Hetontembareschilderbeest

Het werk van Karel Appel komt voort uit overvloed. Drie tentoonstellingen van zijn werk laten zien dat hij lang niet altijd meesterwerken maakte. Maar soms wel.

Er zijn twee typen kunstenaars. Bij het ene type verloopt het produktieproces traag, en vaak op een moeizame en pijnlijke manier. Bij het andere verloopt dit proces snel, in golven van energie en inspiratie. In het eerste geval komt het werk voort uit een beperking van mogelijkheden en uit een concentratie op het weinige, in het andere uit overvloed en uit een niet-kiezen. Het gekke is dat, ongeacht of de kunstenaar veel produceert of weinig, er in beide gevallen zelden meer dan drie, hooguit vier goede kunstwerken per jaar ontstaan. Deze natuurwet is van alle tijden. Daarbij valt op dat de kunstenaars met een snelle, hoge produktie meestal niet het vermogen bezitten om een kritische keuze uit hun eigen werk te doen. Dit selectieve vermogen is onverenigbaar met de aard van hun kunstenaarschap. Ze doen er dus goed aan om die keuze aan anderen over te laten.

Karel Appel behoort, het zal geen verrassing zijn, tot het overdadige type. Hij heeft zijn overzicht in het Stedelijk Museum van schilderijen uit de afgelopen twintig jaar, met een sterk accent op het meest recente werk, grotendeels zelf ingericht. Dit is problematisch, want het niveau van het getoonde werk is extreem ongelijk. Er zijn een stuk of zes zeer goede schilderijen te zien, maar het merendeel is beneden ieder peil. De tentoonstelling van werken op papier uit de afgelopen zestig jaar in het Haags Gemeentemuseum is genuanceerder, evenals het overzicht van beelden van de jaren veertig tot heden in het Cobramuseum, maar ook hier zijn de niveauverschillen groot.

De drie tentoonstellingen vormen samen een hommage aan Appel, die onlangs tachtig jaar werd. Ook al had een kwalitatief beter overzicht gemaakt kunnen worden, deze ongelijkmatige wijze van presenteren maakt wél veel duidelijk over de praktijk van zijn werk. En kennelijk vindt Appel het te vroeg om op verantwoorde wijze bijgezet te worden in de kunstgeschiedenis; zijn werkdrift is immers onverminderd en zijn oeuvre nog niet voltooid.

Appel, de Amsterdamse kapperszoon en woeste Cobra-schilder, verliet Nederland in 1950 voorgoed omdat hij hier, ondanks de Cobra-tentoonstellingen in het Stedelijk onder directeur Willem Sandberg, geen begrip voor zijn werk ontmoette. Zonder een cent op zak vestigde hij zich met zijn kunstbroeders Constant en Corneille in Parijs. De verhalen over het heroïsche bestaan in de Rue Santeuil, met nauwelijks iets te eten, kapotte kachels en een ondragelijke stank van de leerlooierij aan de overkant, zijn bekend. In 1957 vertrok Appel naar New York. Sindsdien heeft hij altijd op verschillende plekken gewoond, en vaak tegelijkertijd: Rome, Parijs, New York, Zuid-Frankrijk.

Appel raakte in de jaren zestig en zeventig in de vergetelheid, mede doordat het kunstklimaat, met stromingen als minimal art, conceptuele kunst, fluxus enzovoort de schilderkunst niet gunstig gezind was. Het was voor hem een lange en moeilijke periode; het werk uit deze jaren is beduidend minder geïnspireerd dan het vroegere werk. De hernieuwde belangstelling voor het expressieve schilderen in de jaren tachtig betekende voor Appel een comeback. Hij ontdekte nieuwe mogelijkheden, zoals het schilderen van landschappen en naar levend model. Tegenwoordig pendelt hij heen en weer tussen twee ateliers in de VS, waar hij vooral sculpturen maakt, en een landgoed in Toscane waar hij schildert.

Bevrijding

Cobra, opgericht in 1948, was een luide `Vrijheidsschreeuw' (naar een doek van Appel). Deze generatie kunstenaars markeert in Nederland de Bevrijding. Ze werden gedreven door een verlangen naar zuiverheid, naar de oorspronkelijkheid van het allereerste begin, van het eerste stamelen. Zij zochten naar de expressieve kracht van de eerste tekens, opgedolven uit de diepste bronnen van het onderbewustzijn.

In 1950, direct na zijn verhuizing naar Parijs, bezocht Appel in het psychiatrisch ziekenhuis Sint Anne een tentoonstelling van tekeningen van geesteszieken. De tentoonstelling maakte een grote indruk op hem. Appel beplakte de ongeïllustreerde brochure bij deze tentoonstelling, getiteld Psychopathological Art, met tekeningen, en voegde er nog een aantal bladen aan toe. Deze map Psychopathologische Tekeningen, te zien in Den Haag, vertegenwoordigt een sleutelmoment in zijn ontwikkeling, het moment waarop hij zich ten volle bewust werd van zijn artistieke stellingname.

De kleine tekeningen zijn een hoogtepunt in het oeuvre van Appel. De bladvullende dieren en getormenteerde mensfiguren zijn getekend met een enorme directheid en expressiviteit. Deze verbluffende expressieve energie is de grootste verdienste van zijn werk, ook al is het een kwaliteit die zich zeer onregelmatig voordoet. Het gebrek aan continuïteit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat het Appel ontbreekt aan intellectuele of formele reflectie, zodat hij in zijn zoektocht naar het primitieve hoofdzakelijk is aangewezen op zijn eigen belevingswereld. De tekeningen van geesteszieken en kinderen wezen hem hierbij de weg. De prachtige sculpturale pendant van de Psychopathologische Tekeningen zijn de beroemde houten reliëfs, getiteld Vragende Kinderen (1949), waarvan er nu twee te zien zijn in het Cobramuseum.

