Aanpassen helpt niet

Ooit kende men zijn naam. Soma Morgenstern was correspondent van de Frankfurter Zeitung en hij ging om met Joseph Roth, Alban Berg en een hele reeks andere coryfeeën van de jaren twintig. Hij kwam uit het oosten. In 1890 bij de Galicische stad Tarnopol geboren, trok hij als jongeman naar Wenen. Zijn roman Der Sohn des verlorenen Sohnes kon in 1935 nog net verschijnen. Vluchten moest hij, de jood, in 1938. Hij belandde in Amerika en sleet zijn dagen in een armzalige hotelkamer in New York. In 1976 stierf hij. Een vergeten schrijver?

Niet helemaal. Onder beroepslezers beleeft Soma Morgenstern een revival. Een kleine Duitse uitgeverij bracht in 1994, ter ere van een Joseph Roth-jubileum, het werkje Joseph Roths Flucht und Ende uit en daarna de rest van het oeuvre van Roths onfortuinlijke vriend. De Duitstalige critici waren en zijn begeesterd. Met niemand minder dan met Lev Tolstoj vergelijken zij Soma Morgenstern; ze prijzen zijn `panoramische maatschappijbeeld', zijn `epische adem', zijn `scherpe diagnoses' en ze omhelzen hem als een verloren zoon. Nu De zoon van de verloren zoon in Nederland te koop is kunnen we ons zelf een oordeel over boek en begeestering vormen.

En als het leeswerk er eenmaal op zit, moeten we toegeven dat de Duitsers in elk geval gelijk hebben met die epische adem. De verteller in De zoon van de verloren zoon neemt de tijd. Kalm als een Galicische boer beploegt hij zijn akker; met brede handbewegingen strooit hij zijn zaaigoed uit en zo tovert hij een landschap te voorschijn dat inderdaad aan de weidse vlakten van de grote Russen herinnert. Je voelt de traagheid van de rivieren, de frisheid van de wolken, de weelde van een zomerse dag. `Ze reden in de klaver. Het leek alsof de ladderwagen op een groen meer met witte, bloeiende bloemen dreef. De jongens deden vlug hun schoenen uit en lieten net als Teklunja hun benen tussen de sporten door bengelen. De blote voeten streken over de bedauwde klaverkopjes als over een zilveren zee.'

Mooi zijn ze, deze velden, vooral wanneer Morgenstern ze bevolkt met kinderen. Of met oude heren. Met baardige patriarchen die bij het eerste ochtendgloren uit volle borst de Schepper bedanken: `voor de weldaad als jood, niet God bewaar me als andersdenkende, voor de onderscheiding als man, niet God bewaar me als vrouw geschapen te zijn.' Ironie klinkt door in zulke zinnen, maar het is een milde ironie, een ironie die overloopt van liefde. Soma Morgenstern hield van de joden uit de gebieden die nu bij Polen en de Oekraïne zijn ingelijfd; hij hield van de joden die in de Weense straten ergernis wekten omdat ze jiddisch spraken en lange kaftans droegen. Zijn lievelingskaftanjoden in De zoon van de verloren zoon heten Wolf Mohylewski en Jankel Christjampoler.

De een is landheer, de ander rentmeester, en beiden zitten het liefst in hun dorp Dobropolje. Maar ze moeten naar dat arrogante Wenen voor een congres. Een congres van vrome joden, dat werkelijk heeft plaatsgevonden, in 1929. Soma Morgenstern was erbij, voor de krant. Men zegt dat hij het artikel niet heeft geschreven. Niet heeft kúnnen schrijven, omdat de religiositeit van die exoten hem overweldigde. Door hun congres veranderde de journalist in een romancier. Een roman verdraagt emoties nu eenmaal beter dan een krantestukje. En de roman De zoon van de verloren zoon is in de hoofdstukken over het congres op z'n emotioneelst.

`De cantor was een meester van het wenen. Zijn gedempte, als in een grafkelder zingende stem vlocht de eerste, zacht en deemoedig getoonzette woorden tot een biddende, smekende aanhef die alle harten openbrak.' Het lijkt op een bekeringsverhaal en dat is het ook. Op het congres bevindt zich een jongeman die door zijn huilende seksegenoten zo van streek raakt dat hij een lachstuip krijgt. De negentienjarige architectuurstudent Alfred Mohylewski wordt vanwege die ordeverstoring in elkaar geramd. Maar de joodse hooligans brengen hem niet van zijn fascinatie af. Integendeel: in een heldere roes beseft Alfred dat deze `aandachtige volksgemeenschap' datgene is waarnaar hij altijd zocht.

