Een junkie uit de dubbelmonarchie

Georg Trakl, een geniale dichter van duistere gedichten, wanhopig en verslaafd aan verdovende middelen, verliefd op zijn zuster. Dit is de tweede aflevering van een serie waarin Benno Barnard de 20ste-eeuwse dichtkunst bereist.

Een eeuw na Heinrich von Kleist en Friedrich Hölderlin kreeg het nachtdronken, in het absolute zwelgende, door demonen omfladderde romantische Germanendom zijn definitieve gezicht dat van Georg Trakl.

Op alle foto's drukt die stenen kop hetzelfde uit, levensangst, wanhoop, pathologie... maar ik weet welk lot hem was beschoren, dus zie ik zijn biografie. In elk geval staan zijn ogen star, vormt de mond een smartelijke boog en is de titanische neus opengesperd alsof hij elk moment in paardengebries kan losbarsten. Meestal heeft hij een stijve boord om, of anders drukt de kraag met de twee sterren van de k.u.k. Medikamenten-Akzessist zijn mollige kin omhoog, want zo hield hij in 1914 op met leven, als surnumerair legerapotheker. Op oudere foto's draagt hij nog lang haar, later wordt dat een broskuif kenmerkend voor de overgang van de belle époque naar de barbarij, misschien. Heel soms kun je hem betrappen op een tiende van een glimlach; overigens is hij verstard tot zijn eigen schrikbeeld.

Hij was een tijdgenoot van Kandinsky, Apollinaire, Schönberg, Kokoschka, Adolf Loos; van abstractie, atonaliteit, kubisme en de ontmaskering van het ornament als iets misdadigs. Toen hij stierf, zevenentwintig jaar oud, liet hij een tweehonderdtal verzen na, die gewoonlijk tot het expressionisme worden gerekend. Beter is het te zeggen dat de visuele elementen in zijn poëzie veelal `geordend' zijn op de manier van de moderne schilderkunst. Maar zijn taalmuziek, die bedwelmende ritmen, opwellend uit de keel van de merel, geproduceerd door de `wilde orgels van de winterstorm' – dat is de school van Hölderlin. En ook zijn meest apocalyptische koortsdromen grijpen plaats in een wereld van ouderwetse woorden, nacht, ziel, engel, herfst et cetera, in een negentiende-eeuws semantisch veld, om zo te zeggen – zelfs de slag bij Grodek, een maar al te echt visioen, heeft in het gedicht `Grodek', zijn zwanenzang, ondanks de gruwelen nog iets bizars-behaaglijks, met preïndustriële soldaten die `Krieger' heten en geen machinegeweren, maar `dodelijke wapens' hanteren, alsof de overlevenden hun zwaard straks in de schede steken om gulden sporen te gaan verzamelen.

Wat een vreemde gedichten heeft deze Trakl geschreven! Wittgenstein begreep ze niet, maar hoorde er de `toon van waarlijk geniale mensen' in – ze gaan dan ook over datgene waarover filosofen moeten zwijgen. `In ein altes Stammbuch' (In een oud album), een vroeg gedicht, dat zelfs voor een wijsgeer te snappen is, suggereert in de tweede en derde strofe wat dat datgene zou kunnen zijn:

Demutsvoll beugt sich dem Schmerz der

Geduldige

Tönend von Wohllaut und weichem Wahnsinn.

Siehe! es dämmert schon.

Wieder kehrt die Nacht und klagt ein

Sterbliches

Und es leidet ein anderes mit.

(Nederig nijgt voor de smart de geduldige, zangerig klinkend en week van waanzin. Kijk toch! het schemert al. Weer komt terug de nacht en klaagt een sterfelijk iets en iets anders en eenders lijdt mee.)

Ja, Trakl was bepaald een genie – al zou je ook kunnen stellen dat hij knettergek was en goeddeels wartaal uitstiet, psychotische klankenreeksen zonder veel samenhang, waaromheen de studies zich maar blijven ophopen, zo'n drieduizend inmiddels ... en dat terwijl de eenvoudigste sonate meer muziek, de eerste de beste krant meer informatie te bieden heeft!

Wer mag er gewesen sein?' vroeg Rilke zich in 1915 af, nog helemaal `ontroerd, verwonderd, gissend en radeloos' van Sebastian im Traum, Trakls postuum verschenen tweede bundel.

