Bram en Eva

Een poos geleden beschreef ik hoe ik in een vitrine van de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam op het verhaal stuitte van Bram en Eva Beem. Het waren twee joodse kinderen van acht en tien jaar die in de oorlog zaten ondergedoken bij een familie in Ermelo. Ze werden in februari 1944 opgepakt, gedeporteerd en vergast in Auschwitz.

Wat mij toen zo trof was een briefje van hun pleegmoeder in Ermelo, Janke Kielstra, die na de bevrijding, op 21 juli 1945, aan de ouders van Bram en Eva schreef: ,,Hoe vreselijk ik het vind dat de kinderen mij ontnomen zijn, kan ik u niet zeggen. Voor U is het nog veel, veel erger. En heel verkeerd vind ik het dat U niet dadelijk gewaarschuwd bent.''

Toen ik die regels overnam, kon ik alleen maar bevroeden welke tragedie erachter schuilging. De ouders, Hartog en Rosetta Beem, hadden kennelijk veel te laat gehoord wat hun kinderen was overkomen. Maar wat was er nu precies gebeurd?

Teake Zijlstra, journalist van de Leeuwarder Courant, hielp mij aan de ontbrekende stukken van de puzzel. Hij bleek al in 1988 als eerste journalist een gave reconstructie van deze zaak voor zijn krant te hebben geschreven.

Zijlstra ontdekte dat Hartog, leraar Duits aan de plaatselijke HBS, en Rosetta Beem eind 1942 bij de familie Koster van Groos in Leeuwarden waren ondergedoken. Ze wilden de kinderen niet meenemen, die konden beter in de frisse boslucht van Ermelo gedijen. Daar werden ze ondergebracht bij onder anderen Janke Kielstra.

Het ging aanvankelijk goed met Bram en Eva in Ermelo. Ze gingen naar school en kregen speelkameraadjes. Ze mochten naar hun echte ouders regelmatig briefjes schrijven die bewaard zijn gebleven.

Maar in februari 1944 verschenen er 's nachts plotseling vier Nederlandse mannen van de marechaussee en de politie – aan de deur. Er moet verraad zijn gepleegd, maar door wie is nooit duidelijk geworden. De kinderen en ouderen werden van hun bed gelicht. De kinderen riepen huilend dat ze geen joden waren. De mannen dwongen Bram zich te ontkleden en zagen toen dat hij besneden was.

Pleegmoeder Kielstra schreef na de oorlog aan de ouders: ,,Was Jan (Bram) niet besneden geweest, dan had ik hem eruit gelogen, maar dat deed de deur dicht.''

Elke keer als ik in het artikel van Zijlstra die passage lees over het besneden jongetje, kan ik moeilijk verder. Ik zie het tafereel te scherp voor me: die mannen die naar dat piemeltje turen en elkaar dan verheugd aankijken. Beet!

Een van die mannen, O. uit Putten, bleek nog in leven toen Zijlstra zijn artikel publiceerde. Hij was aan de doodstraf ontkomen omdat hij `in corpsverband op bevel' had gehandeld.

Wanneer hoorden de Beems over de deportatie van hun kinderen? Dat is vermoedelijk pas na de oorlog geweest. Het echtpaar Koster van Groos durfde het hun niet eerder te vertellen.