Een vaarwel aan Roemenië

Roemenië is het armste van de landen in Oost-Europa die in de rij staan om lid te worden van de EU.

Oana Lungescu meent dat het anders had kunnen zijn als niet zoveel academici naar het Westen emigreerden.

In het vliegtuig naar de hoofdstad Boekarest kwam ik steeds weer terug bij één vraag. Hoeveel van mijn jaargenoten uit 1981 waren eigenlijk in Roemenië gebleven – en hoeveel van ons waren er geëmigreerd? We waren begonnen als een select groepje van vijfentwintig. Een ongewoon kleine groep vergeleken bij de slordige tweehonderd mensen die in voorgaande jaren Engels hadden gestudeerd. Maar in 1977, toen wij toelatingsexamen tot de universiteit deden, was het opeens afgelopen met de kortstondige vrijage van het communistische Roemenië met het Westen.

De Roemeense president Nicolae Ceausescu had besloten dat vreemde talen tijdverspilling waren – het land zou zijn buitenlandse schuld volledig afbetalen en helemaal voor zichzelf gaan zorgen. Het voortreffelijke Engelse instituut dat veel van mijn vrienden en ik in Boekarest hadden bezocht werd haast van de ene dag op de andere veranderd in een scheikundig instituut. Waarom scheikunde? Omdat mevrouw Ceausescu zich als expert in plastics beschouwde. In elk geval ging het mes in het aantal studenten Engels dat tot de universiteit werd toegelaten. En omdat ik mijn werkstuk Roemeense grammatica had verprutst, moet ik bekennen dat ik het begeerde plekje op de universiteit maar ternauwernood wist te bemachtigen.

Toen wij vier jaar later afstudeerden, kregen we van onze docenten te horen dat ze nog nooit zulke goede studenten hadden gehad – maar dat ze ons helaas geen academische loopbaan konden aanbieden. We mochten niet werken in de Roemeense grote steden, waar de universiteiten waren. We konden alleen kiezen uit een officiële lijst met banen in stadjes of dorpen in de provincie. Dus pendelde ik een paar jaar lang als leraar naar mijn school in een bergstadje drie uur verderop. Met in de vuile, onverwarmde forensentrein van vijf uur een hele kudde mede-vertrapten. Het waren de vrouwen die me het meest opvielen. De oude boerin met de zwarte omslagdoek die zeulde met reuzenkoffers vol brood, want dat was er niet in haar afgelegen dorp. De jonge ingenieur – die na een abortus bloedend in het ziekenhuis had gelegen terwijl de openbare aanklager tegen haar schreeuwde: `Je zegt me de naam van de arts die dat gedaan heeft en anders laat ik je hier doodgaan.' Abortus was verboden in een land dat weinig andere voorbehoedmiddelen had en bijna geen eten voor zijn bevolking. Nicolae Ceausescu wilde zijn aantal onderdanen wel vergroten, maar zoals hij alles verknoeide werd ook dat een ramp. Wie niet stemden met hun baarmoeder, stemden met hun voeten.

In 1990, het jaar na de bloedige val van Ceausescu emigreerden er honderdduizend Roemenen. Veel van mijn vrienden en ikzelf waren toen al weg. Maar hoeveel van ons al met al? Aan tafel bij ons twintigjarig-jubileummaal in Boekarest, gingen we eens tellen. Sommigen woonden in Frankrijk en werkten vooral bij internationale organisaties. Sommigen waren getrouwd en naar Engeland gegaan. Eén was in Canada haar eigen IT-bedrijf begonnen en was inmiddels naar Californië verhuisd. Weer een ander leidde het kantoor van de Internationale Organisatie voor Migratie in een Midden-Europese hoofdstad. Eén was docent aan de universiteit geworden en verdeelde haar tijd tussen Duitsland en Roemenië. En weer een ander, die naar Israël was gegaan, had besloten terug te komen en was nu redacteur van een tijdschrift in Boekarest. Van de vijfentwintig uit ons jaar waren er veertien naar het buitenland gegaan. Tien waren er volgens ons gebleven. Eén vrouw had in Roemenië zelfmoord gepleegd.

Toen ik de tafel rondkeek zag ik weinig verschil tussen hen die waren weggegaan en hen die waren gebleven. We waren allemaal wat grijzer, maar elk op onze eigen manier geslaagd. Degenen die in Roemenië waren gebleven hadden ten slotte toch de belangrijke academische posities verworven die twintig jaar geleden voor ons verboden waren. Maar veel van hen goochelden met een aantal banen tegelijk, om de jaarlijkse inflatie van veertig procent de baas te blijven. En toen in het restaurant de rekening kwam, betaalde ik beschroomd mijn dertig dollar, het halve maandsalaris van de Roemeense universiteitsdocent die naast me zat. Maar er was er één onder ons die niet uit Roemenië weg was gegaan, maar ook niet het academische pad had gekozen. Na zijn afstuderen had hij een belangrijke nationale post verworven bij de communistische jeugdbond, waarvan de beschermheer de jongste zoon van Ceausescu, Nicu, was. Hij ziet er nog altijd uit als een gespannen veer. En hij lijkt nog altijd alle kopstukken uit de schimmige Roemeense politiek te kennen – al heet hij op zijn kaartje `commercieel directeur'. Hij heeft een importbedrijf en int forse commissies van buitenlandse investeerders. Het old boys' network werkt kennelijk nog steeds. En wat had een ambitieuze jongeman anders gemoeten in die twintig jaar waarin Roemenië is omgezwaaid van een strenge politiestaat naar een verwarrende mengelmoes van gewelddadige protesten, mislukte hervormingen en verloren hoop?

Te midden van de roze en witte voorjaarsbloesem in Boekarest vroeg ik me af hoe anders mijn leven zou zijn geweest als ik was gebleven – en hoe anders Roemenië zou zijn geweest als zovelen van ons niet waren weggegaan. Er zijn geen eenvoudige antwoorden – en zelfs de antwoorden waarmee we genoegen nemen zijn misschien wel onjuist. In de jaren vijftig hebben de communisten een hele generatie Roemenen opgesloten of vermoord. In de jaren tachtig is een andere generatie afgehaakt en in zelfopgelegde ballingschap gegaan. Nog altijd emigreren er maar liefst tienduizend mensen per jaar. Bedenk eens tegen welke prijs.

Oana Lungescu is Roemeense en BBC-correspondent in Brussel.