Heeft de biografie in het geval van deze absolute kunstenaar wel belang? Biografieën zijn altijd belangwekkend voor wie in het leven geïnteresseerd is – zeker de biografie van een begaafde opiatenslikker die het bed met zijn zuster deelde. Ook de ontwikkelden onder ons zijn al dan niet openlijk verzot op het vlees en bloed van de anekdote, die zich achter het kunstwerk pleegt te verschuilen als Polonius achter het wandtapijt. Alleen hormoonlozen en platonisten bestuderen het weefsel en negeren de bobbel.

De Poloniusbobbel van Trakl, een schizofreen, was zijn eigen onmogelijke ik, dat hem in zijn kunst allengs meer begon tegen te staan, precies zoals het `in het echt' zijn pogingen vergiftigde om gewoon, burgerlijk te leven in die zo benijdenswaardige dubbele operette?

Oostenrijk-Hongarije. In 1911 was het gedicht `Klagelied' (aangetroffen in de nalatenschap) de tapisserie waar hij à la Hamlet zijn zwaard doorheen stak: hij bewerkte het tot een `objectief', ik-loos ding. Aan zijn jeugdvriend Erhard Buschbeck schreef hij: ,,Het is veel beter dan het oorspronkelijke, want nu is het onpersoonlijk. Ik ben ervan overtuigd dat het je in deze universele vorm meer zeggen zal...Maar neem van me aan dat het me niet licht valt en ook niet zal vallen om me onvoorwaardelijk aan het te-scheppen-object (dem Darzustellenden) te onderwerpen.'

Aha.

De lyriek van Trakl is antithetisch, paratactisch, pseudo-referentieel, allemaal tot uw dienst (deze termen overwoekeren alle commentaren). Ze is caleidoscopisch en abstraherend, wat u zegt. Maar hoewel ze uit de pen is gevloeid van iemand die de belijdenislyriek heel bewust schuwde, is Trakls verskunst onmiskenbaar door iemand gemaakt, en niet door iemand anders. In de canon van zijn werken (Die Dichtungen) ligt het zenuwstelsel van de dubbelmonarchie bloot, maar daar was wel de wirwar van het zijne voor nodig.

Dus.

Het ik van Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren, Waagplatz 1a, op tweehonderd meter van Mozart. Zijn verwekker was een welgestelde ijzerhandelaar, liberaal, bonhomme; de moeder een neurasthenische, aan opium verslaafde antiekverzamelaarster, die zich soms dagenlang terugtrok tussen haar snuisterijen en de opvoeding van haar kinderen grotendeels aan een Franse gouvernante overliet.

Georg was nummer vijf. De oudste broer stamde uit een eerder huwelijk van zijn vader. Er volgden nog een broer en een zus. De laatste, Grete, vier jaar jonger, werd zijn lieveling.

Dankzij de toegewijde Mademoiselle spraken de jongste Trakls onderling haast uitsluitend Frans; dankzij het Frans ontdekte Georg in zijn puberteit Baudelaire, de symbolisten, Huysmans, Rodenbach, Maeterlinck, later ook Rimbaud, wiens `beredeneerde ontregeling van alle zintuigen' zijn eigen zintuigen nog erger ontregelde dan ze van nature al waren... Maar aanvankelijk waren er de Franse kinderbladen, en Karl May, en de pianolessen van alle zes, het enige aspect van hun vorming waar de uiterst muzikale Frau Trakl permanent aandacht voor had Grete zou het zelfs tot het conservatorium brengen.

Voll Früchten der Hollunder; ruhig wohnte die

Kindheit

In blauer Höhle. (...)

Zo begint `Kindheit', met een vlierstruik en een klankverwante blauwe holte die weer Hölle oproept, hel; maar een blauwe holte is natuurlijk ook een prenatale ruimte. Hoe ongelukkig was Trakls kindertijd, met een dergelijke moeder, opgesloten in haar boudoir en zichzelf? Honderd jaar later, in de wetenschap van narcotica, geestesziekte, incest, twee zelfmoorden (of anderhalve) en een miskraam als enige vrucht van die hele Sound of Music-troep (de familie is sinds 1973 uitgestorven) – een eeuw later dus ben je geneigd te denken dat die arme jongen is opgegroeid in een krankzinnigengesticht in de vorm van een gezin, met Liszt en Brahms als bezigheidstherapie. Maar heel Oostenrijk was een beetje een gekkenhuis.

