Het nut van menging

Onlangs verscheen een aardige bundel onder redactie van Jan Willem Duyvendak en Lex Veldboer, getiteld `Meeting Point Nederland, Over samenlevingsopbouw, multiculturaliteit en sociale cohesie'. De auteurs van de bundel betogen dat er onder beleidsmakers, met name op lokaal niveau, een grote voorkeur bestaat voor `menging': het door elkaar heen wonen, leren, werken en recreëren van autochtone en allochtone Nederlanders.

Zij denken dat die voorkeur gedeeld wordt door Nederlandse burgers. Hun opinie-onderzoek in Rotterdam liet zien dat de gemiddelde Rotterdammer bijvoorbeeld vindt dat er gemengd moet worden gesport. Aparte sportclubs voor Kaapverdianen, Surinamers of Marokkanen zijn hem een doorn in het oog. In de praktijk komt er van die voorliefde voor menging echter niet veel terecht. Beleidsmakers hebben onvoldoende instrumenten om een goed mengingsbeleid te voeren. Waar zij er wel in slagen om een etnisch, cultureel, sociaal-economisch gemengde buurt te creëren leven de verschillende bevolkingsgroepen een beetje langs elkaar heen. Van samen werken aan de wijk en interculturele vriendschap voor het leven is maar zelden sprake. Burgers zijn nauwelijks geneigd hun beleden voorkeur voor menging te praktizeren: als het even kan gaan zij wonen in een wijk met `hun soort mensen', sturen zij hun kinderen naar een school met soortgenootjes en sporten zij in eigen kring. Ikzelf zou op basis van een dergelijke analyse voorzichtig concluderen dat burgers wellicht wat meer gedwongen moeten worden tot menging, en dat beleidsmakers daar wat meer bevoegdheden voor zouden kunnen krijgen, maar Duyvendak en de zijnen gaan een andere kant op. Zij suggereren dat wij die krampachtige voorkeur voor menging los moeten laten. `Laat Turken toch lekker Turks wezen', zoals Trouw (27 april) het formuleert boven een artikel van Duyvendak en Veldboer. Als je er niet in slaagt in praktijk naar je idealen te leven, kun je natuurlijk ook je idealen bijstellen. Laten we dat veronderstelde Nederlandse mengingsideaal daarom eens nader bekijken. Waar komt het vandaan?

Willen we een gemengd land omdat dat een homogeen land is, waarin minderheden niet langer meer als zodanig herkenbaar zijn? Vinden we eigenlijk dat het uit moet zijn met die hoofddoekjes en andere cultuurspecifieke kledij? Is menging een vriendelijk woord voor assimilatie? Vast wel een beetje, maar dat is niet het hele verhaal. De voorkeur voor gemengde wijken, scholen en verenigingen heeft ook te maken met angst voor een nieuwe verzuiling. Ik heb jarenlang colleges moeten geven over de verzuiling en op zeker moment kon ik constateren dat mijn eerstejaarsstudenten geen eigen herinneringen meer hadden aan die tijd. Zij waren niet meer verzuild opgevoed. Hun basisscholen waren niet verwikkeld geweest in een strijd met `openbare stinksigaren' en `katholieke stinkfabrieken' en hun onderwijzers hadden nimmer op licht medelijdende toon uitgelegd wat voor waandenkbeelden er werden verkondigd op de aangrenzende school. Ik geef toe dat ik toen even treurig heb gedacht dat ik nu definitief oud was geworden en dat ik in de toekomst nooit meer door mijn studenten per ongeluk voor een der hunnen zou worden versleten, maar ik heb hun postverzuilde opvoeding verder altijd pure winst gevonden en ik denk vele verzuild opgevoede Nederlanders met mij. De spreekwoordelijke katholieke geitenfokvereniging willen wij niet meer terug, ook niet in een islamitisch jasje.

De voorkeur voor menging hangt voorts samen met wat je zou kunnen noemen, een hang naar sfeerspecifieke criteria. Een sportclub behoor je te kiezen omdat je een bepaalde sport wilt beoefenen op een bepaald niveau, niet omdat je wilt verkeren met mensen van een bepaald kaliber en een bepaalde kleur. Zo interpreteren de auteurs van Meeting Point Nederland hun Rotterdamse respondenten. Een school zou je, naar analogie, moeten kiezen op basis van zijn locatie en pedagogisch-didactisch beleid, niet vanwege de kleur van de leerlingpopulatie. Bij het zoeken naar werknemers zou je ook niet moeten letten op etniciteit of religiositeit, daar moet je letten op vakbekwaamheid. Zelfs bij de keuze van een huwelijkspartner zou je niet moeten selecteren op etnisch-culturele achtergrond, want een partner hoor je te kiezen uit liefde (veel autochtone Nederlanders vinden het dan ook maar niks dat sommige allochtone landgenoten in hun land van herkomst huwelijkspartners zoeken voor hun kinderen). Verschillende criteria voor verschillende sferen des levens en etniciteit hoort eigenlijk in geen enkele sfeer een beoordelings- of selectiemiddel te zijn.

Maar de allerbelangrijkste reden achter het mengingsideaal is, volgens mij, begaanheid met het lot van veel allochtone kinderen. Een paar weken geleden stond er in Elsevier een reportage over twee schoolklassen, een zwarte en een witte. De zwarte klas telde 21 leerlingen en twee meesters. De witte klas had 35 leerlingen en één juf. Praktisch alle witte kinderen kwamen uit een klein gezin, hadden hoog opgeleide ouders, die veelal beide werkten als psychiater, bedrijfsarts, journalist, lerares, kunstenaar of graficus. Vrijwel alle zwarte kinderen kwamen uit grote gezinnen. Hun ouders werkten soms als verhuizer of schoonmaakster, maar de meeste ouders werkten niet. Bijna alle kinderen uit de witte klas gingen doorleren aan het VWO. Bijna alle leerlingen uit de zwarte klas gingen naar het VMBO. Er is natuurlijk niets mis met het VMBO en werkloosheid is iets dat iedereen kan overkomen, maar het is niet goed als kinderen opgroeien in een omgeving waarin zovelen werkloos zijn en zo weinigen er in slagen een wat hoger niveau te bereiken. Kinderen moeten kunnen zien wat er allemaal kan in het leven en de enige manier om dat te bereiken lijkt menging, zowel in de wijk als op school.

Het lijkt mij nog wat te vroeg om het mengingsideaal de deur uit te doen.