Trou Moet Blycken

Snags as die mense slaap...

Snags as die mense slaap, dan werk die huise,

Sag verbreek hul wat die pleister hou.

Hul bondgenote is die knaagdier-muise,

En die groei wat stik in die gebou.

Snags as die mense slaap,

Dan werk die rotte en die muise,

En die wortels en die wurms,

En die motte en die skimmel.

Bedags as die moeë mensehande in die koelte rus,

Werk die gras en die roes.

En die wortels stilletjies.

En die stof werk dag en nag

Sonder ophou;

Dag en nag, dag en nag

Sif, sif, kruip dit.

En die vuur brand,

Somer, winter,

Herfs en lente;

En die hout brand uit,

En die as word stof,

En die winde kom,

En die plek is leeg.

En die klip lê

Waar die troon gestaan het;

En die geitjie is daar koning

In die somerson.

En die stilte is tevrede.

Everwyn Wessels (1903-1975)

Wat heeft Everwyn Wessels misdaan? In de literatuurgeschiedenissen komt hij niet voor, of hoogstens wordt zijn naam terloops vermeld. In het recent verschenen Perspektief en Profiel, 'n Afrikaanse literatuurgeskiedenis (onder redactie van H.P. van Coller) komt hij één keer aan bod, in een opsomming.

Ik zeg niets ten nadele van deze literatuurgeschiedenis, maar iedere scheet die ze in literair Afrika hebben gelaten staat er in. Twee delen, een deel met meer dan zevenhonderd en een deel met meer dan achthonderd bladzijden. Achtenvijftig medewerkers, allemaal professoren of mensen die op het punt staan professoren te worden. Twee registers, met in totaal honderd-en-tweeëntwintig kolommen. Dat alles voor nog geen eeuw literatuur.

Everwyn Wessels staat er met één verwijzinkje in en dat verwijzinkje leidt naar niets. Naar welgeteld de vermelding van één titel.

Een literatuurgeschiedenis van zo'n omvang, zou je zeggen, laat geen ruimte meer over voor een vraag.

Wat heeft Everwyn Wessels misdaan? Was hij een racist? Had hij een bochel? Was hij gek?

Dat zijn al vier vragen.

Voor een antwoord kan ik alleen maar afgaan op wat ik met eigen ogen zie. Dat zijn drie dichtbundels. Asiel uit 1978, Miknes uit 1982 en Afsydige Woestyn uit 1988.

Allemaal bundels dus die na zijn dood zijn verschenen.

Het verklaart zijn afwezigheid in de oudere literatuurgeschiedenissen, maar niet het zwijgen van de bende van achtenvijftig in Perspektief en Profiel uit 1998-1999.

Ik begrijp heus wel dat je niet in de literatuur terechtkomt als je tijdens je leven geen deel hebt uitgemaakt van het praat- en roddelcircuit. Maar blijft om die reden ook postuum de deur op slot?

Ik zou die vraag niet stellen als het bij Everwyn Wessels ging om een niet geheel onsympathiek talent of om een beslist-wel-interessante voetnoot. Hij is juist bijzonder interessant. Hij behoort tot de beste dichters van de Afrikaanse literatuur van de twintigste eeuw.

Hij schreef angstige, kale, hopeloze gedichten. Poëzie zonder franje, met een monomanie die je verbluft.

Wat misdeed Everwyn Wessels?

In de bundel Asiel staat gelukkig een klein voorafje, geschreven door de postume bezorgers van zijn poëzie. Hij `het sy lewe lank gedigte geskryf', lezen we daar, maar het bleef bij enkele tijdschriftpublicaties. Het was zijn eigen wens dat zijn werk pas na zijn dood zou worden uitgegeven. En heel laconiek staat er ook nog: `Wessels, 'n vrygesel, was nie menssku of asosiaal nie, maar was tog in vele opsigte 'n alleenloper.' Een Einzelgänger, in goed Hollands.

Doemt daar iets op?

In Snags as die mense slaap... treffen we het credo aan van Everwyn Wessels, die ook wel eens ondertekende met de naam Vrolijkheid Wessels. Vrolijkheid, zo heette de wijk waar hij werd geboren. Al het menselijk streven leidt tot niets, luidt het credo, roem en glorie verkeren tot stof, het leven is een doelloze cyclus. Het zoeken naar God en paniek zijn synoniem. Asiel is er alleen in de poëzie.

De opbouw van het gedicht is quasi naïef, en juist daarom misschien zo doeltreffend. Na een elegische introductie, waarin bij nacht de zelfwerkzame huizen kalmpjes verbreken wat door het stucwerk nog wordt bijeengehouden, volgt de ritmische bezwering. De bataljons van de huizen bestaan uit ratten, muizen, wortels, wormen, motten en schimmel. Maar ook overdag staat de afbraak niet stil, al gedragen de mensen zich nog zo passief. Er is gras, er is roest. En, stilletjes, de wortels. En, zonder ophouden, het stof. Herhalingen en opsommingen versterken het beeld van een onstuitbare afbraak. Dag en nacht, dag en nacht. Sif, sif. Het zeeft en kruipt. En die, en die, en die. De dichter hijgt. Een genadeloze cyclus, met maar één uitkomst –

En die plek is leeg

– waarop onmiddellijk volgt dat het gesteente heeft plaatsgemaakt voor de troon. Dat het geitje weer koning is in de zomerzon. En, als genadeslag, dat de stilte tevreden is. Een opwekkende noot als einde, al is het nauwelijks vrolijkheid.

Zou de ultieme verklaring voor de minachting die Everwyn Wessels fataal werd misschien zijn dat hij te pessimistisch is?

Ik vraag maar wat.

Aan Wessels' derde postume bundel, Afsydige Woestyn, is een nog curieuzer voorafje toegevoegd. Er bestaan, lezen we daar, nog veel meer publiceerbare gedichten van hem, maar de bezorgers houden het voor gezien. Ze hebben het restant bij een universiteit in bewaring gegeven en wie eventueel belangstelling heeft moet het daar maar gaan bekijken. Vaarwel.

Dat was ook alweer in 1988.

Ik ben met een vraag begonnen. Ik eindig met een vraag. Waar blijven de verzamelde gedichten van Everwyn Wessels?