Van 1897 tot 1905 bezocht Georg het humanistische Staatsgymnasium, waar hij met Erhard Buschbeck zo'n typische dweperige schooljongensvriendschap sloot, in de stijl van anno dazumal – tot de noodzakelijke attributen behoorden Nietzsche, plechtstatig woordgebruik, slechte gedichten van eigen makelij, bovenliptrijp en verboden sigaretten.

In 1904 werden ze beiden lid van de dichterskring Apollo, later Minerva gedoopt. (Een van de poètes van deze bent zou het maudit-zijn tot een summum voeren door zichzelf te ontmannen. Kom daar tegenwoordig eens om!) Georg begon te zwelgen in zelfmoordpraatjes. Zijn mond zag steevast geelbruin, want hij bestreek zijn sigaretten met een opiumoplossing. Soms werd hij in een toestand van chloroformbedwelming ergens op de Kapuzinerberg of ook wel gewoon op de canapé thuis aangetroffen.

Hij was achttien toen hij zonder diploma van school werd verwijderd. De enige studierichting die voor hem openstond was farmacie. Het daaraan voorafgaande practicum van drie jaar bracht hij in een Salzburgse apotheek door, Zum Weissen Engel geheten, een nog steeds bestaande kelder vol bruine stopflessen. Zelden is een kat bij zoveel spek tegelijk gezet als de volontair Trakl: hij had evengoed in een opiumkit kunnen gaan werken.

Bij de narcotica kwam de wijn en bij beide de drang om de bourgeoisie te apateren. Hij pommadeerde zijn haar, liet koteletten staan en bezocht samen met de beter gesitueerde bohème van zijn leeftijd demonstratief de bordelen in de Judengasse in die tijd was het in Trakls milieu vrijwel onmogelijk om op een `natuurlijke' manier met het flauwvallende geslacht om te gaan. Dubbele monarchie, dubbele moraal: hoerenlopen was ook een bevredigende methode om Karl Kraus te eren, die in Die Fackel het hele keizerlijke-en-koninklijke filisterdom tegen zich in het harnas joeg een Komrij, maar dan met een tegenstander.

Hij schreef neoromantische rommel en twee mislukte toneelstukken.

Hij werd verliefd op zijn zus.

Diezelfde opengesperde neus, diezelfde neerslachtige mond op de enige duidelijke foto van de volwassen Grete die ik ken. Opnieuw die niet uit te gummen schaduw van de biografie: ik weet hoe het met haar is afgelopen.

Over de incestueuze relatie van Georg en Grete is weinig bekend. Als pubers fantaseerden ze over later, zijn carrière als dichter, de hare als pianiste; en zo, terwijl hun blauwe hol in een luchtkasteel veranderde, zouden ze ook fysiek steeds intiemer zijn geworden. Vervolgens, in 1908-1909, verbleven ze allebei in Wenen, dieser Dreckstadt, waar zij piano studeerde en hij farmacie; aan hun zuster Hermine schreef Georg daarvandaan dat hij `de demonen in (zijn) bloed hoorde huilen', tot de `oneindige welluidendheid (Wohllaut)' ze weer bedaarde.

In dat beetje later van ze, toen zij, getrouwd met een man die per definitie de verkeerde was, in Berlijn woonde, schijnen ze elkaar veel geschreven te hebben. Het getuigt natuurlijk van een afschuwelijke smaak, maar ik zou die correspondentie dolgraag onder ogen krijgen – alleen zijn de brieven hoogstwaarschijnlijk door de nabestaanden vernietigd. (Ik wed dat ze in een met Duitse kreetjes doorspekt Frans waren gesteld, want de woordenschat van Mademoiselle zal wel niet voor alle details hebben volstaan. O, de, eh... semantische organisatie van dit geheime proza zou me buitengewoon boeien!)

Grete biechtte hun liefde na Georgs dood aan Ludwig von Ficker op (over wie dadelijk meer). Georg heeft zich nooit rechtstreeks over de kwestie uitgelaten. Georg ontsloot voor zijn zuster wel de kunstmatige paradijzen in Wenen ook zij raakt ongeneeslijk verslaafd. Georg zou in de canon van zijn `onpersoonlijke lyriek' wel 21 keer een zuster opvoeren (die Schwester), en in het nagelaten werk nog eens 39 keer.

