Met geld smijtende feestgangers

Nederlandse cultuur is niet verfijnd. Wij houden van grof en plat en van Paul Verhoeven. Negende aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Wie als Nederlander in donker Afrika woont en voor zijn kennis over het vaderland is aangewezen op het per nachtboot bezorgde Cultureel Supplement, moet een merkwaardig beeld krijgen van onze cultuur. Hoe ligt het vaderland erbij? Door keurig rechte, schoongepoetste straten – het lijkt wel een schilderij van Mondriaan! – lopen landgenoten van de vogeltjes te genieten, te overpeinzen dat ze sterfelijk en schuldig zijn, onderwijl zachtjes dichtregels van Revius en Chris van Geel citerend, of een pakkende melodie van Louis Andriessen fluitend.

Tot nu toe begaven zich alleen maar wereldvreemde fijnproevers in Het Holst van Nederland, nette mensen die geen idee hebben van wat zich buiten hun schrijfkamer afspeelt. Op zoek naar de kern van Nederlandse cultuur komen ze met kunstenaars aanzetten van wie tenminste vijftien miljoen Nederlanders nog nooit gehoord hebben. Daarenboven noemen ze allemaal cultuurdragers die veel te eigen- en fijnzinnig zijn om voor typisch Nederlands door te gaan. Marcel Möring schrijft dat hij nergens bij hoort; hoogstens bij een culturele elite die zich ver verheven voelt boven zoiets banaals als een volksaard. Wie vindt dat een typisch Nederlandse cultuur niet bestaat, moet er ook niet over schrijven.

Hafid Bouazza schrijft dat je geen volksaard kunt destilleren uit kunstwerken omdat die per definitie grensoverschrijdend en uniek zijn. Deels is dit waar, als je het hebt over de elitaire kunst. Als je naar de populaire kunst kijkt, kom je echter een stuk verder. Vertaald naar een ander werelddeel: wie iets over de Mississippi Delta wil weten, moet niet een kommaloos modernistisch meesterwerk van William Faulkner lezen, maar een lekkere misdaadroman van John Grisham. Denkend aan Holland zie ik vooral een eindeloze stoet bleke actrices met blote tieten, dronken carnavalvierders en ironisch mompelende stukjesschrijvers in regenjassen.

Op 30 april 1980, de dag dat de troonsbestijging van koningin Beatrix werd verstoord door rellen in Amsterdam, zat schrijver Karel van het Reve voor de radio om de gebeurtenissen in de stad te volgen. Hij woonde aan de Amstel, op een steenworp afstand van de rellen, maar `bekrompen reactionair' als hij was, bleef hij liever thuis. Enige tijd later berichtte hij over zijn belevenissen voor Radio Wereldomroep, ten behoeve van Nederlanders overzee. Van het Reve zag door het raam een stel ME'ers uit autobusjes stappen, tevergeefs op de Magere Brug posten en na enige tijd weer wegrijden. Dat was alles. Hij besluit zijn verslag met: ,,U hoeft dus in midden-Afrika niet te denken, dat u minder van de troebelen in Amsterdam gehoord en gezien hebt dan iemand die midden in de stad woont.''

In dit typisch Nederlandse on-verslag, gebundeld in Luisteraars!, maakt Van het Reve een geniale omdraaiing. In alle opwinding over de rellen, gaat hij er prat op dat hij niets heeft gezien. Van enige afstand bezien leek het alsof heel Amsterdam in brand stond, maar nee hoor, stelt Van het Reve ons gerust, niets aan de hand. Gaat u maar rustig slapen, het is Nederland maar. Eén promille van de bevolking relde, de rest zat voor het raam.

