Duitse jood, geen Duitser

Wel eens spijt gehad dat U veertig jaar geleden in Duitsland bent gaan wonen, meneer Reich-Ranicki? Nooit, zo luidt het vaste antwoord op die vaak gestelde vraag. En hoe zou het ook anders kunnen? Sinds Marcel Reich-Ranicki in 1958 Polen verliet en zich in de Bondsrepubliek vestigde, maakte hij een droomcarrière. Eerst vermaard literatuurcriticus van achtereenvolgens het weekblad Die Zeit en het dagblad Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ), daarna gevierd tv-persoonlijkheid (Das literarische Quartett) en sinds twee jaar ook nog uitzonderlijk succesvol memoiresschrijver (Mein Leben, door Anneriek de Jong besproken in Boeken 3.9.1999). Kan het mooier? De werkelijkheid blijkt een stuk ingewikkelder te zijn, om niet te zeggen wrang.

Van zijn twee jaar geleden verschenen herinneringen werden alleen al van de gebonden editie zeshonderdduizend exemplaren verkocht. Sinds de paperbackuitgave een half jaar geleden verscheen moet dat aantal, in combinatie met de oplage van de vertaalde edities (in Nederland verscheen Mijn Leven bij Meulenhoff), inmiddels in de richting van het miljoen lopen. Deze triomf is voor Hubert Spiegel (1962), literair redacteur van de FAZ, aanleiding geweest om een brede selectie te maken uit recensies, andere reacties op het boek en uit de talrijke interviews die M.R.-R. werden afgenomen. Welch ein Leben telt bovendien dertig pagina's met prachtige foto's, die in de autobiografie vreemd genoeg ontbreken. Het boek is een hoogst interessante publicatie geworden omdat zowel de reacties op de herinneringen van M.R.-R. als zijn eigen uitspraken zich concentreren op een even delicaat als belangrijk thema: de positie van de jood in het moderne Duitsland. Geconfronteerd met interviewers die doorvragen spreekt hij zich over dit onderwerp uit met een scherpte die in de herinneringen ontbreekt.

Isolement

Het overheersende thema in het tweede deel van deze memoires, waarin M.R.-R. vertelt over zijn verblijf in de Bondsrepubliek, is een nooit geweken gevoel van isolement. Al voordat hij in 1988 met zijn televisieoptredens begon, maakte Reich-Ranicki heel wat vijanden met een geheel eigen stijl van literatuurkritiek. In de bundel Vom Tag gefordert. Reden in deutschen Angelegenheiten heeft hij zijn credo als recensent nog eens puntig samengevat. Een criticus, zo meent hij, moet een grondige kennis van de literatuurgeschiedenis hebben, maar daarmee in zijn stukken nooit te koop lopen. Hij moet ronduit, met geestdrift en strijdlust zijn persoonlijke smaak verdedigen als ware die de onaantastbare waarheid. Hij moet polemiseren, vooral omdat hij nooit mag vervelen. Het is een houding die hem veel vijanden heeft opgeleverd. Ook in Welch ein Leben is de klacht te lezen dat M.R.-R. een populist is, met zijn simpele uitgangspunt dat een roman een verhaal met een kop en een staart moet zijn en niet meer dan tweehonderd bladzijden mag tellen. Hem wordt bovendien kwalijk genomen dat bepaalde romanschrijvers van wie hij gewoon niet houdt, van Martin Walser tot Peter Handke, voor hem slechts gewilde objecten zijn om gehakt van te maken. Empathie en gevoel voor nuance staan inderdaad niet hoog genoteerd in zijn literair-kritische vocabulaire.