Paleizen, gebeeldhouwde fonteinen, mondain provincialisme, tot leven gewekte partituren alom en dan dat in Midden-Europa pandemische okergeel, alsof het verdwenen rijk van Franz Jozef veel liever Oostenrijk-Hepatitis had willen heten – ziehier de bonbondoos genaamd Salzburg, omringd door de Kapuzinerberg en zijn zusters.

Op Witte Donderdag, onder een hemel van witgrijs vloeipapier, wandel ik langs de snelstromende Salzbach, over een promenade met lindebomen, waaronder stapels terrasstoelen nog nadruppelen van de laatste regenbui. Ik steek de rivier over, ga onder een poort door: op een klein vierkant plein verdringt zich een menigte voor het geboortehuis van Mozart en uit hun midden stijgt een heel madrigaal van Japanse vocalen op, lamentoso. Ik vlucht de Judengasse in, die naar de Waagplatz leidt.

Wonderlijk Salzburg! Een fantastische muizenval, en niet alleen voor het gele ras waar drie hoogtepunten van het Deutschtum elkaar ontmoeten, want driehonderd meter van het onverdiende geschenk aan de mensheid staat de Knabenschule waar Albert Einstein in 1909 voor een gezelschap van fysici en artsen zijn speciale relativiteitstheorie geopenbaard heeft. En behalve een muizenval ook een synesthesiemachine, een mixer van zintuiglijke impressies: dit indrukwekkende provincienest ruikt naar koffie, smaakt naar gebak, ziet oker, groen, blauw, rood, zilver en goud, en klinkt vanavond in Schloss Mirabell zoals het eerste pianotrio van Mendelssohn, want voor dat concert heb ik een kaartje weten te bemachtigen... Niet verbazingwekkend dan, dat een zoon van dit Salzburg zich zo aangetrokken voelde tot de synesthetische technieken van Rimbaud, dat zijn ritme zo ongehoord muzikaal is en zijn kleurgebruik zo krachtig. In een brief aan Buschbeck, uit 1910, maakt hij gewag van zijn `beeldende manier, die in vier versregels vier afzonderlijke facetten van het beeld tot één enkele indruk samensmeedt'; hij schrijft dat naar aanleiding van `Der Gewitterabend' (De onweersavond), een vroeg gedicht, met een beschaafd metrum en dito eindrijm, waarvan het slotkwatrijn als volgt luidt:

Kranke kreischen im Spitale.

Bläulich schwirrt der Nacht Gefieder.

Glitzernd braust mit einem Male

Regen auf die Dächer nieder.

(Zieken schreeuwen in hospitalen. Blauwig suizen de veren van de nacht. Glinsterend ruist een plotselinge regen op de daken neer.)

Juwelen van regels (in het Duits welteverstaan), geluid met kleur mengend, expliciet in dat blauwige suizen van de regenpijlen, dat mede zo sinister `werkt' dankzij de Latijnse mogelijkheid die het Duits biedt om Gefieder zonder lidwoord na de genitief van Nacht te plaatsen. En die eerste regel! Als je weet hoe Trakl aan zijn einde is gekomen, huiver je, en anders ook.

Inspireerde het lieftallige Salzburg, waar regen een pizzicato uit het rococo is, hem, Trakl, tot dergelijke sombere verzen? Los van het feit dat dit gedicht waarschijnlijk uit Wenen stamt, zit het geloof ik zo: van binnen zijn Trakls verzen van de dood, maar van buiten zijn ze van het leven. Hun inhoud is Hades en hun vorm Habsburg.

In `Frühling der Seele' (Lente der ziel) staat deze choquerende formulering, een halve versregel maar:

Es ist die Seele ein Fremdes auf Erden. (..)

Iets vreemds op aarde, een Fremdkörper, een vreemd lichaam, die ziel van ons, ook in het bekoorlijke Salzburg (waar je wel een strik omheen zou willen doen). Een Japanner op bezoek bij Mozart, die niet thuis is.

