Problemen bij teruggave oorlogskunst

De mogelijke restitutie van oorlogskunst zal niet gemakkelijk verlopen. Er zijn tal van juridische valkuilen die voor elk land waar een claim wordt ingediend verschillend zijn.

De gemeente Rotterdam en de Stichting Museum Boijmans van Beuningen hebben gemeen dat zij elk een werk van Jan Toorop bezitten dat wordt opgeëist door de kleinzoon van een joods collectioneurs-echtpaar. Zijn naam is Walter E. Eberstadt, een gepensioneerde bankier in New York. Zijn grootouders Flersheim kwamen in de Tweede Wereldoorlog om het leven in het concentratiekamp Bergen-Belsen. De geclaimde werken zijn het schilderij De Thames bij London Bridge, door de gemeente aangekocht in 1937, en de tekening Godsvertrouwen, aan de stichting geschonken in 1943.

De gemeente en de stichting hebben beiden de aanspraken van Eberstadt afgewezen. Deze laat het er niet bij zitten en heeft de Amerikaanse overheid ingeschakeld. Zowel de speciale gezant voor Holocaust-zaken Bindenagel als de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag (en kunsthistorica) Cynthia Schneider hebben zich het lot van de Rotterdamse Toorops aangetrokken. Dat past bij de voortrekkersrol die de Verenigde Staten op zich hebben genomen bij het aan de orde stellen van de openstaande oorlogsschulden.

Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken organiseerde eind 1998 een grote internationale conferentie in Washington over de zogeheten `Holocaust-Era Assets' waarbij een beginselverklaring werd aangenomen over door de nazi's geroofde kunst. Dat is een bij uitstek internationaal probleem en het ligt in de rede dat de Amerikaanse regering zich inzet voor claims van haar ingezetenen in andere landen.

De diplomatieke bemoeienis moet echter worden onderscheiden van de hardheid van de aanspraak tot teruggave. Deze dient te worden beoordeeld naar de maatstaven van het land waar hij wordt ingediend. De pogingen van de Amerikaanse delegatie op de conferentie in Washington om bindende verplichtingen onder internationaal recht op te stellen ontmoette `aanzienlijke oppositie', constateerde de Zwitserse afgevaardigde Andrea Raschèr.

Uiteindelijk werd men het eens over de noodzaak om – op basis van nationale verscheidenheid – te komen tot een `gerechtvaardigde en eerlijke oplossing' in iedere individuele zaak.

De termen waarmee zowel de gemeente Rotterdam als de Stichting Boijmans de claim van Eberstadt heeft afgewezen komen daar aardig bij in de buurt. Beide zeiden zich niet te laten leiden door strikte juridische overwegingen (zoals verjaring). Maar ook op ruimere overwegingen van `redelijkheid en billijkheid' konden zij niet niet besluiten tot restitutie. De stichting heeft daarover nog speciaal advies ingewonnen bij het gerenommeerde Rotterdamse advocatenkantoor Nauta Dutilh.

De provenance van de twee Toorops vertoont wel enige verschillen. De collectie die Flersheim bij zijn vlucht naar Nederland in 1937 achterliet, werd in 1938 door de nazi's in beslag genomen en in twee tranches verkocht. Het schilderij van Toorop kwam in 1937 in de verkoop, net vóór of samenvallend met de vestiging van het echtpaar in Nederland. De gemeente concludeert uit het onderzoek dat zij liet verrichten dat deze bijzondere Toorop opmerkelijk uit de gang van zaken met de rest van de collectie springt. Daardoor valt niet hard te maken dat het stuk onder de kwalijke confiscatie viel.

Eberstadt acht het onaannemelijk dat zijn grootouders, die een speciale band hadden met Toorop, het stuk zelf zouden hebben verkocht. Maar het waren rare tijden. Zijn moeder heeft na de oorlog een Wiedergutmachung voor het schilderij geaccepteerd. Dat zou ze volgens de `claimant' nooit hebben gedaan als ze van een eigen verkoop had gehoord. Maar alweer, geheel sluitend is het argument niet.

De tekening Godsvertrouwen, een karakteristieke boerenkop met de kerktoren op de achtergrond, is ronduit verdacht. Dit stuk werd aangekocht bij een bekende Haagse kunsthandelaar. Deze moet zich na de oorlog tegen de vader van Eberstadt hebben laten ontvallen dat hij het – in het hartje van de bezetting – had verworven bij een zekere Lindegren in het Amsterdamse Carlton Hotel, dat toen was gevorderd door de bezetter. De tekening werd gekocht door twee Rotterdamse notabelen om hem te schenken aan het museum.

De stichting bestempelt de aankoop als `legitiem', maar de directeur van het museum in de jaren vijftig kon zich toch voorstellen dat de tekening gezien zijn afkomst tegen kostprijs kon worden gerestitueerd. Het toenmalige bestuur ging daar niet op in. Een Duitse rechtbank heeft de tekening in 1955 alsnog toegewezen aan de erven-Flersheim. Een buitenlands vonnis heeft echter altijd goedkeuring van een Nederlandse rechter nodig. Deze heeft de familie nooit aangevraagd – en daarmee zijn recht verspeeld.

Bij de vraag of een heroverweging op zijn plaats is op ethische gronden moet verschil worden gemaakt tussen de positie van de gemeente en de stichting. De gemeente is onderdeel van de overheid en wordt direct aangesproken door het teruggavebeleid van de regering. Rotterdam heeft ook al enkele malen besloten tot restitutie van roofkunst. Toch houdt zij een eigen verantwoordelijkheid op te komen voor haar openbaar kunstbezit.

Dat laatste geldt helemaal voor de stichting als private rechtspersoon, al blijken daar de meningen ook verdeeld te zijn. De stichting laat weten dat zij de nagedachtenis van de notabele schenkers niet wil bezoedelen door teruggave. Eberstadt kan daar de nagedachtenis tegenin brengen van zijn ontrechte grootouders, die hij zelf heeft gekend.

Een extra probleem is dat er betrekkelijk weinig vergelijkingsmateriaal is.

Op grond van de onderzoeken Herkomst gezocht (Rijk) en Museale verwervingen (Museumvereniging) is een aantal verdachte kunstwerken teruggegeven. Drie schilderijen van de in de oorlog omgebrachte schilderes Else Berg (Instituut Collectie Nederland en Kröller-Müller museum) bijvoorbeeld en een schilderij van Max Liebermann (Gronings museum). Teruggave zegt op zichzelf echter weinig, een weigering is evenzeer van belang.

Het zou helpen als de verschillende overwegingen eens duidelijk op een rijtje werden gezet en vergeleken met buitenlandse beslissingen. Al was het alleen voor de discussie met de Verenigde Staten. Want ook daar zijn de reacties niet eenduidig.