Samen met Annie M.G. Schmidt, columnist Simon Carmiggelt en interviewer Willem Witkampf behoort Van het Reve tot de grote naoorlogse `Paroolschrijvers'. Schrijvers die min of meer verbonden waren aan dagblad Het Parool en die in hun stijl iets gemeen hadden dat we `Het Parool-toontje' zijn gaan noemen. Door de journalistenachtergrond, schreven de Paroolschrijvers nooit pure fictie en fantasie. Schmidt laat dan wel de kat Minoes in een jongedame veranderen die kopjes geeft aan de visboer, en de toverkabouter Wiplala opduiken in een laatje van een croquettenautomaat, maar in wezen blijft ze altijd dicht bij het gewone leven. In de Nederlandse literatuur blijft iedereen thuis. Je mag niet zomaar een avontuur uit je duim zuigen, huiskamerrealisme is de norm, het liefst in de vorm van een Bildungsroman. Op avonturen, op plot driven romans kijken we neer, bijna de hele Nederlandse literatuur is character driven.

Ook wat gematigd-burgerlijk wereldbeeld betreft verwoordden de Paroolschrijvers het best onze volksaard. Zelfs in de donkerste tijden, de jaren zeventig, toen ons land zich on-Nederlands verdeelde in een ideologisch rechts en een links kamp, wisten Van het Reve en zijn collega's de juiste burgerlijk-Nederlandse middenkoers te bewaren, zoals treffend verwoord in Van het Reve's credo uit zijn proefschrift Goed en schoon in de Sowjet-kritiek (1954): ,,Het zijn naar onze mening dan ook geen politieke of wereldbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.''

Dit gedachtegoed van lekker knus thuisblijven en fatsoenlijk zijn, zou zeer lovenswaardig maar onverteerbaar zijn, als het niet werd gebracht op voornoemd Parooltoontje: losjes, ironisch, vol understatements, helder, eenvoudig geschreven, nooit wijdlopig, met een superieur gevoel voor humor en een scherp oor voor de Nederlandse spreektaal. Van het Reve en de anderen beschrijven een keurig aangeharkte wereld, die ze mild bespotten, maar diep in hun hart heel fijn vinden. Zie daar, één van de kernen van de Nederlandse cultuur: netjes en hoekig, we roepen dat het niets voorstelt, maar eigenlijk vinden we ons de besten.

Bij ontstentenis van adel is de Nederlandse cultuur al eeuwenlang burgerlijk en egalitair. Een echte hoge cultuur hebben we nooit gehad. We kijken neer op het elitaire én op het volkse. Dat zie je ook bij de broers Van het Reve. Karel keert zich bijvoorbeeld tegen de fiets met trommelremmen en hockeyklem. Gerard schreef in Op weg naar het einde: ,,Zo men in de tweede klasse wellicht nog enkele fatsoenlijke, godvrezende mensen zou kunnen aantreffen, in de eerste klasse is het werkelijk allemaal schorum.'' Over de arbeiders schreef hij dat ze dood moesten, in zijn `Getuigenis' dicht hij: `Wat wil het volk?/ Niet veel goeds, dat is zeker.'

Bij gebrek aan een goed voorbeeld, kunnen de Nederlanders heel veel niet. Ze weten zich niet te kleden, ze kunnen niet koken, niet dansen en niet zingen. Een typisch Nederlandse mode, keuken of muziek bestaat niet, dat halen we allemaal uit het buitenland. Die gebreken hebben we omgebogen tot een deugd. Nederlanders hebben een afkeer van schone schijn. `Gewoon zijn' – erkennen dat je niets bijzonders kan – is een aanbeveling. Nederlanders die desondanks per ongeluk toch een beetje beroemd zijn geworden, haasten zich daarom om te zeggen dat ze zo `gewoon' zijn gebleven. `Gewoon André.'

Als je onze kroonprins nerveus zag schutteren op zijn verlovingsfeest zou je bijna gaan denken dat zelfs ons koninghuis heel `gewoon' is gebleven. De wereldse Máxima blies met charme en swing moeiteloos haar schoonfamilie opzij. Dramaschrijver Ton Vorstenbosch zei onlangs in het Cultureel Supplement over het optreden van de koninklijke familie: ,,Het heeft altijd dat truttige hier, dat horkerige, dat gebrek aan stijl. Op het moment dat ze bijvoorbeeld moesten gaan staan met zijn vieren, werd Beatrix ineens heel erg moeder de vrouw, die dacht: `o jee, nou mot ik'.'' Gewoon Beatrix.