Waagplatz 1a: een eeuwenoud, vier verdiepingen tellend, uit vele appartementen bestaand gebouw, met een gevel in een besluiteloos groen, talmend tussen mosterd en pistache, en een grote Hof, een betegelde binnenplaats waar een droogstaande waterput gaapt. Via een buitentrap en een zestiende-eeuwse, met arcaden verluchte gaanderij (alles overgerestaureerd, de authenticiteit prijsgegeven aan de Oostenrijkse praalgravenobsessie) kom ik op de eerste etage, Trakl-zijde, waar de deur naar het verleden al openzwaait – de universele beschermengel van dode schrijvers en breekbaar porselein werkt ook hier en verwelkomt me namens de Georg-Trakl-Forschungs-und Gedenkstätte (we hebben elkaar al over de telefoon gesproken). Het museum annex onderzoekscentrum staat onder leiding van professor Hans Weichselbaum, auteur van een zeer informatieve en overvloedig geïllustreerde biografie, Georg Trakl (1994), die ik op mijn hotelbed heb liggen lezen. De hoogleraar is zelf niet aanwezig, maar als ik vragen heb? Ze baadt werkelijk in kristalheldere vreugde om mijn komst. Zal ik haar zeggen dat ze in de cottage van Wordsworth en het tuinhuisje van Flaubert haar kop ook al niet kon houden? Maar haar Duits, met zijn weke tweeklanken en schouwburg-erren, is zoet als sachertaart – en ik vraag me opeens af hoe de stem van Trakl zou hebben geklonken, of beter gezegd hoe zijn gedichten uit zijn eigen mond zouden hebben geklonken...

Ik wikkel me voorzichtig uit haar toewijding los, ze zakt weg achter haar bureautje in de kleine vestibule, met iets droevigs om haar mond, alsof ze even op de Grote Schim probeert te lijken – en ik schutter het eigenlijke appartement binnen, dat uit vijf kamers bestaat en aan de achterkant uitkijkt over de Salzbach, ter hoogte van de Rudolfkai. Hier heeft Trakl dus tot zijn zevende gewoond, toen verhuisde de familie van de claustrofobie naar de grandeur, een herenhuis om de hoek, Waagplatz 3, dat voor traklianen helaas niet toegankelijk is. Ik kijk om me heen in de modern ingerichte bibliotheek. In een zijvertrek springt een diavertoning aan, begeleid door een strijkkwartet: een minibiografie, smaakvol maar nietszeggend, die me dwingt, in het schootsveld van haar geestdrift, een halfuur welopgevoed te zitten wezen.

In de boekenkasten staan vertalingen in dertig talen, waaronder het Japans. Bij hollän enkele bibliofiele editietjes en twee uitgaven die ik ook bezit, Het zwijgen in de steen, vijftig pagina's poëzie plus een kort essay, een heldhaftige poging van Huub Beurskens uit 1981 om Trakl een Nederlands publiek te bezorgen, en Gedichten, een tweetalige uitgave van vijftien gedichten, vertaald door Frans Roumen en omringd met een ware borstwering van geleerdheid door Rob van Erkelens, uit 1990. Bij fläm fotokopieën van enkele losse vertalingen uit de jaren zeventig, onder meer van Hubert van Herreweghen... maar Vla?!

De conservatrice reageert bedremmeld op mijn vriendelijk geformuleerde berisping: ,,Herr Professor is er niet vandaag. Wat vervelend nu...'

Ik, veranderd in mijn wijsvinger: ,,Misschien wilt u zo vriendelijk zijn hem er toch even op te wijzen?'

Zij, blozend: ,,Natuurlijk. Het spijt me heus.'

Ik, hopeloos Hollan: ,,Dit is tenslotte een wetenschappelijke instelling.'

Zij, klein: ,,Er forscht, ich führe nur...'

En terwijl de hooggeleerde Weichselbaum onderzoek verricht, leidt die engelachtige Fräulein mij rond in de woonkamer, waar tussen het zware oorspronkelijke barok- en biedermeier-meubilair (door Georgs zuster Maria, het langstlevende Trakl-kind, in 1973 aan het museum nagelaten) een afstotelijk zelfportret hangt, een rood, verwrongen, clownesk hoofd, expressionisme-achtig, Kokoschka-achtig. Het is geen gezicht, maar het is wel Georg Trakl. Hij kende Kokoschka uit Wenen, declameerde wel eens gedichten in zijn atelier en schilderde eind 1913, in een web van paranoia en hallicunaties gevangen, dit portret van zijn eigen junkiesmoel. Hij die het onpersoonlijke, autonome gedicht in de Duitstalige literatuur introduceerde, moet zijn kapotte ego wel vol horreur in de spiegel hebben bestudeerd... In diezelfde periode schreef hij niet voor niets aan Ludwig von Ficker, de uitgever van Der Brenner (een blad waarin hij veel publiceerde) en zijn laatste vriend (al bleef hij een u): ,,O mijn God, welk een gericht is er over mij gekomen. (...) Zegt u mij dat ik niet waanzinnig ben. Er is een stenen duisternis over mijn leven gevallen. O mijn vriend, hoe klein en ongelukkig ben ik geworden.' Gericht: een zenuw-, alcohol-, cocaïne-, identiteitscrisis. Het kan niet anders of Trakl hoorde hoe dit eindtijdwoord langs neurologische weg een welbepaald rijm opriep.

