Duitslands gevoelige plekken

In Duitsland staat geen standbeeld van hem, zoals Abel Herzberg vreesde. Maar de schaduw van Hitler hangt nog steeds over de Duitse houding tegenover het verleden. Het einde van de geschiedenis is nog lang niet in zicht.

In 1954 vond het kabinet-Drees, bang voor te veel vrije dagen, dat de bevrijding voortaan maar op Koninginnedag gevierd moest worden. Wel kreeg iedereen de gelegenheid op 5 mei een snipperdag te nemen. Negen literaire en culturele tijdschriften protesteerden gezamenlijk tegen deze degradatie van 5 mei tot `Nationale snipperdag'. De eerste chroniqueur van de jodenvervolging in Nederland, Abel J. Herzberg, hield een pleidooi voor het behoud van 5 mei als `dag van herinnering' en vooral als scherpe markering van de scheiding `tussen wat mag en wat niet'.

Erg optimistisch was Herzberg intussen niet: `Ik ben bang, dat de dag niet meer zo ver is, waarop ergens in Duitsland het eerste standbeeld zal worden onthuld van Adolf de Grote en dat de wereld dat zal begrijpen en toestaan.' Hoe knap Herzbergs analyse van de sociologische mechanismen achter antisemitisme en jodenvervolging ook was, wat de herinnering aan de oorlog betreft heeft hij toch geen gelijk gekregen. De viering van Bevrijdingsdag zou weliswaar nog vaak ter discussie staan, maar juist de oorlog zelf kreeg steeds meer die kwaliteit van moreel sjibbolet die hij eraan had willen toekennen. En in Duitsland staat nog steeds geen standbeeld van Adolf de Grote.

Hitler ontbreekt zelfs in het zojuist verschenen eerste deel van Deutsche Erinnerungsorte, waarin Etienne François en Hagen Schulze het door Pierre Nora uitgevonden historiografische concept `lieu-de-mémoire' loslaten op Duitsland. Maar al is Hitler dan de grote afwezige, zijn schaduw hangt over dit boek net als over de voorbije eeuw. Die is het `Deutsche Jahrhundert' geworden, maar dan wel op een heel andere manier dan men zich in de Wilhelminische tijd had voorgesteld.

Nora bedacht het concept lieu-de-mémoire bijna 25 jaar geleden omdat hij bang was dat de Fransen hun geschiedenis aan het vergeten waren. Zijn lieux waren aanknopingspunten voor het opwekken van een nieuwe historische interesse: grote momenten en monumenten, nationale symbolen, feesten, historische conflicten, typisch Franse hebbelijkheden. Wat hen verbond was dat ze eigenlijk allemaal te maken hadden met Frankrijk als vertrouwde, beproefde natiestaat. Nora is dan ook wel verweten dat hij een nostalgisch soort geschiedenis bedreef, waarin Frankrijk als het ware zichzelf feliciteerde met zijn verleden.

Vanuit Nora's optiek van een volk dat zijn geschiedenis dreigt te vergeten, zou er weinig aanleiding zijn dit concept juist op Duitsland toe te passen. In Duitsland is het `einde van de geschiedenis' immers nog niet in zicht. Daar is eerder sprake van te veel dan te weinig verleden. `Vergangenheitsbewältigung' is er zelfs een vast onderdeel van de politieke cultuur. Naast grote debatten zoals de Historikerstreit in de jaren tachtig en de Goldhagenkwestie enkele jaren geleden, zijn er tal van andere controverses waarin de geschiedenis de actualiteit beheerst. De breuken en traumatische ervaringen uit het recente verleden zijn nog allerminst verwerkt: nazitijd en holocaust, de naoorlogse deling en, nog maar tien jaar terug, de vereniging van de beide Duitslanden.

Gelukkig hebben François en Schulze het Franse concept en de Franse voorbeelden niet klakkeloos nageaapt. Ze hebben het in feite opnieuw doordacht en plaatsen heel wat kritische kanttekenigen bij de typisch Franse, nogal bellenblazerige theoretische verantwoording van Nora. Ging deze – in het voetspoor van Maurice Halbwachs' Les cadres sociaux de la mémoire (1925) – nog uit van een scherpe scheiding tussen geschiedenis en herinnering, hier wordt die scheiding juist sterk gerelativeerd. Tussen geschiedenis en herinnering bestaan tal van overgangsvormen en vindt vaak ook een vruchtbare wisselwerking plaats. De `officiële' geschiedenis wordt daarmee ingebed in een veel ruimere herinneringscultuur, die overigens op haar beurt weer voorwerp van historische reflectie kan zijn. Deutsche Erinnerungsorte is dan ook onmiskenbaar een lieux-de-mémoire-project van de tweede generatie.