Maar dit is slechts de helft van Nederland. Neem een openingsscène uit een willekeurige Nederlandse speelfilm: Keetje Tippel zit op de boot naar Amsterdam en is op zoek naar haar zus. Plots ziet ze haar in het vooronder liggen, met een vette kerel bovenop zich. Zijn witte puisterige billen steken praktisch uit het luik. Keetje verjaagt de verkrachter, maar de zus is haar niet dankbaar. Met een schelle stem schreeuwt ze tegen Keetje: ,,Trrrut! Hij had me er twee boterhammen voor beloofd... Met spèk!''

Bij gebrek aan concurrentie was de burgerlijke cultuur eeuwenlang de heersende. Maar de gelijkheidsgolf van einde jaren zestig heeft het land nog vlakker geslagen en de weg vrijgemaakt voor een veel grovere, volkse cultuur waarin `vermaak' niet langer een vies woord is. In een Haarlemse snackbar kun je tegenwoordig als specialiteit een `grove frikadel' kopen, die ietsje duurder is dan de gewone frikadel. Naast gewoon en truttig is grof en plat nu ook een aanbeveling geworden.

Held van de platte cultuur, en regisseur van bovenstaand fragment uit Keetje Tippel, is Paul Verhoeven. Hij is de man die het boertige, volkse heeft opgeschoven naar de mainstream en tot de heersende cultuur, naast de burgerlijke, heeft gemaakt. Sinds hij begon te filmen, zit iedere Nederlandse speelfilm (en elk toneelstuk) vol naaktscènes, en niet in mooi zacht strijklicht, zoals in Franse films, maar juist in zo hard mogelijk licht, zodat de ongezonde bleekgevlekte huid het beste tot zijn recht komt. Ook Verhoevens seksscènes zijn altijd van een verpletterende platheid. Jan Wolkers, die andere koning van de grove smaak, noemde de seksbeleving van Verhoeven: `De bollensorteermachine'.

Naast de blote borsten als warmwaterzakken, de slappe billen (Rutger Hauer slaat in Verhoevens Wolkersverfilming Turks Fruit tegen een paar vrouwenbillen en zegt misprijzend `beetje week'), gebruikt Verhoeven nog vele andere grove effecten. Er wordt geregeld uitbundig gebraakt en gebloed. Zowel in Flesh + Blood als Starship Troopers wordt de inwendige mens in al zijn kleurenpracht getoond.

In Soldaat van Oranje, vanavond op Nederland 2, zit een gruwelijke, onsmakelijke martelscène waarbij een verzetsstrijder een waterslang in zijn anus krijgt. Rijk de Gooijer speelt de nazi-beul. Tijdens de opname van de scène riep hij bij het inbrengen van de slang: ,,Normaal of super?'' De scène moest daarna vele malen over omdat de spelers iedere keer weer in de lach schoten. Typischer Nederlands kan het niet.

In Verhoevens Amerikaanse sciencefictionfilm Total Recall zit een scène die speelt in een achterbuurt van een kolonie op Mars. Het is een eindje vliegen, maar bij Verhoeven ben je nooit ver van huis. De door allerlei misvormde ruimtewezens bevolkte buurt lijkt namelijk sprekend op de Amsterdamse Wallen. Dezelfde goedkope freakshowachtige sfeer, dezelfde eenzame rodelichtjesromantiek, dezelfde verzameling afzichtelijke misbaksels.

Verhoeven heeft school gemaakt. Zelfs in de heerlijke maar intens brave soapfilm Costa! – waarin nauwelijks blote borsten voorkomen – zit een scène waarin het gebeugelde pubermeisje Georgina Verbaan voor de spiegel een puist uitknijpt en de inhoud van een flinke tompoes achterlaat op de spiegel. Onnodig lang blijft de camera bij de witte spetters op de spiegel hangen. Bij SBS6 zijn iedere avond alle vormen van seksueel verkeer te bewonderen. In de nieuwsuitzendingen is het platte, volkse Nederland van de achterbuurten en de provincies te zien, zoals Verhoeven het toont in Spetters. Wie denkt dat het randstadsplat de Nederlandse dialecten verdringt, moet maar eens een uitzending van Hart van Nederland bekijken, waarin iedere avond minstens zes verschillende Nederlandse dialecten zijn te horen.

