De demon

Het is een sport om driftig met de vinger

Te wijzen naar de goeden en de kwaden.

Ik houd het liever bij de binnendringer

Die in mij zelf verlangt naar euveldaden.

Twee zielen huizen in ons en ze heten

Ons meestal-kwade en soms-betere ik.

Ik hoor ze altijd. In mij woedt hun vete.

Straks klopt de slager weer. Vrees ik zijn tik?

De vrede om ons is maar schijn van vrede.

Ons eerste ik voert oorlog met ons tweede,

Ik word zó weer de ander die ik ben.

Zolang ik mijn gehate ik maar ken

En in de gaten houd ben ik niet bang.

Elk uur van lauwheid is een uur te lang.

Dit gedicht werd geschreven op verzoek van het nationaal Comité 4 en 5 mei. Het zal vanavond worden uitgesproken ter gelegenheid van de Nationale Herdenking in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.