`Lieu-de-mémoraliser' is op z'n best een aanpak waarbij geschiedenis en herinnering in elkaar overvloeien, of waar in elk geval de herinnering een eigen historische plaats krijgt en waar op subtiele manier de afstand tussen het verleden `zoals het eigenlijk geweest is' (volgens het klassieke dictum van Ranke) en het heden wordt overbrugd als een keten van herinneringen. Het is een erkenning van de gemeenplaats dat alle geschiedenis contemporaine geschiedenis is, maar dan in de zin dat aan al die tussenschakels tussen verleden en heden in hun successieve eigentijdsheid wordt recht gedaan.

Dit eerste deel bevat veertig Duitse Erinnerungsorte, verdeeld over zes rubrieken, die met titels als `Dichter und Denker' (zoals Goethe, Fontane en de familie Mann), `Zerrissenheit' (verscheurdheid) (de Junker, Heine, Nietzsche) en `Schuld' (Auschwitz) een onvervalst Duits accent verraden. De twee afsluitende delen, aangekondigd voor dit najaar, zullen rubrieken bevatten als `Leistung', `Disziplin', `Gemüt', `Heimat' en `Die Moderne', en zullen elk opnieuw zo'n veertig Orte beschrijven. Net als in het Franse voorbeeld gaat het om nationale geschiedenis, maar anders dan in Frankrijk ligt de nadruk op de negentiende en twintigste eeuw, omdat pas dan van een Duits-nationaal perspectief gesproken kan worden.

Uitstapjes naar vroegere eeuwen worden vaak nadrukkelijk in een contemporain herinneringskader getrokken. De Bamberger Reiter, het gotische ruiterstandbeeld in de Dom van Bamberg, verdient zijn plaats in dit boek niet als middeleeuws kunstwerk maar omdat hij in de nazi-tijd werd gezien als een soort archetype van de Duitser, wiens afbeelding talloze huiskamers en schoollokalen sierde. De ruiter kreeg zijn wat mysterieuze uitstraling pas dankzij de suggestief uitgelichte foto's van Walter Hege die duizendvoudig gereproduceerd werden. Vóór die foto's was hij nooit zo opgevallen, zo blijkt uit oude reisverslagen. En ook voor de hedendaagse bezoeker van de Dom is hij weinig meer dan een curiosum, een vrijwel vergeten stukje nazi-folklore.

Ook bij een andere middeleeuwse `lieu' gaat het niet zozeer om de Middeleeuwen zelf: de gang naar Canossa van keizer Hendrik IV in 1077. Het is een episode uit de Investituurstrijd, de strijd tussen paus en keizer, waarbij paus Gregorius VII Hendrik IV in de ban had gedaan. Deze trok daarop hartje winter naar Italië, waar hij zich drie dagen lang, slechts gehuld in een haren mantel, vernederde aan de poort van het kasteel van Canossa, om van die ban verlost te worden. Zijn betekenis als lieu-de-mémoire kreeg Canossa evenwel pas op 14 mei 1872, toen Bismarck onder luid bravogeroep in de Rijksdag verklaarde: `Nach Canossa gehen wir nicht', een uitspraak die het tot vandaag in citatenboeken heeft uitgehouden.

In de confrontatie van 1872 stond de kersverse Duitse keizer tegenover een paus die zich net onfeilbaar had verklaard. In binnenlandse termen ging het Bismarck om het paaien van de liberalen in de Kulturkampf tegen de katholieke kerk. De `eigenlijke' betekenis van het Canossa-verhaal – bijvoorbeeld als slimme zet van Hendrik IV tegen zijn Duitse opponenten – doet nauwelijks meer terzake. Het gaat hier vooral om die uitspraak van Bismarck.

Misschien zou het lemma `Der Kniefall' (rubriek `Schuld') kunnen dienen als een soort eigentijds Canossa: het verrassende neerknielen op 7 december 1970 van Willy Brandt, de eerste Duitse bondskanselier die Polen bezocht, bij het monument voor de opstand in het getto van Warschau in 1943. Helemaal naar Canossa ging Brandt echter niet. Pas een bezoek aan Gdansk, waar Lech Walesa resideerde, zou zijn boetedoening compleet hebben gemaakt. Maar daarvoor had Brandt geen tijd en Walesa was toen al te veel een gevierd symbool om zelf in beweging te komen. In Duitsland was de eerste reactie op Brandts knieval gemengd: 41 procent vond het een gepaste geste, maar 48 procent achtte het overdreven en onder de oudere Duitsers lag dit percentage nog hoger. `Een Duitse kanselier knielt toch niet en al helemaal niet in Polen...', vat de auteur van deze gedeelde Duits-Poolse herinnering, de Poolse publicist Adam Krzeminski, die mening samen.

