapen. Maar heel even heb je de angst gezien, de angst voor de doodse stilte die al het wereldse rumoer dreigt te overstemmen, die hemzelf en alles wat hij als houvast om zich heen heeft verzameld in één klap dreigt weg te vagen.

D'Annunzio (1863-1938), t/m 15-7 te zien in het Musée d'Orsay,1 Rue de la Légion d'honneur, Parijs. Metro Solférino. Open di-zo 10-18 u. Maandag gesloten. Catalogus 190 fr.