Midden in de kamer staat een vitrine, met daarin de gebruikelijke schrijversparafernalia, het zwemdiploma, de gezinskiekjes, de kroontjespen, en ook voorbeelden van zijn handschrift, dat totaal onleesbaar is, schokkerige, abnormale hanenpoten, die herinneren aan seismogrammen. Het handschrift van Grete is even getikt. (Hij was overigens erg gecharmeerd van typemachines, waarschijnlijk omdat ze zijn gotiek overwonnen; volgens de immer vorsende Weichselbaum heeft hij er elf verschillende geprobeerd.)

En dan vestigt de Fräulein mijn aandacht op een groen metalen plaatje, verroeste schroefgaatjes, 15 x 30 cm.: de Grabtafel Georg Trakls vom Krakauer Militärfriedhof blijkens een kaartje. Op dit koekblikdeksel staat in ontrakliaanse krulletters: ,,Hier ruht Herr Georg Trakl', gevolgd door zijn data en een R.I.P.

Hoe is hij nu precies onder die plaat terechtgekomen, in een uithoek van het oude Oostenrijk (die nu Polen is)?

In 1910 stierf zijn vader. Grete trouwde en verhuisde naar Berlijn. Ondanks zijn steeds erger worden verslavingen en zijn onvermogen om een modaal liefdesleven te leiden, studeerde hij op schema af. Hij nam een jaar dienst als vrijwilliger, werkte eind 1911 weer even in Zum Weissen Engel, werd apotheker van een garnizoenshospitaal in Innsbruck, liet zich na een paar maanden overplaatsen naar de reserve, wist zich geen raad.

Toen was het 1912, het jaar waarin hij Ludwig von Ficker leerde kennen, maar ook Karl Kraus, Adolf Loos, Oskar Kokoschka (ik betrap mezelf op de neiging ieder jaar afzonderlijk te noemen, alsof ik het einde daarmee kan vertragen). Zijn debuutbundel Gedichte verscheen, met het ontzagwekkende `Psalm', dat aan Kraus is opgedragen zijn eerste compromisloos `moderne' gedicht, waarin het al stinkt naar twintigste eeuw:

In der Düsternis des alten Asyls verfallen

menschliche Ruinen.

Die toten Waisen liegen an der Gartenmauer.

Aus grauen Zimmern treten Engel mit

kotgefleckten Flügeln.

Würmer tropfen von ihren vergilbten Lidern.

(In de duisternis van het oude asiel vervallen menselijke ruïnes. De dode wezen liggen bij de tuinmuur. Uit grijze kamers komen engelen met drekgevlekte vleugels. Wormen druipen van hun vergeelde oogleden.)

In 1913 had hij het in een brief aan Von Ficker over zijn zondige karakter, een heel mea culpa, in een Kerk-Latijn dat ons haast aanstootgevend in de oren klinkt: ,,Ik zie reikhalzend uit naar de dag waarop de ziel in dit onzalige, door zwaarmoedigheid verpeste lijf niet meer zal willen en kunnen wonen, waarop ze deze karikatuur van drek en verrotting zal verlaten, die een maar al te getrouw spiegelbeeld van een goddeloze, vervloekte eeuw is.' En hij vervolgde met een soortement gebed: ,,God, één enkele vonk van zuivere vreugde – en de redding was daar; liefde – en de verlossing was daar.'

In maart 1914 reisde hij naar Berlijn, waar Grete maar tenauwernood een miskraam had overleefd. Hij ontmoette er de joodse dichteres Else Lasker-Schüler, die zijn belangstelling voor alcohol en godsdienst deelde, en met wie hij over het tweede verhitte gesprekken voerde, vollopend met het eerste.