Toch is zijn reputatie als literaire koppensneller niet de reden dat M.R.-R. zich in de Bondsrepubliek altijd een geïsoleerd man is blijven voelen. Tegenover de afkeer die hij als criticus opriep, stonden altijd respect en bewondering voor zijn kennis en enthousiasme. Het was vooral het gebrek aan belangstelling voor zijn persoonlijke lotgevallen als vervolgde jood die zijn gevoel van isolement veroorzaakte. Geboren in Polen, in het jaar 1920, trok hij als jongetje met zijn ouders en zijn broer negen jaar later naar Berlijn. Deze verhuizing was door economische motieven ingegeven, maar de moeder van de kleine Marcel kon hem voorhouden dat het gezin zich vestigde in het land van de cultuur. Vier jaar later kwam Hitler aan de macht en in 1938 moest het gezin Reich uitwijken. Het keerde terug naar Polen, waar Marcel het getto van Warschau overleefde en, in tegenstelling tot zijn ouders en zijn broer, aan de vernietigingsdood wist te ontkomen doordat een Pools arbeidersgezin hem en zijn vrouw liet onderduiken.

Naar die periode werd hij na zijn terugkeer in de Bondsrepubliek vrijwel nooit gevraagd. Ook niet door de schrijver Walter Jens, met wie hij dertig jaar bevriend was. De eerste die in de jaren zestig de moed had te informeren was, zo vertelt hij in zijn herinneringen, Ulrike Meinhof, toen nog journaliste en later als lid van de Rote Armee Fraktion terroriste geworden. Uit dit gebrek aan belangstelling voor zijn verleden trok M.R.-R. de conclusie dat hij over dit onderwerp zijn kiezen beter op elkaar kon houden. Waarom heeft hij dan toch dit stilzwijgen verbroken en in zijn herinneringen uitvoerig verhaald over die gruwelijke periode? Het antwoord op die vraag wordt in zijn memoires ontweken, maar in Welch ein Leben komt de treurige verklaring naar buiten.

In 1994 werd M.R.-R. in de Duitse pers het doelwit van een aanval op zijn naoorlogse gedrag. Vijftig jaar eerder, toen met de invasie van het Sovjetleger in Polen een einde kwam aan zijn onderduik, was hij lid geworden van de Poolse communistische partij en nam hij werk aan bij de inlichtingendienst van de door deze partij gecontroleerde regering. Die onthullingsaffaire maakte een einde aan de vriendschap met Walter Jens: in Welch ein Leben blijkt dat het diens zoon was die als journalist verantwoordelijk was voor deze primeur. M.R.-R. reageerde na de onthulling onmiddellijk met een uitvoerige repliek in de FAZ, waarin hij de verontwaardigde vraag stelde: moet ik me als overlevende van de holocaust tegenover een Duits publiek rechtvaardigen voor mijn gedrag? Om vervolgens toch rekenschap af te leggen. Zonder de invasie in Polen van het Sovjetleger was ik, zo schreef hij, net als mijn familie door Hitlers soldaten omgebracht. Ik werd uit dankbaarheid lid van de communistische partij en ik nam een administratieve functie aan bij de inlichtingendienst omdat ik een baantje nodig had. De woede bleef zo groot dat hij het niet bij dit FAZ-artikel liet en zijn complete herinneringen opschreef, wat naar zijn eigen zeggen emotioneel een hels karwei was. Zijn kassucces berust op de door Duitsers afgedwongen behoefte om verantwoording af te leggen voor zijn gedrag als vervolgde jood.

Dat hij als criticus soms tekeergaat wil M.R.-R. graag toegeven, zoals hij ook wel wil erkennen dat hij in de omgang geen gemakkelijk heerschap is, dat bij voorkeur zijn privé-leven zorgvuldig afschermt. Toch denkt hij dat de belangrijkste oorzaken van zijn isolement niet in zijn eigen gedrag moeten worden gezocht. Tijdens de periode waarin hij als medewerker bijdragen aan Die Zeit leverde, zo vertelt hij in zijn herinneringen, hield de redactie hem altijd op afstand. In een feestbundel die in 1996 aan de geschiedenis van dit weekblad werd gewijd, las hij dat dit was gebeurd omdat hij zich gedroeg volgens de regels van de `Rabulistik'. Deze term (letterlijk: vervalsing, misleiding), afkomstig uit het antisemitische jargon van Richard Wagner, werd vooral bekend doordat Joseph Goebbels er graag en veel gebruik van maakte. In Welch ein Leben maakt Reich-Ranicki duidelijk dat hij in zijn memoires slechts een tipje van de sluier heeft opgelicht over zijn ervaringen bij het weekblad. Hij haalt een gesprek aan met een `leidende persoonlijkheid' uit de redactie die hem duidelijk maakte waarom hij geen redacteur kon worden: joden, meneer Reich-Ranicki, zijn zeer begaafde lieden, aldus deze gesprekspartner. Om te vervolgen: je moet ze alleen geen plaats in de redactie geven, want dan halen ze weer andere joden binnen en voordat je het weet hebben ze de zaak overgenomen.

