Achtergesteld bij de gevorderde fiets

Het lot van de joodse bevolkingsgroep bleef lang onderbelicht in de terugblik op de Tweede Wereldoorlog. Zoals Loe de Jong al vaststelde, was de beroering in de oorlog over de fietsverordening groter dan die over de deportaties. Vier boeken geven inzicht in het leed van de slachtoffers.

Gershon Willinger is drie maanden oud als hij onderduikt. Begin april 1943 wordt hij verraden. Wanneer de baby wordt opgehaald om naar Westerbork te worden gebracht, maken zijn onderduikouders de Duitsers wijs dat alleen de moeder van het jongetje joods is en dat zijn vader een Duitse soldaat is. Hij zal gaan behoren tot de Gruppe Unbekannte Kinder, die de oorlog overleven dankzij dit soort leugens, nog eens versterkt door een bezoek van verzetsvrouw Truus Wijsmuller aan het hoofdkantoor van de Sicherheitspolizei in de Euterpestraat in Amsterdam, waar zij op zijn minst twijfel weet te zaaien over de identiteit van de kinderen.

In Onbekende Kinderen, dat eind april verscheen als aanvulling op de gelijknamige documentaire die vorig jaar op het IDFA in première ging en die afgelopen woensdag op de Nederlandse televisie te zien was, vertelt Daphne Meijer de wonderbaarlijke geschiedenis van vijftig kinderen in de leeftijd van zes maanden tot zeven jaar, die dankzij de moed van onderduikouders, verzetsmensen en vooral volwassen kampgenoten die hen onder hun hoede namen, op één na de verschrikkingen van Westerbork, Bergen-Belsen en Theresienstadt overleefden.

De documentaire geeft vooral een indringend beeld van de `kinderen' zelf en hun zoektocht naar wie zij zijn, van de ontmoetingen met lotgenoten en beschermers na meer dan vijftig jaar en de gaten die ondanks alle inspanningen blijven bestaan in hun geschiedenis en dus in henzelf.

Schaamte

Het boek is afstandelijker en beschrijft vooral de geschiedenis van de groep als geheel in de context van de genocide op de joden, het verzet daartegen, maar ook de rol van verraders. Uit de interviews blijkt, dat ook na de oorlog de kinderen uit de groep veel ervaringen delen. Dat horen ze echter pas na vijftig jaar: onaangepast gedrag op school, angsten, problemen met pleegouders en schaamte over het feit dat zij in een kamp hebben gezeten.

Hans Reens is vier jaar als hij met zijn onderduikouders in een vakantiehuisje op de Veluwe is. De Duitsers houden een razzia om ontvluchte politieke gevangenen op te pakken. Twee Duitsers en een NSB'er doorzoeken het vakantiehuisje. De Duitsers willen vertrekken, omdat zij geen gevluchte gevangenen vinden, maar de NSB'er dringt net zo lang aan, tot zij het joodse kind meenemen.

Kaddisj voor Isaäc Roet is een dubbelportret van twee joodse gezinnen in Nederland tijdens de Duitse bezetting: dat van de schrijver, economisch-historicus Peter Klein en dat van Isaäc Roet, een naam die hij tegenkwam toen hij onderzoek deed naar de lotgevallen van de joodse octrooirechten onder de Duitse bezetting. Hoewel Klein niet bijzonder veel te weten is gekomen over Isaäc Roet, weet hij hem aan de hand van zijn achtergrond in de zich emanciperende joodse diamantbewerkerswereld in het vooroorlogse Amsterdam, en de verhalen van drie in Israël wonende overlevende neven toch verbazingwekkend veel reliëf te geven. Interessant is ook de volkomen andere visie op de IBM-kwestie (zie ook bespreking IBM en de Holocaust, Boeken 23.02.2001): Roet was niet alleen een succesvol accountant, hij was ook uitvinder en een hartstochtelijk voorstander van de automatisering van het kantoor, die in de jaren dertig van de vorige eeuw in opkomst was. Uit Kleins relaas blijkt, dat de geallieerden net zo veel profijt van de automatisering hebben gehad als de nazi's. Overigens werd Roets genialiteit op het gebied van automatisering hem fataal: hij dook niet onder, omdat hij er zeker van was dat men hem nodig zou hebben. Dat bleek niet het geval.

Weeshuis

Staat Roet model voor de maatschappelijke emancipatie van de Nederlandse joden, Kleins familie is typisch voor de Midden-Europese joodse geschiedenis: zijn joodse vader – officier in het Oostenrijkse leger in de Eerste Wereldoorlog én onderscheiden – trouwde met een niet-joodse vrouw uit een deftige Oostenrijkse familie, die voor een aanzienlijk deel ook nog eens fout was: `Burgi heeft nooit willen deugen. Mitzi, Wladi, Burgi en Manzi... Kun je het Oostenrijkser bedenken? Fout waren ze in de bruine tijd, allemaal fout.' Hoewel Klein in de inleiding zijn boek `heel onwetenschappelijk' noemt, verraadt de nauwkeurigheid waarmee hij te werk is gegaan bij het zoeken naar gegevens over zijn eigen familie en over Isaäc Roet, wel degelijk de hand van de historicus.

Voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen onlangs het Dagboek van de medicus en pedagoog Janusz Korczak. Hij schreef het in het getto van Warschau, waar hij net als voor de oorlog een joods weeshuis leidde. Het verhaal is in grote lijnen bekend: hoewel de bejaarde Korczak beschermd was door zijn internationale reputatie en zo zijn leven had kunnen redden, koos hij ervoor, samen met de andere medewerkers van het weeshuis, bij de kinderen te blijven toen zij in augustus 1942 werden gedeporteerd naar Treblinka waar zij allen meteen na aankomst zijn vergast.

De aan zware depressies lijdende Korczak vulde zijn dagboek met herinneringen, bespiegelingen en aantekeningen over de dagelijkse gang van zaken in het weeshuis en het getto: `Naast de stoep ligt een halfvolwassen knaap, nog levend, misschien al dood. Op dezelfde plek spelen drie jongens paardjerijden, waarbij touwtjes, hun teugels, in de war zijn geraakt. Ze overleggen, proberen, worden ongeduldig – stoten met hun voeten tegen degene die daar ligt. Uiteindelijk zegt er eentje: ,,Kom, we gaan een stukje verderop, die ligt zo in de weg.'

Een steeds weer terugkerend thema is de onophoudelijke inspanning om `zijn' kinderen niet alleen van voldoende, maar ook gezond voedsel te voorzien, een taak die hij met weerzin vervult, omdat die hem dwingt te bedelen en goede contacten te onderhouden met mensen met wie hij vaak liever niets te maken zou willen hebben. Deels is dat terug te voeren op Korczaks ambivalente houding ten opzichte van zijn mede-joden. Die blijkt ook al enigszins uit zijn keuze om door het leven te gaan met de `Pools' klinkende naam Janusz Korczak in plaats van zijn eigen naam, Henryk Goldszmit.

Paula Gruber overleefde de Sjoa als enige van het grote en liefdevolle gezin waaruit zij afkomstig is. In Pijn die blijft beschrijft zij met een bewonderenswaardige combinatie van nuchterheid en betrokkenheid haar eigen geschiedenis en die van haar familie in het Polen van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Van pesten en mishandeling op school en op straat, een numerus clausus op de universiteit, via de inval van de Duitsers met onmiddellijke gevolgen voor de joden, onderduik en verraad tot de deportatie van de overgebleven gezinsleden naar Auschwitz-Birkenau, waar de zestien jaar oude Paula de enige is die niet meteen naar de gaskamer wordt gestuurd. Ook na de oorlog wordt de joden het leven zo zuur gemaakt dat velen vertrekken. Paula Gruber en haar echtgenoot komen uiteindelijk in Nederland, waar Paula eindelijk haar lang gekoesterde wens om geschiedenis te studeren in vervulling kon doen gaan.

Vriendschappen

Wat blijft hangen, naast de vele uitingen van Pools antisemitisme, dat keer op keer zelfs sterker blijkt dan de haat tegen de Duitse bezetter, zijn vooral de vriendschappen die Paula Gruber sluit, tijdens de onderduik, maar vooral tijdens haar verblijf in Auschwitz. De moedige zorgzaamheid die deze meisjes en vrouwen te midden van de verschrikkingen tonen, blijkt doorslaggevend: `In de strijd om het bestaan [...] hielpen vriendschappen vaak om te overleven, lichamelijk en geestelijk. Voor ons symboliseerde onze vriendschap een soort familieband die we tot het uiterste door dik en dun trachtten te handhaven en te beschermen.'

Hier schrijnt het contrast met de revisionistische visie op de complete oorlog, zoals die in Nederland wordt uitgedragen door Chris van der Heijden in zijn Grijs verleden: in een televisiediscussie over Grijs Verleden vond Van der Heijden het al `buitenproportioneel' dat hij één hoofdstuk van zijn boek had besteed aan de jodenvervolging. Immers, de joden vormden slechts een kleine minderheid in Nederland. Een kwalificatie die des te vreemder wordt als men bedenkt dat van die kleine minderheid tachtig procent de oorlog niet heeft overleefd.

Zulke `grijstinten' overheersen gelukkig nog niet in de meeste terugblikken op de oorlog. Hopelijk dragen deze vier boeken er toe bij, dat dat zo blijft.

P.W. Klein: Kaddisj voor Isaäc Roet. Twee familiegeschiedenissen uit de twintigste eeuw.

Contact, 176 blz. ƒ34,90

Janusz Korczak: Dagboek.

In het ghetto van Warschau.

SWP, 159 blz. ƒ15,90

Paula Gruber: Pijn die blijft. Herinneringen aan mijn leven in Polen. Balans, 291 blz. ƒ39,50

Daphne Meijer:

Onbekende kinderen.

De laatste trein uit Westerbork.

Mets en Schilt, 206 blz. ƒ49,58