Ontkennen wat je in het gezicht staart

Steeds vaker wordt de hulp van de rechter ingeroepen om een uitspraak te doen over de geldigheid van historische oordelen over de jodenvervolging. Het ontkennen ervan is in verschillende landen strafbaar gesteld. Zo werd in 1984 Ernst Zündel voor de Canadese rechter gedaagd wegens het verspreiden van onware berichten over de jodenvervolging en veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf. Het proces werd echter ongeldig verklaard. Toen er in 1988 een nieuw proces werd aangespannen, riep Zündel de hulp in van David Irving. Het contact met Zündel was de opmaat voor een civiele rechtszaak waarin deze Britse historicus vorig jaar zelf de hoofdrol speelde.

David Irving had in 1963 naam gemaakt met een studie over het bombardement op Dresden, waarin de Britse luchtmacht van oorlogsmisdaden werd beschuldigd. Dit leverde hem in Duitsland veel sympathie op en bood hem toegang tot de kringen van voormalige nazi's die tot dan toe voor historici gesloten waren gebleven. Op basis hiervan publiceerde Irving in 1977 Hitler's War, waarin een van de stellingen was dat Hitler nooit op de hoogte was geweest van de systematische uitroeiing van joden. Ook met dit boek oogstte hij veel waardering. Vooraanstaande historici als Hugh Trevor-Roper en John Keegan prezen het de hemel in. Maar ook neonazi's als Ernst Zündel waren onder de indruk.

Van Zündel zelf moest Irving klaarblijkelijk niet veel hebben, maar hij was volgens eigen zeggen enorm geraakt door de verklaring van een andere getuige-deskundige, Fred Leuchter. Volgens deze Amerikaanse `ingenieur' (hij had enkele vakken in de natuurwetenschappen gevolgd) wees technisch onderzoek uit dat er geen gaskamers in Auschwitz waren geweest. Dit was voor Irving de aanleiding om te beweren dat joden nooit op grote schaal vergast waren; dat Auschwitz in zijn geheel slechts een werkkamp was geweest; en dat iedereen die beweerde dat het anders was, een leugenaar was. Dat kostte hem zijn reputatie als historicus en zijn contracten met uitgevers. Volgens de Amerikaanse journalist D.D. Guttenplan was het verlies van inkomsten waarschijnlijk de belangrijkste reden voor Irving om naar de rechter te stappen.

Als doelwit had hij Deborah Lipstadt gekozen. Deze Amerikaanse hoogleraar in `Jewish studies' publiceerde in 1993 Denying the Holocaust: The Growing Assault on Truth and Memory. Daarin noemde zij Irving een van de gevaarlijkste, want meest gerespecteerde ontkenners van de jodenvervolging. In de Verenigde Staten had het boek een bescheiden succes, maar in Engeland werd het nauwelijks verkocht. Toch klaagde Irving zowel Lipstadt als haar uitgever Penguin in Engeland aan wegens smaad. Voor een Amerikaanse rechtbank had Irving moeten bewijzen dat Lipstadt met opzet leugens over hem had gepubliceerd. Voor het Engelse recht moest daarentegen Lipstadt bewijzen dat haar aantijgingen waar waren en dus: dat de jodenvervolging daadwerkelijk had plaatsgevonden.

Deense koning

Dat lijkt eenvoudiger dan het is. Zoals Guttenplan stelt, weten de meeste mensen maar al te goed dat er miljoenen joden zijn vermoord, maar zijn veel mensen ook overtuigd van feiten die pertinent onwaar zijn: bijvoorbeeld dat de Deense koning uit solidariteit met de Deense joden een gele ster droeg, of dat er van lijken zeep werd gemaakt. Bovendien bestaat er ook onder deskundigen over essentiële punten onenigheid, zoals hoeveel mensen er vermoord zijn; wanneer het besluit voor de systematische vernietiging werd genomen; en wie dat besluit heeft genomen.

Negationisten maken gebruik van die misvattingen en onenigheid. Zoals de getuige-deskundige Robert Jan van Pelt tijdens het proces uiteenzette, hanteren negationisten een extreem positivistisch uitgangspunt. Ieder afwijkend of niet goed verklaarbaar gegeven grijpen zij aan om de werkelijkheid van de jodenvervolging in haar geheel te ontkennen. Zo ondervroeg Irving – die zijn eigen verdediging voerde – Van Pelt langdurig over vier luchtschachten op een van de vernietigingsinstallaties in Auschwitz-Birkenau, die niet op luchtfoto's te zien waren. Door die schachten zou het gas zijn toegevoerd. En dus redeneerde Irving: `no holes, no holocaust'. Het feit dat er getuigenverklaringen zijn die wel degelijk wijzen op het bestaan van die schachten, doet volgens negationisten niet ter zake, omdat zij ooggetuigen, zeker als het joden zijn, als partijdig en onbetrouwbaar afwijzen. Ook Duitse documenten hebben voor hen weinig waarde: wanneer die niet in hun straatje passen, betitelen zij ze als communistische vervalsingen.

