Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, hield van goochelen. Vorige week vertelde ik dat hij drie truukjes kende. Eigenlijk tweeënhalf. Want één truc mislukte vaak. Dan wist hij opeens niet meer hoe het verder ging. Die mislukte was heel ingewikkeld. Hij maakte op een fles een molen met wieken van een lepel en een vork. En die hingen dan weer aan een stopnaald. De stopnaald prikte hij in een halve kurk. Als alles goed ging en je blies er tegenaan gingen de wieken draaien. Maar meestal vielen ze.

De derde truc lukte altijd. Mijn vader deed hem vaak als hij ergens op visite was. ``Weten jullie hoe wij thuis de was drogen?' vroeg hij aan de kinderen die er waren. ``Nou gewoon ophangen aan een lijn', zei iedereen. ``Nee hoor,' zei mijn vader, we hangen alles aan het plafond. ``Kijk maar.' Hij vroeg aan iedereen z'n zakdoek. Sommigen schaamden zich omdat er veel snottebellen in zaten, maar dat kon mijn vader niets schelen. Als hij de zakdoeken verzameld had friemelde hij wat en gooide razendsnel elke zakdoek naar het plafond. Allemaal bleven ze hangen. Niemand begreep het.

De truc was dat hij eerst een punaise in de zakdoek stak, dan een zilveren rijksdaalder. Door de zwaarte van de rijksdaalder kon hij de zakdoek gooien. Op het moment dat iedereen naar het plafond keek, ving hij de riks op. ``Je moet wel flink verkouden zijn', zei hij, ,,anders lukt het niet.'