Wan ogri tyar' wan bun

De voortekenen waren zo veelbelovend, maar het zou uitlopen op een cultuurshock. Uitnodiging kwam: Surinders dochter ging trouwen. ,,De post heeft het gebracht!'' riep Martha vanaf haar balkon. De postbode van Surpost hobbelde net op zijn brom onze zandweg af. Zelden maakt iemand gebruik van de posterijen – als je iets te versturen hebt, geef je het mee aan iemand die toch die kant opgaat, of het nu de oceaan over moet of naar Kasabaholo achter Paramaribo. Bedrijven sturen hun post per bode. ,,Je gaat wel mee, hè, kan je een Hindoestaans huwelijk meemaken'', dringt Martha enthousiast aan.

We moesten om één uur bij Surinder zijn, op Peperpot in het district Commewijne. Voor het eerst rijd ik over de nieuwe brug. En eerlijk toegegeven: het is geweldig omhoog te klimmen en de breedbrede rivier te zien gaan en over stad en landschap te kijken.

,,We zullen wel meteen een dyogo (bier in literfles) krijgen'', verheugt Martha zich. Ze kent Surinder al lang, overal waar ze woont komt hij eens per jaar een paar dagen klussen. Dan drinkt hij de hele dag bier. Ook Glen, de tienjarige `zoon' van Martha, is van de partij. Glen woont bij zijn moeder en oma en blijft een paar dagen per week bij tante Martha.

,,Cándani komt ook'', verheugt Martha zich en vertelt opgetogen over de filmopnamen van die ochtend. Een Nederlandse televisieploeg is hier met de dichteres Cándani, een Surinaams-Hindoestaanse, die voor het eerst sinds jaren weer in Suriname is. Die ochtend hebben ze gesprekken met studenten gefilmd. Cándani wilde direct mee naar een Hindoestaanse bruiloft toen Martha haar uitnodigde. De televisieploeg ook.

Voor het huwelijksfeest is op Surinders erf een dak van golfplaten gebouwd, waaronder de gasten in hun mooiste kleren zitten te wachten. Tegen de muur van het huis is van roze ballonnen een reuzenhart gemaakt. We krijgen een papier uitgereikt met liederen en als we zitten cola en bara's. Ik neem de onmogelijke positie in niet van cola te houden. Als ik om water vraag, word ik naar de keuken verwezen, waar vrouwen zich staan te verdringen bij kookgedoe. Daar is de kraan, wijzen ze, maar er komt niets uit: geen waterdruk. Ik loop naar de achterkant van het huis. Op een houtvuur staat een gigantische wok. Gehuld in rookwolken staat een oude vrouw er met een houten lepel in te roeren.

Als ik met een cup water terugkom, kijkt Martha ontzet: ,,Heb je het gelezen?'' sist ze, wijzend op het papier met de liederen. ,,Het is een christelijke sekte! Christ Gospel Church Shekinah, staat erboven.'' Niks Hindoestaans huwelijk. Drietalig (Nederlands, Sranan en Sarnami) wordt afwisselend een weerzinwekkende blijheid en een idem doemscenario gebracht.

,,Ik herken Surinder niet meer'', kreunt Martha, ,,ik wil weg.'' ,,Ik kan wel doen of ik een malaria-aanval krijg'', stel ik voor. Het is zo heet dat het niet moeilijk moet zijn om te rillen en zweten. Er gaat ineens een knoop van mijn bloes af.

In de blarende hitte onder de golfplaten, zit Martha ook nog eens op hete kolen: ,,Die hele filmploeg gaat voor niets komen. Het zal voor Cándani onverdraaglijk zijn.'' De dichteres die dichtte: `toen God verdween / bouwden wij kerken / en begonnen hem op te roepen / uit de muren (...)' Als Martha voor de zoveelste keer opstaat om naar hen uit te kijken, parkeert de filmploeg net de auto. Ze snelt erheen, even later vertrekken ze inderdaad.

Als de dienst eindelijk is afgelopen, blijft iedereen zitten en wacht op de roti's. Twee bakra's en een Creoolse puber kunnen niet ongezien wegsneaken. ,,Glen'', probeer ik. ,,moet jij geen huiswerk doen of zo? Ik wil naar Nieuw-Amsterdam, kijken of we dolfijnen zien.''

,,Wan ogri tyar' wan bun'' (iets slechts brengt altijd iets goeds mee), zeggen we als we later onder een mopéboom over de rivier uitkijken en de zeewind over ons heen strijkt.