Het feit dat Irving tijdens dit proces lange tijd aan de winnende hand leek, kan te maken hebben met het gegeven dat negationisten eigenlijk niet als historici redeneren, maar als advocaten. Zij hoeven slechts de argumenten van de tegenstander te vernietigen, maar zijn niet gedwongen zelf met een meer plausibele interpretatie van de gegevens te komen. Wanneer zij dat wel doen, blijkt steeds weer hoezeer het negationisme gevoed wordt door antisemitische vooroordelen. Zo herleiden zij alle argumenten voor de werkelijkheid van de jodenvervolging tot politieke propaganda van joodse groeperingen. En zij presenteren zichzelf als slachtoffer van pogingen om hen de mond te snoeren.

Irving eigent zich in dat verband vaak de attributen van het joodse slachtofferschap toe: zijn reputatie als historicus zou zijn vernichtet. Het aan hem toegekende label van negationist noemt hij `a verbal yellow star'. Uiteindelijk trok Irving toch aan het kortste eind. De rechter (er was geen jury in deze zaak) oordeelde uiteindelijk dat Irving er op uit was `om gebeurtenissen zo te presenteren dat zij aansloten bij zijn ideologische overtuigingen, zelfs wanneer dat leidde tot vervorming en manipulatie van historisch bewijs'.

Ontluisterend

Guttenplan geeft in zijn boek een ontluisterend beeld van de denkwijze van Irving en zijn medestrijders tegen wat zij zien als een internationale joodse samenzwering. Maar Guttenplan wil een objectieve rechtbankverslaggever zijn, die ook de tegenpartij niet spaart. Hij velt harde woorden over Lipstadt en haar medestanders. Hij meent dat `Jewish studies' getekend zijn door joods-nationalistische vooringenomenheid. Lipstadt deelt volgens hem de opvattingen van mensen als Lucy Dawidowicz en Daniel Goldhagen, die het nazisme slechts beschouwen als een oorlog tegen de joden, en elke interpretatie verwerpen die aan hun manicheïstisch wereldbeeld afdoet. Daarmee zouden zij niet alleen het historische debat frustreren, maar zelfs bijdragen aan de opkomst van het negationisme. Hun instrumentalisering van de geschiedenis van de jodenvervolging maakt hem tot een wapen in de politieke strijd, waarvan zich dan ook de tegenstanders meester kunnen maken.

Guttenplan gaat niet zo ver om Lipstadt cum suis te beschuldigen van dezelfde doelbewuste verdraaiing van de historische feiten. Maar het blijft onduidelijk op welke gronden men kan concluderen dat `unlike David Irving, Lipstadt is a bona fide academic'.

Ook in dat opzicht is dit boek ontluisterend: de historische professie toont zich van zijn minst fraaie kant. Met name de militaire historici moeten het ontgelden. Irving kan zelfs na het proces nog rekenen op de lof van John Keegan, die volgens Guttenplan tijdens zijn getuigenis in de rechtszaal blijk gaf van een opvallend gebrek aan kennis van de oorlogsgeschiedenis die het niveau van `maps and chaps' overstijgt. Met name de historiografie van de jodenvervolging bleek terra incognita voor deze gerenommeerde auteur.

Guttenplans boek laat ook een verhelderend licht vallen op de uitgeverswereld. Voor Irving stonden er grote financiële belangen op het spel. Maar zijn aanklacht was zelf ook een media-event, met grote publicitaire en daarmee financiële waarde. Van Pelt werd tijdens zijn verhoor door Irving in verlegenheid gebracht toen uitkwam dat hij zijn rapport aan de rechter op een later tijdstip wilde publiceren. De rapportage van een andere getuige-deskundige, Richard Evans, is al gepubliceerd onder de titel Lying about Hitler (Basic Books). En Lipstadt, die gedurende het hele proces had gezwegen, kondigde na de goede afloop aan dat ook zij een boek over het proces zou schrijven. De behoefte om mee te deinen op een mediahype tekent ten slotte ook het boek van Guttenplan zelf. De vlotte pen, smeuïge inside information en flitsende omslag kunnen niet verhullen dat ingewikkelde materie op een nogal oppervlakkige manier is behandeld.

D.D. Guttenplan: The Holocaust on Trial. History, Justice and the David Irving Libel Case.

W.W. Norton, 225 blz. ƒ68,85