Het dichtst in de buurt van de niet behandelde Hitler komt Joachim Fest met een beklemmende beschouwing over de Führerbunker, als metafoor voor het nazisme. In deze met vaart geschreven remake van Hugh Trevor-Ropers The Last Days of Hitler, eisen bijfiguren soms de meeste aandacht op, zoals de zes jonge kinderen van Goebbels die door hun moeder Magda, een fanatieke nazi, vergiftigd werden, alvorens zij en haar man, na een ommetje buiten de bunker, zelfmoord pleegden. Fest beschrijft in zijn verhaal, een van de beste uit het boek, ook de arcadische voorgeschiedenis van die omineuze plek tussen Unter den Linden en de Voßstraße, waar Hitler zich later zou ingraven. In de vroege negentiende eeuw stond daar het tuinhuis van Bettina von Arnim, de priesteres van de Duitse Romantiek, die vandaar aan Goethe schreef: `Ich wohne hier in einem Paradies.' En Bismarck zou decennia later nog elke boom bewaken in wat toen de kanselarijtuin was. Voor Fest is iedere suggestie van een verleden en van traditie hier echter misplaatst: hij gebruikt Bettina's paradijsje juist om het volstrekt precedentloze karakter van het nazisme te accentueren, dat zijn oorsprong louter en alleen in zichzelf vond.

Van de veertig bijdragen zijn niet alle auteurs erin geslaagd zich in het lieu-de-mémoraliser in te leven. In het slechtste geval gaat het om weinig geïnspireerde invuloefeningen waarin geschiedenis en `Nachleben' schools achter elkaar worden gezet en is deze benadering niet meer dan een maniertje. Sommige geheide lieux zoals Nietzsche of de Sprookjes van Grimm hadden een betere behandeling verdiend.

Andere auteurs daarentegen weten de toon uitstekend te vinden. Een van de meest geslaagde bijdragen is die van Gerd Krumeich over de Dolkstootlegende, het verhaal dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog in 1918 niet aan het front verloren had – het heette `im Felde unbesiegt' – maar als gevolg van verraad aan het thuisfront. Deze mythe had in tal van varianten een vergiftigende uitwerking op het politieke klimaat van de Republiek van Weimar. Krumeich doet al die nuances in een fraai begripshistorisch essay uit de doeken, waarbij de kanttekening gemaakt mag worden dat het hier een `lieu-de-mémoire' betreft die ook als herinnering voltooid verleden tijd is, en waarschijnlijk juist daarom een dankbaar object voor historische analyse.

Dat is het kenmerkende verschil met de bijdrage over het naoorlogse begrip `Der Mitläufer' van de hand van Gesine Schwan. Hier voltrok zich een cruciale begripsverschuiving, waarbij aan het Mitläuferschap, dat aanvankelijk gold als een geaccepteerde en zelfs positief gewaardeerde vorm van verontschuldiging, pas gaandeweg steeds meer schuld ging kleven. Het betreft hier dus een `actieve' lieu-de-mémoire met een open einde en daarom niet zo makkelijk te analyseren. Toch zou dit stuk zeker aan scherpte hebben gewonnen als de auteur die terminologische verschuivingen dichter op de huid had gezeten en preciezer in kaart had gebracht.

Deutsche Erinnerungsorte handelt over de `verbeelde gemeenschap' Duitsland maar tegelijk over allerlei deelgemeenschappen daarbinnen. Een mooi voorbeeld is het stuk `Flucht und Vertreibung' (rubriek `Volk') over de twaalf miljoen Duitsers die vanaf het najaar van 1944 huis en haard in het `deutsche Osten' moesten verlaten om zich in de latere Bondsrepubliek een plek te veroveren. Veel van die vluchtelingen voelden zich niet thuis in de bekende organisaties van de Vertriebene, die vaak een rechtse signatuur hadden. Er ontstond dan ook een spanningsveld tussen die geïnstitutionaliseerde collectieve herinnering en allerlei individuele getuigenissen, bijvoorbeeld in romanvorm. De schrijver Horst Bienek vond de herinnering aan zijn Heimat Silezië te kostbaar om die aan de Schlesierverbände over te laten. Dit stuk illustreert mede hoe essentieel literatuur kan zijn als bron voor de herinneringscultuur.