Een tweede hoogtepunt in Appels oeuvre is het werk dat is ontstaan in de eerste jaren in New York, tussen ongeveer 1957 tot ongeveer 1962. Het was een opwindende tijd voor hem: Appel ontdekte in Amerika het abstract expressionisme en de action painting van Jackson Pollock, en, even belangrijk, de jazz. In deze korte periode krijgt zijn werk een explosieve kracht. Dit is de Appel zoals we hem kennen uit de film van Jan Vrijman, De werkelijkheid van Karel Appel (1962), het ontembare schilderbeest dat uitspraken doet als ,,I do not paint, I hit'', die met twee handen tegelijk direct op het doek schildert, en die de verf direct uit de tube op het doek knijpt: ,,Mijn tube is een raket die zijn eigen ruimte beschrijft''. Hoezeer deze film, waarin Appel grommend op het doek aanvalt alsof hij een reusachtig monster moet overmeesteren, ook de lachlust mag opwekken, toch zijn op deze agressieve, theatrale manier zijn beste werken ontstaan. In Den Haag zijn de bladen met gouache en krijt die een extase van beweging en kleur laten zien hier een voorbeeld van. Ze hebben een mooie, voor Appel zeldzame, balans tussen figuratie (vogels, gezichten) en materie. In Amstelveen dateren de in felle kleuren beschilderde olijfboom-sculpturen uit deze tijd. Overigens mogen de beelden uit 1954 niet onvermeld blijven: krachtige, weerbarstige hompen klei, gedeeltelijk geglazuurd in zwart en gelig wit.

Schildershand

Al in 1960 zei Appel: ,,Ik schilder vanuit de materie, want het blijkt dat de materie minstens even rijk is als de geest, zo niet rijker. Het is een onberekenbare energie [...]''. En recent: ,,De echte schilderkunst is voor mij tot op de dag van vandaag het emotionele schilderen ... Pure schilderkunst, dat is emotie overbrengen, het leven erin.'' Appel is trots op zijn schildershand. Helaas is die hand, zo laat zijn ontwikkeling en vooral het recente werk in het Stedelijk zien, niet zo controleerbaar als hij wel zou willen. In de grote serie abstracte doeken uit 1998, op de lange wand van de erezaal, is Appel nergens meester over de kleur noch over de beweging. Met deze manier van werken, met korte toetsen dicht naast elkaar, moet het schilderij het hebben van ritmiek en niet van het brute gebaar. Maar het mislukt: het zijn slappe patronen waar de kleur niets van doen heeft met opbouw of structuur.

De meeste figuratieve doeken, waarop vooral vrouwen, zijn op het lachwekkende af pathetisch. Er is geen boeiende lijnvoering, kleuren slaan elkaar dood, poses zijn potsierlijk zoals Theatrical Nudes (2000), of de vrouw met wijd gespreide benen, een wild besmeurde vagina midden in beeld waarboven een gezicht met blozende wangen, getiteld Waiting Woman (2000). Allerlei referenties aan Picasso, Baselitz en De Kooning doen zich voor, zonder ooit zelfs maar in de buurt te komen van het niveau van deze voorbeelden. Dodelijk is het effectbejag van een egaal zwarte ondergrond met daarop dik gesmeerde koortsachtige figuren, een foefje dat Appel keer op keer herhaalt met als absoluut dieptepunt Black Night (1990), een zwart doek van bijna vijf meter lengte met in het midden twee theatrale naakten leunend tegen een boom. Het vereist veel goede wil van de bezoeker om al deze rommel te negeren en te zoeken naar het enkele geslaagde werk. Hetzelfde geldt voor het late werk op de tentoonstellingen in Den Haag en Amstelveen.

Net als je denkt dat Appel het eenvoudigweg niet meer heeft, hangt daar dan plotseling een totaal origineel en uniek schilderij, even krachtig en expressief als zijn vroege werk, maar nieuw en anders. Indrukwekkend zijn twee Toscaanse landschappen, Horizon of Tuscany36 en 38, van 200 x 260 cm, klassieke voorbeelden van abstract expressionistisch schilderen. Net als in het werk van de late jaren vijftig zijn hier figuratie en materie met elkaar in balans. Kleur en lijn zijn zelfstandige middelen, er zijn zwarte olijfbomen te zien en lichte heuvels in de verte. Vergeleken met vroeger is er meer rust, meer atmosfeer. De verfbehandeling is virtuoos en gevarieerd, van een onderliggende laag van transparante vegen tot dikke pasteuze streken en diepe krassen. Deze doeken zijn van een ongelofelijke vitaliteit. Weer heel anders maar even imposant zijn een landschap uit 1998 getiteld Lonely House on the Rocks, en het raadselachtige doek From the Inside3 (1997). Ze zijn opgebouwd uit grotere kleurvlakken, helder van toon, met extreme contrasten tussen zwarte en lichte partijen.

Het is bewonderenswaardig hoe de 80-jarige schilder blijft zoeken naar nieuwe mogelijkheden, zonder zichzelf op gemakzuchtige wijze te herhalen. Dat hij daarbij ook gigantische missers maakt is waarschijnlijk onvermijdelijk. Appel barst van levenslust en avontuur.

Karel Appel 80 jaar drie tentoonstellingen. Een overzicht van werk op papier in het Haags Gemeentemuseum, t/m 2 sept. Schilderijen uit de afgelopen 20 jaar in het Stedelijk Museum, Amsterdam, tot 24 juni. Sculpturen 19372000 in het Cobramuseum, Amstelveen, t/m 13 aug.