Op de klippen

In 1973 werd hij door Joachim Fest naar de FAZ gehaald, waar hij wèl in de redactie werd opgenomen. Deze relatie liep dertien jaar later op de klippen toen Fest aan de historicus Ernst Nolte de ruimte gaf voor de publicatie van een artikel dat de Historikerstreit inluidde. De poging van Nolte om de massamoord op de joden voor te stellen als een reactie op de misdaden van Stalin, was zowel voor de overlevende als voor de ex-communist Reich-Ranicki onverteerbaar. Er zijn de afgelopen twintig jaar in de Bondsrepubliek meer affaires geweest, van Fassbinders toneelstuk Der Müll, die Stadt und der Tod tot de rede van Martin Walser in de Paulskirche, die hem als jood een benard zo niet angstig gevoel geven.

Is er in het huidige Duitsland een joodse kwestie? Hoeveel rotte plekken zitten er onder het vernis van een politiek-intellectuele correctheid die in de afwijzing het antisemitisme strikte voorschriften stelt? Ziet Reich-Ranicki spoken? Misschien ben ik op dit punt wat overgevoelig, schreef hij in zijn herinneringen, maar daarvoor zijn goede redenen aan te voeren. Die liggen niet alleen in het verleden, maar ook in het heden. In de bundel Vom Tag gefordert zet hij nog eens uiteen – eerder deed hij dit al in zijn boek Über Ruhestörer (1973) – hoezeer de relatie tussen de Duitsers en hun joodse medeburgers ook in de literatuur altijd belast is geweest. Deze kwestie dateert van ver vóór het nationaal-socialisme. Van Heine tot Kafka: ook succesvolle joodse auteurs zijn altijd blootgesteld aan vernederingen. Ook laat M.R.-R. niet na de afkeurende opmerkingen aan te halen die de door hem mateloos bewonderde Thomas Mann in diens dagboeken over joden maakte.

De plaats van de joden in Duitsland is nooit vanzelfsprekend geweest en is sinds Hitler alleen nog maar ingewikkelder geworden. Reich-Ranicki zegt de herinnering niet kwijt te kunnen raken aan al die Duitsers die wegkeken toen hij in 1938 met zijn familie door de nazi's werd verdreven. Het hedendaagse geweld waarmee rechts-extremistische randgroepen vreemdelingen belagen, boezemt hem grote angst in. Tegelijkertijd verafschuwt hij het wijd verspreide filosemitisme. De moderne Duitser die wil aantonen hoezeer hij van joden houdt, verscherpt bij zijn joodse medeburgers het gevoel dat zij anders zijn. Voor Reich-Ranicki is Duitsland meer dan een halve eeuw na de oorlog geen normaal land geworden. Hij is verliefd op de Duitse literatuur, maar niet in staat zich Duitser te voelen. Een Amerikaanse jood kan zich zonder problemen als jood en Amerikaan beschouwen. Een Duitse jood, zo concludeert Reich-Ranicki, wordt in Duitsland uiteindelijk steeds weer geconfronteerd met zijn joodse identiteit en blijft zich altijd, of hij wil of niet, jood voelen. Zijn enige zoon Andrew, die ook een bijdrage aan Welch ein Leben heeft geleverd, is geëmigreerd naar Groot-Brittannië. Zelf was hij in 1958 liever in Zwitserland gaan wonen, zo bekent M.R.-R. in dit boek, maar daar was voor hem als literatuurcriticus geen droog brood te verdienen.

Vanavond is Das literarische Quartett te zien op ZDF, 22.15-23.30 uur