Het zijn allemaal aliens

Een roman over een schrijver van in de dertig met een zwangere vriendin en een even zonderlinge als opdringerige schoonmoeder plus schoonbroer – wie zit daar op te wachten? Niemand, ben ik bang. Toch heeft Arie Storm zo'n roman geschreven. De ongeborene heet hij, en al meteen de eerste zin lijkt alle hoop de bodem in te slaan dat het banale gegeven een groter belang zal krijgen: `In een bepaalde periode van mijn leven, een kalm leven waarin gewoonlijk niets voorviel – schrijver, nietwaar –, gebeurden gelijktijdig verschillende zaken die, elk apart, nauwelijks van enig belang waren en die, samen beschouwd, geen enkel verband met elkaar hielden.'

Het enige wat de roman zou kunnen redden, is de stijl, die deze toevallige zaken toch nog een suggestie van samenhang kan geven. Ik moet me sterk vergissen, of Arie Storm behoort tot het type schrijvers voor wie het in de literatuur allereerst aankomt op stijl, desnoods ten koste van de inhoud. Over deze kwestie (inhoud versus stijl) worden soms verhitte debatten gevoerd, terwijl het in wezen een schijnprobleem betreft. Ook in een roman die al zijn kaarten op de stijl zet, is de inhoud niet onbelangrijk, al was het maar omdat juist de onaanzienlijkheid daarvan de stijl beter doet uitkomen.

Een roman die echt over `niets' gaat (Flaubert droomde er ooit van) is een onmogelijkheid. Hoogstens kun je je best doen om deze droom te benaderen. In Nederland heeft Gerard Reve dat meer dan eens gedaan; we danken er vele bladzijden vol `gezegend' geoudehoer aan. Zijn voorbeeld heeft navolging gekregen bij jongere schrijvers als Herman Brusselmans, Martin Bril en Herman Koch. En nu dus ook bij Arie Storm, die er in De ongeborene blijk van geeft zijn Reve goed te hebben gelezen.

Helemaal om `niets' (dat bij de religieuze Reve altijd ook `alles' is) gaat het overigens niet bij Storm. Tegen het eind van zijn roman laat hij zijn hoofdpersoon en verteller (die ook Arie Storm heet) opmerken: `De hele kwestie is [...] dat we geneigd zijn om opvallende gebeurtenissen te onthouden en meer alledaagse te vergeten'. Zelf noemt hij het een `dronkenmanswijsheid', maar in een roman die bijna geheel bestaat uit zulke alledaagse gebeurtenissen, is het moeilijk de ironie van zo'n uitspraak over het hoofd te zien.

Wanneer de stijl het primaat krijgt, is de ironie zelden ver weg. Door de banaliteit te ironiseren krijgt deze een literair gewicht dat er in de werkelijkheid aan ontbreekt. Ironie is bovendien de levenshouding bij uitstek van de van zijn métier bewuste schrijver. Zij veronderstelt distantie, vervreemding zelfs, en daaraan heeft Storms hoofdpersoon dan ook geen gebrek.

Als liefhebber van sciencefiction beschouwt hij bijna alle andere medemensen als `aliens' – voorop zijn schoonmoeder en haar slome zoon, die een tijdlang beslag leggen op zijn woning in de Amsterdamse Pijp, om voorbereidingen te treffen voor de komst van de nieuwe boreling. `The invasion of the bodysnatchers' heet een van de hoofdstukken, waarin hun inbreuk op het vrijwel evenementloze leven van de hoofdpersoon en diens lethargische vriendin uit de doeken wordt gedaan.

Storm beschrijft een en ander laconiek en niet ongeestig. Als de schoonmoeder de hoofdpersoon vraagt, terwijl hij aan het schrijven is: `Schiet het al lekker op?', moet je daar om grinniken. Niet minder komisch is het, wanneer zij hem met een vreselijk fragment uit een roman van Anna Enquist (over een bevalling) van advies dient onder het motto: `Misschien kun je er je voordeel mee doen'.

Dat blijkt hij inderdaad te kunnen, want even later volgt een hilarisch hoofdstukje, waarin Storm een vileine `Cursus Enquist-proza' ten beste geeft. Critici en lezers kunnen er volgend jaar hun voordeel mee doen, wanneer Anna Enquist optreedt als schrijver van het boekenweekgeschenk. Storms hoofdpersoon zou deze `cursus' kunnen gebruiken bij de lessen die hij elke zaterdagochtend geeft aan een groepje aspirantschrijvers. Ook allemaal bedreigende `aliens' in zijn optiek, die ten onrechte denken dat schrijven vanzelf gaat, als je maar vertrouwt op je eigen `natuurtalent'.

Storm laat zien dat het niet zo gaat. Wie wil leren schrijven, moet eerst lezen, iets waartoe de leerlingen van zijn hoofdpersoon nauwelijks bereid zijn. Zelf geeft hij het goede voorbeeld door diverse citaten op te nemen van door hem bewonderde auteurs. Stijl is, met andere woorden, een kwestie van vakmanschap, zoals Storm bewijst door allerlei onbenullige anekdotes en observaties in lange reviaanse zinnen tamelijk virtuoos onder woorden te brengen. Terwijl iets wat voor de hoofdpersoon van wezenlijk belang is (de aanranding van een meisje door zijn vader: de reden van hun breuk en wellicht ook de diepere oorzaak van zijn huiver voor het aanstaande familieleven) in een korte flashback wordt afgehandeld.

Het geheel heeft iets van een demonstratie. Voor de leerlingen van de schrijversvakschool, én voor het publiek dat zich massaal uitlevert aan bestsellers vol `maatschappelijk belangrijke, actuele onderwerpen, onderwerpen waarover gedebatteerd kan worden, onderwerpen waaruit een grote mate van gevoeligheid blijkt'. Met De ongeborene heeft Storm, wiens beide vorige romans door datzelfde publiek werden genegeerd, een provocerend tegenboek gepubliceerd, waarin alle maatschappelijke betrokkenheid en emotionele dikdoenerij opzichtig ontbreken.

Tegenover het larmoyante pathos van het `Enquist-proza' is een bewust `banale' roman, mits met vakmanschap en ironie geschreven, beslist een verademing. Maar de literatuur bestaat gelukkig niet alleen uit bestsellers, en ik moet er niet aan denken voortaan nog uitsluitend vakkundige en ironische romans boordevol stijl te lezen te krijgen, die – al dan niet met pedagogisch oogmerk – het alledaagse `niets' tot enige literaire horizon hebben verheven.

Arie Storm: De ongeborene. Prometheus, 201 blz. ƒ31,95

Nederlandse literatuur