Hier dringt een uitweiding zich op. De vraag is vaak gesteld of Trakl `christelijk' was, en in hoeverre zijn dichtwerk in dat licht zou kunnen worden gelezen. De antwoorden in de mij bekende commentaren zijn op het gênante af door de levensbeschouwing van de commentator ingegeven: de gelovige begroet de medegelovige, de humanist zijn broeder, en de postmodernist iemand die ook niks vindt.

Zeker is dat Georgs vader de Augsburgse confessie was toegedaan en zijn kroost protestants opvoedde. Maar de brave Mademoiselle was katholiek en stak haar geloof niet onder stoelen of banken. Geen wonder dus, dat het rijmende, vijfvoetige `Menschheit' aldus eindigt:

Gewölk, das Licht durchbricht, das Abendmahl.

Es wohnt in Brott und Wein ein sanftes

Schweigen

Und jene sind versammelt zwölf an Zahl.

Nachts schrein im Schlaf sie unter

Ölbaumzweigen;

Sankt Thomas taucht die Hand ins

Wundenmal.

(In vertaling van Frans Roumen wordt dat: ,,Wolken, waar licht door breekt, het avondmaal./ Er woont in brood en wijn een teder zwijgen/ En al die twaalf verzameld in een zaal./ 's Nachts, slapend, schreeuwen zij. Olijfboomtwijgen;/ Sint Thomas voelt de wonden nog een maal.')

In een discussie met de filosoof Carl Dallago, boven een soupeetje ten huize van von Ficker, kort voor zijn bezoek aan Berlijn, zou Trakl het protestantse christendom omhelsd en zijn vroegere held Nietzsche verloochend hebben. In elk geval doet dat tere zwijgen in de elementen brood en wijn denken aan Luthers opvatting van Christus' aanwezigheid in het avondmaal (`zoals hitte het ijzer doorgloeit'), dus met de Augsburgse consubstantiatieleer zat het wel goed in die Sint Thomas herkennen we dan weer de hand van Mademoiselle.

Was hij `christelijk'? ,,Sie kennen das Böse nicht!' moet hij tegen Dallago hebben gezegd en ongetwijfeld is het Boze de kern van zijn dichtwerk. Dostojevski, Kierkegaard, coke, Veronal, schizofrenie, depressie, Grete (,,Die fremde Schwester erscheint wieder in jemands bösen Träumen' staat er midden in `Psalm'), de wereldgeschiedenis: alles vrat aan hem, een gespletene uit een dubbele monarchie, die net als hij op het punt stond uit elkaar te vallen. Alles was zijn schuld, zijn schuld, zijn grote schuld.

`Christelijk' dus? Maar uit zijn gedichten spreekt dan weer weinig vertrouwen in de verlossende `godvent' (de term is van Esther Jansma); hij noemt Van Nazareth niet eens, als ik me niet vergis. Het woord God daarentegen duikt meer dan eens op. Slechte stijlfiguur? Lichtjes gekerstende Wodan?

In januari 1914 klaagde hij zijn nood in een brief aan zijn vriend Karl Borromaeus Heinrich: ,,(mij) blijft enkel de wens over dat er een onweer losbreekt en dat het mij reinigt of vernietigt. O God, door hoeveel schuld en duisternis moeten wij heen.'

Op 28 juli ging zijn wens in vervulling: op die dag verklaarde Frans Jozef de oorlog aan Servië. De reservist Georg Trakl meldde zich vrijwillig en veranderde in de k.u.k. Medikamenten-Akzessist Trakl Georg van het Feldspital 7/14. Weinige dagen voordien had hij van een anonieme mecenas 20.000 kronen ontvangen, dankzij bemiddeling van Ludwig von Ficker maar toen hij in diens gezelschap een deel van het geld wilde opnemen, vluchtte hij hevig transpirerend het bankgebouw uit. De weldoener was Wittgenstein.

Op 24 augustus werd Trakl op transport gesteld. Von Ficker deed hem uitgeleide op het station van Innsbruck. Bij die gelegenheid zei Trakl dat `geen gedicht een schuld (kan) verzoenen'. Op zijn sjako wiegde een bijna spookachtige anjer, aldus von Ficker in zijn memoires.