Het zijn vaak de Erinnerungsorte die iedereen had kunnen bedenken die het best uit de verf komen: verplichte nummers als Weimar, de familie Mann, Versailles (uitroeping van het Duitse keizerrijk in 1871 met als keerzijde het Diktat van 1919), de Berlijnse Muur. De Muur is een gemeenplaats van de herinnering die aan alle verwachtingen voldoet, boordevol feitelijke informatie maar tegelijk voorzien van een sterk symbolische lading. Hoe het reëel bestaande socialisme zich meende te moeten afschermen met een nog net iets reëlere muur, blijft tot de verbeelding spreken. Fysiek vrijwel volledig verdwenen – zij het dan in stukken en brokken overal ter wereld gemusealiseerd – is de Muur nog steeds een levende herinnering, die bovendien in het huidige Berlijn nog precies aanwijsbaar is: waar de bontjassen uit het straatbeeld verdwijnen en de gebitten gaten beginnen te vertonen, weet je meteen: ik ben de Muur gepasseerd. Als lieu-de-mémoire is de vergelijking met de bij de Franse Revolutie van 1789 gesneuvelde Bastille treffend. Beide tot de laatste steen afgebroken maar als souvenir voortlevend. Toch is er nog wel een verschil: aan de luxe gevangenis die het symbool werd van het Franse absolutisme kleefde heel wat minder bloed dan aan de Berlijnse Muur, die tussen 1961 en 1989 niet minder dan 239 doden eiste.

De meest onontkoombare lieu-de-mémoire is uiteraard Auschwitz. Sinds de jaren zestig is Auschwitz bij uitstek de metafoor geworden voor de totale catastrofe van nazisme en racisme, en daarmee een lieu-de-mémoire met een universele morele potentie die ver uitstijgt boven de Duitse geschiedenis alleen. Dit thema is toevertrouwd aan Peter Reichel die eerder al een boek wijdde aan de Gedächtnisorte van het nazi-verleden (Politik mit der Erinnerung, 1995). Zijn bijdrage behandelt de vraag of een heel volk schuldig kan zijn, de aanvankelijke hoop in Duitsland een Schlußstrich onder het verleden te kunnen zetten, en daartegenover het steeds dwingender inzicht dat juist over Auschwitz nimmer gras zou mogen groeien. In het voetspoor van Adorno laat Reichel zien hoe deze `grootste begraafplaats ter wereld' ook een punt in de tijd is geworden, die zich laat verdelen in vóór en na Auschwitz. Nergens is de complexe dialectiek tussen herinneren en vergeten zo tastbaar als hier.

De voortdurende confrontatie met nazi-tijd en holocaust maakt de aanpak van Deutsche Erinnerungsorte tot een specifieke vorm van `Vergangenheitsbewältigung'. Misschien mag je dit boek zelfs opvatten als een poging om een verantwoordelijke omgang met dat verleden, door vakhistorici en beoefenaars van diverse andere disciplines, weer meer centraal te stellen in het Duitse publieke debat. In de controverses van de laatste jaren is immers een tendens zichtbaar van gemakzuchtige instrumentalisering, waarbij het verleden in dienst wordt gesteld van een mediahype waarin simpele vragen van nog simpeler antwoorden worden voorzien en oneliners de discussie beheersen. De methode van het lieu-de-mémoraliser geeft in elk geval de gelegenheid de complexiteit van het verleden recht te doen, zonder reductionisme en zonder de verplichting er een nieuw Groot Verhaal van te maken. Ook bekende, maar op hun beurt toch te gemakkelijke, clichés van Duitsland als `verspätete Nation' (Helmuth Plessner) of van de Sonderweg die de Duitse geschiedenis in de afgelopen twee eeuwen zou hebben onderscheiden van die van het Westen, worden zorgvuldig vermeden. De fragmentarische werkwijze van het lieu-de-mémoraliser biedt iedere lezer de mogelijkheid zelf zijn eigen Sonderweg te zoeken door de Duitse geschiedenis. Zijn keuzevrijheid is echter minder groot dan het misschien lijkt. Een postmodern ogende vrijblijvendheid wordt meteen ingeperkt door de aangeboden selectie en ook door de toonzetting van de bijdragen, die tegelijk historisch en moreel correct probeert te zijn.

De duisternis van het `Deutsche Jahrhundert' brengt mee dat er in dit boek niet zo veel te lachen valt. Slechts in enkele gevallen is er reden tot vrolijkheid, bijvoorbeeld bij de Volkswagen-Kever (rubriek `Volk'), die erin slaagt over zijn bruine schaduw heen te springen. De Kever werd de icoon van de Duitse wederopbouw en van het naoorlogse verlangen naar normaliteit, bindmiddel in een in veel opzichten verdeeld land. Ook tussen de generaties, want de rebellerende achtenzestigers namen hem graag over van hun foute ouders. De eigenschappen waarmee hij werd aangeprezen waren die van de spitsburger die zich erin verplaatste: zuinig, volhardend en betrouwbaar. Voeg daarbij gekoesterde merktekens als het gespalkte achterruitje, de uitklappende richtingaanwijzers en het standaard bloemenvaasje en je hebt een icoon waarin heel Duitsland zich kon herkennen. `Und läuft und läuft und läuft', luidde de reclameslogan. Net als de Duitse geschiedenis.

Deel II en III van Deutsche Erinnerungsorte verschijnen komende herfst.