4 mei 1949, de dag dat het Italiaanse voetbal stierf

Torino heeft op 4 mei zijn eigen dodenherdenking. Tweeënvijftig jaar geleden verloren achttien spelers hun leven bij een vliegtuigongeluk. In een klap was Italië een magistraal voetbalteam armer.

De schaduw van Superga strijkt neer over de stad en wakkert elke avond de droevige mijmering aan. Het is de sluier van de eeuwige treurnis omtrent 4 mei 1949. Het verlangen naar verdriet, weemoed en herinnering bij il disastro del grande Torino, de tragedie van het grote Torino. Toen vloog een vliegtuig, misleid door mist en ontij, het magistraalste team uit de Italiaanse voetbalgeschiedenis het inferno in.

Achttien spelers – ze keerden terug van een benefietwedstrijd tegen Benfica in Lissabon – overleefden de ramp niet. Het prachtige donkerpurper van Torino – I Granata, als graniet – kleurde de rand van de rouw. Ruisend. Rustend, zij het niet in vrede.

In 1706 plantte Vittorio Manuele de Tweede op de beboste heuvel van Superga een imposante basiliek neer. Ter ere van zijn overleden voorvaderen: de heren van Savooie, de heersers van Turijn. Het geslacht Savooie rukte de streek van Taurinorum uit de barbaarse Middeleeuwen en liet de Verlichting over de duistere Alpenpassen schijnen. Aan de achterkant van de kerk, overwoekerd door het struikgewas, herinnert een gedenkteken aan de dood van de verlichte voetbaldroom van voorzitter Ferrucio Novo, coach Ernest Egri Erbstein en sterspeler Valentino Mazzola. Drie gelijkgestemde geesten, de voetbalvrijdenkers van Turijn, met een tegendraads karakter en dezelfde fijnzinnige missie.

Destijds droegen voetbalclubs nog een levensbeschouwelijke sfeer uit. Lazio en Internazionale verbrandden zich aan Mussolini's Movemento. Juventus sympathiseerde met de ontluikende christen-democratie. Torino speelde benefietwedstrijden ten voordele van de families van gevallen partizanen en verbond zich met de vrijzinnige linkerzijde.

Il Grande Torino bevrijdde na de val van Benito Mussolini tussen 1943 en 1949 met zes kampioenstitels op rij het Italiaanse voetbal van zijn fascistische dictaat. In de dirty thirties gold de sport als vanzelfsprekend als spiegel van een sinistere samenleving. Mussolini's Azzuri – de Squadra bracht Il Duce voor elke wedstrijd de groet met de gestrekte arm – kroonden zich tot wereldkampioen van de jaren dertig. Met schofterig, schockerend anti-voetbal. Georiënteerd op oorlog, nationalistische haat en blinde volgzaamheid. De fascinerende stijl van Torino – genotsvol voetbal dat individueel vernuft paarde aan uitgekookte collectiviteit – brak ostentatief met het verleden, weerspiegelde een heerlijk toekomstvisioen en vervulde het land opnieuw met trots.

Voorzitter Feruccio Novo was een succesvol bedrijfsleider. Hij greep in de jaren dertig stevig het roer in handen bij zijn geliefde Torino Calcio Football Club (1906). Novo stamde uit de stroming van Il Risorgemento. De wieg van deze ook door Giuseppe Verdi geïnspireerde sociaal-liberale vernieuwingsbeweging voor vooruitgang, vrijheid en democratie schommelde rond de eeuwwisseling in Turijn, het economische hart van wat later Italië zou worden.

Novo laveerde zeer behendig tussen zijn zakelijke manoeuvres en zijn hartsgrondige afkeer voor Mussolini's zwarthemden. Hij besliste om zijn bedrijfsmodel over te planten op de club, verzamelde businesspartners met een purper hart en bouwde de eerste professionele voetbalstructuur van de Laars op.

In 1937 contacteerde hij coach Ernest Egri Erbstein, een joodse wereldburger uit Boedapest. Geheel in de traditie van het vreemdelingenvriendelijke erfgoed van Turijn. In 1939 sloeg Erbstein noodgedwongen op de vlucht voor de jodenvervolging. Hij dook vijf jaar onder in Boedapest. Hij overleefde in de clandestiniteit, met steun van Novo. De Gestapo zat hem op de hielen en arresteerde hem alsnog in 1944. Hij ontsnapte uit het concentratiekamp en een desolate zwerftocht voerde hem opnieuw naar Turijn waar Novo hem, na de geallieerde overrompeling, aan de borst drukte.

Erbstein was zijn tijd ver vooruit. Hij linkte zijn vooruitstrevende voetbalgedachten aan psychologische inzichten. Hij raakte geboeid door het leven van zijn spelers. Hij streefde een rustbrengende relatie na met hen. Dat stak schril af tegen de autoritaire houding van de andere coaches van die tijd. Erbstein predikte sierlijkheid. Hij verbood geweld op het veld. Hij verwachtte van zijn spelers dat ze brutaliteiten kleineerden met hun superieure spelstijl. Hij stimuleerde de individuele begeleiding, maar eiste tegelijk strikte discipline. Zijn belangrijkste regel luidde: de beweging van de bal, gedragen door de genius.

Die genius was Mazzola. Novo haalde hem in de zomer van 1942 bij Venezia weg. Mazzola controleerde alle onderdelen van het voetbal en groeide uit tot fenomeen, door de pers omschreven als Il Torino + Mazzola. Van dan af was de scudetto voor Torino. In zijn privéleven ging het hem minder voor de wind. De scheiding leidde tot opzwellend Vaticaans verzet. Mazzola week verplicht uit naar Wenen om te hertrouwen.

Ondanks het schandaal was Mazzola een gevoelige man die de publiciteit schuwde en zijn emoties in dagboeknotities omzette. Zijn zoontje Sandro, in de jaren zestig een legende bij Internazionale, rende als mascotte van het team bij elke wedstrijd in het Filadelfiastadion – avantgardistisch van architectuur – als eerste het veld op. Zich vastklampend aan de helende en strelende handen van vader Valentino.

In het modernistische Filadelfia ervoeren de topclubs Juventus (5-0), Lazio (5-1), Roma (7-0), Napoli (7-1), Fiorentina (7-2), Milan (6-2) en Internazionale (5-0) het mysterie van de genialiteit. Torino leed in achtentachtig opeenvolgende thuiswedstrijden de nederlaag niet en maakte gemiddeld ruim honderd doelpunten per seizoen.

Op 15 mei 1949 nam een geëmotioneerd Filadelfia-publiek definitief afscheid van het glorieuze team. Het jeugdelftal won met 4-0 van de leeftijdsgenoten van Sampdoria en ontving in een ontroerende stilte de kampioenstuilen..

Met Il Grande Torino schitterde even de renaissance in het calcio, dat vervolgens de weg van het catenaccio insloeg. 4 Mei 1949 zou de geschiedenis ingaan als de dag dat het Italiaanse voetbal stierf.