Niets is zo veranderlijk als een volksaard. Dachten we tot voor kort dat we brave, godvrezende, matige, zuinige, burgerlijke aardappeleters waren, nu blijkt dat we op zijn minst twéé volksaarden hebben: we zijn godlasterende, met geld smijtende feestgangers geworden, met een boertig gevoel voor humor. Dat boertige zat er natuurlijk al langer in. Naast Vermeer hadden we altijd Jan Steen (let op het hondje!). Dat is de ándere kern van onze cultuur. Net als het polderlandschap: plat, nat en winderig.

Een belangrijke verdienste van die nieuwe volkse invloed is dat deze onze cultuur veel vrolijker heeft gemaakt. Bij Karel van het Reve bestond vakantie nog uit een weekje kamperen in Groet. Nu vliegen we de hele wereld over, en beginnen we langzaam te leren wat feesten is. Het somberbleek is langzaam vervangen door zonnebankbruin. Tot ergernis van de elite hullen we ons in foeilelijke oranje kleding als het nationale voetbalelftal speelt. De kroonprins host rond, de koningin doet mee met de wave. Naast grinniken om de grapjes van Annie Schmidt en Carmiggelt mogen we nu ook schateren om de grollen van André van Duin. Zijn carnavalsliederen met absurdistische inslag, als Er staat een paard in de gang, Ik heb hele grote bloemkoole, en Mijn kammetje is zoek, en zijn ballade File (`Eindeloos/ Achter een Van Gend & Loos') verdienen een ereplaats binnen ons nationale erfgoed.

Nu zal het de estheten onder u wel tegen de borst stuiten dat zich in het Holst van Nederland viezeriken en clowns als Verhoeven en Van Duin bevinden, en zo'n verwerpelijke commerciële zender als SBS6. Maar wie zegt dat de kern van een nationale cultuur altijd goed en schoon moet zijn?

Ook prettig aan de volkse cultuur is het schijnbare gebrek aan moraal. Karel van het Reve was behoorlijk verlicht, maar dacht nog volgens de lijnen van goed en fout, Verhoeven heeft dit wereldbeeld verlaten. In Soldaat van Oranje kun je nog Rutger Hauer als goede held aanwijzen, maar in zijn tweede oorlogsfilm Starship Troopers zijn de aardse helden geen haar beter dan de buitenaardse insecten die ze bestrijden. Om dit te benadrukken laat Verhoeven de Aardlingen optreden in een soort nazi-uniformen. In Verhoevens donkere wereldbeeld is iederéén fout, en niet alleen in oorlogstijd. Zijn helden zijn opportunisten, zuiver uit op lijfsbehoud. Critici zijn geneigd om Verhoeven daarom voor een cynicus te houden, maar eigenlijk is hij gewoon een typisch Nederlandse dominee die roept dat we allemaal zondig zijn.

Zo is ook te verklaren waarom hij het menselijk naakt zo onsmakelijk in beeld brengt. Door het tonen van rijkelijk vloeiende lichaamsvochten predikt hij: Bederf is de weg van alle vlees. Eén vlieg bederft het beste parfum. Jan Wolkers schrijft in Terug naar Oegstgeest dat zijn streng-gereformeerde vader een `Boek der martelaren' had, waarin op zeer expliciete illustraties werd getoond hoe de vroege christenen aan hun eind kwamen. Pure porno, vindt Wolkers. Onder het mom van godvruchtigheid konden de gelovigen zich verlekkeren aan seksueel getinte martelscènes. Verhoeven doet hetzelfde maar dan omgekeerd. Onder het mom van plat amusement, pepert hij ons in dat we zondig en sterfelijk zijn. Verlekkerd zitten we naar onze eigen verrotting te kijken.

Volgende week begeeft Doeschka Meijsing zich in het Holst van Nederland In de Nederlandse literatuur blijft iedereen thuis Bij gebrek aan een goed voorbeeld, kunnen de Nederlanders heel veel niet

In de Nederlandse literatuur blijft iedereen thuis