Behendig vervlecht Morgenstern het bekeringsverhaal met een familiesaga. De landheer is eveneens op zoek: naar de zoon van zijn gestorven broer. Die broer dwaalde van het geloof af toen hij ging studeren. Hij trouwde met een gedoopt meisje en werd sindsdien door de pater familias verdoemd. Maar Wolf moet steeds aan Jossele denken. Vooral aan zijn warme ogen. Op het congres komt hij die ogen, het ene blauwgeslagen, tegen. Het zijn de ogen van Alfred. En uiteindelijk gaat de zoon van de verloren zoon mee naar Dobropolje om zijn vaders schuld in te lossen en zijn eigen geloof te vervolmaken.

Soms doet deze roman aan een sprookje denken. Dankzij de sluwe rentmeester wordt Alfred erfgenaam; hij zal daar blijven, in Dobropolje, als nieuwe landheer, en hij zal een rechtvaardig landheer zijn. We zullen dat lezen in twee vervolgromans. Die zijn nog niet in het Nederlands maar wel in een Duitse pocketeditie verschenen, samen met deel één.

Funken im Abgrund heet de trilogie en de titel verwijst naar een mythe waarin de joden de vonken moeten oprapen die uit `de gebroken vaten van de schepping' zijn gevallen. De afvalligen moeten zij dus terugleiden naar het licht en het licht van de orthodoxie moet een betere wereld scheppen. Hoe komt het dat Morgenstern de kant koos van de orthodoxie?

Net als Alfred zocht Morgenstern zijn vrome familie terug waarvan hij was vervreemd. Net als Alfred had hij heimwee naar Galicië. En net als Alfred wist hij dat de vrede, daar en in de stad, niet lang meer zou duren. Het Habsburgse rijk, dat de joden enige veiligheid en heel wat emancipatiemogelijkheden had geboden, dat rijk was ten onder gegaan. En het na 1918 oplaaiende nationalisme maakte geen onderscheid tussen kaftanjoden en joden die zich innerlijk en uiterlijk hadden aangepast.

Daaruit trekken Morgenstern en Alfred de conclusie dat aanpassen niet meer helpt. Dat je je grootsteedse masker net zo goed af kunt rukken. Dat je je net zo goed kunt afkeren van de vervlakking, de isolering, de goddeloosheid en brutaliteit. Dat wetenschap niets voorstelt als zij haat legitimeert. Dat je beter naar wijze baardmannen kunt luisteren.

Gewone ontwikkelingsromans beschrijven de weg van een bedrukkende gemeenschap naar de bevrijdende anonimiteit, van een verstikkend geloof naar onbeperkte kennisvergaring. De ontwikkelingsroman van Soma Morgenstern legt de omgekeerde weg af. Dat is bedenkelijk. Te meer daar de schrijver, hoe anders dan de Duitse critici beweren, geen scherpe diagnose stelt. De woorden voor de dingen waar Alfred zich tegen afzet heb ik niet bij Soma Morgenstern gevonden maar bij Jakob Wasserman. Diens in 1921 verschenen autobiografie Mein Weg als Deutscher und Jude geeft de teleurstelling over het mislukken van de assimilatie duizend maal scherper weer dan De zoon van de verloren zoon. Wasserman, die niet alleen in Duitsland maar ook in Wenen woonde, zoekt het conflict, het dispuut, het pijnlijke zelfonderzoek.

Morgenstern gaat het conflict uit de weg; de joods-joodse gesprekken in zijn boek zijn humoristisch dus nogal onnozel en de pijn van zijn zelfonderzoek beperkt zich tot een verlegenheidje hier en een schaamtetje daar bij een abusievelijke overtreding van de geloofsregels. Want dat Morgenstern, lees: Alfred, geen moment lang níet gelooft, dat weet de lezer meteen. Geen ontvankelijker wezen dan de jongeheer Mohylewski. Dit is een modelpersonage. Grondige twijfel, zie Jakob Wassermann, zie Arthur Schnitzler, zie zelfs de grote oostjoden-sympathisant Joseph Roth, levert scherper drama op dan grondige zekerheid.

Omdat alle Morgenstern-hoofdpersonen, ondanks het geknor van de dwarsige Jankel en ondanks het buiten en binnen de trilogie groeiende antisemitisme, zo'n grondige zekerheid hebben, is er geen sprake van een `panoramisch maatschappijbeeld'. Andersdenkenden horen niet bij de `edele mensen' en treden slechts zijdelings op.

Wat blijft? Een handvol indrukwekkende landschapsschilderingen, een heleboel informatieve inkijkjes in chassidische rituelen, een aantal geinige dialogen en een stel goedmoedige portretten van mannen uit een verdwenen wereld. Der Sohn des verlorenen Sohnes is een herontdekking: een kleine.

Soma Morgenstern: De zoon van de verloren zoon. Uit het Duits vertaald door Marion Offermans. De Arbeiderspers, 296 blz. ƒ49,95

Soma Morgenstern: Funken im Abgrund. (drie delen; cassette). Aufbau Taschenbuch Verlag, 1070 blz. ƒ57,40

Buitenlandse literatuur

    • Anneriek de Jong