Zijn regiment werd in Galicië gestationeerd en tussen 6 en 11 september in de slag bij Grodek/Rawa-Ruska ingezet. De Oostenrijkse lijken vormden een stapel van tien lagen; Trakl moest zonder verdere medische bijstand gedurende twee dagen negentig zwaargewonden verzorgen; buiten bungelden de collaborateurs aan de bomen.

Op de aftocht uit dit Danteske decor wilde hij zelfmoord plegen, maar een paar kameraden slaagden erin hem zijn dienstpistool te ontfutselen. Zijn superieuren interpreteerden zijn gedrag als kenmerkend voor dementia praecox. Op 7 oktober werd Trakl ter observatie op de psychiatrische afdeling van het garnizoenshospitaaal in Krakau opgenomen. De trouwe von Ficker bezocht hem daar op 24 en 25 oktober; Trakl beklaagde zich er tegen zijn genius over dat hij te velde zo bloedweinig (blutwenig) geschreven had (ibidem) en las hem twee nieuwe gedichten voor, `Klage' en `Grodek'. Of hij nog verdovende middelen in zijn bezit had? Glimlach. Nee echt, als apotheker, zegt u nu zelf, zou ik anders nog in leven zijn?

Op 3 november nam hij een overdosis cocaïne.

Karl Kraus schreef dat Trakl `met het goddelijke' had gevochten. Else Lasker-Schüler vergeleek hem in een van haar drie in-memoriam-gedichten met Martin Luther (Trakl als poëziehervormer?) en noemde zijn verzen `Singende Thesen'. Grete Langen-Trakl schoot zich in 1917 een kogel door het hart — volgens sommige bronnen op 21 november, de datum van de romantische dubbelzelfmoord van Heinrich von Kleist en Henriette Vogel.

Zelf werd hij in 1925 nabij Innsbruck opnieuw ter aarde besteld.

Trakl zuigt het postmodernendom aan als Mozart Japanners die gedachte begint mij vaag te hinderen wanneer ik prentbriefkaarten koop in Shirt Shop zum Mozart en de wereld buiten voorbij zie trekken, gekleed in t-shirts van universiteiten die niemand onder de passanten heeft bezocht. Deze kosmopolieten dragen ook het soort petjes dat onmiddellijk verboden zou moeten worden, behorende bij een sport die niemand onder hen speelt – ik voel een grote warmte als Oostenrijk onder een jagershoedje-met-een-veer langs komt.

Die Trakl... hij is ingelijfd door een filosofie die het onpersoonlijke in de kunst propageert en de versplintering van het ik predikt, maar zelf een en al ego is. Intussen schreeuwt dat hele dunne oeuvre van hem om moraliteit, menselijkheid, goedheid woorden die door Nietzsche en Freud en hun verschrikkelijke epigonen onklaar zijn gemaakt. Het krijst als een gek in een inrichting, vlak voor het onweer losbreekt maar de gek heeft het timbre en het ritmegevoel van Georg Trakl, die zijn stellingen zingt in het donkerst denkbare Duits:

Es schwankt der Schwester Schatten durch den

schweigenden Hain,

zu grüssen die Geister der Helden, die blutenden

Häupter...

(Wankelt de schaduw van de zuster door het zwijgende woud, om te begroeten de geesten der helden, de bloedende hoofden...)

Voor de zestigste en allerlaatste keer roept Trakl hier, midden in `Grodek', zijn zuster aan met een drievoudige schw-klank, gevolgd door een dubbele alliteratie, en een schwung van jamben en amfibrachen die eenvoudig bedwelmend is. Dit Duits lijkt wel een andere aggregatietoestand van eikenhout. (Duits! Die taal waarvan de dommeren onder ons menen dat ze zo onwelluidend is – in het dappere Holland min of meer een politiek standpunt en overigens precies hetzelfde vooroordeel waar Mozart mee af te rekenen kreeg toen hij voor het eerst een operalibretto in zijn moedertaal gebruikte.)

Trakl wandelt mee naar mijn hotel. Ik sla een straat met gele huizen in, die de Kapuzinerberg als achterdoek heeft. Sinds de dagen van felix Austria, het gelukkige Oostenrijk, is hier niets veranderd, behalve alles natuurlijk. En voor de schaduw van mijn broeder citeer ik wat Hölderlin wist:

Denn schwer ist zu tragen

Das Unglück, aber schwerer das Glück.