Slachthuizen

Niet gezocht, toch gevonden. In het antiquariaat tastte ik verkeerd naar een favoriete schrijver en hield opeens een curieus, brochure-achtig uitgaafje vast. Het was een boekje uit 1954, het heette Les Abattoirs en het bleek de Nederlandse vertaling van twee essays uit de jaren twintig van Kurt Tucholsky en Georges Duhamel over slachthuizen. ,,Zij schreven een aanklacht en een aangrijpend getuigenis'', stond er op het bloederige kaftje.

De uitgeverij was De Boekerij, die hiertoe had samengewerkt met De Nederlandsche Vegetariërsbond, ook verantwoordelijk voor uitgaven als `Hoe kan de vegetariër zich voldoende voeden?' en `Het belang van de voedingswijze in de christelijke Askeze'. Dat is nog eens wat anders dan macrobiotische sponsjes van Albert Heijn eten.

Werelden gingen voor me open, maar ik besloot me even tot Tucholsky en Duhamel te beperken. Het werk van Tucholsky kende ik redelijk, maar ik wist niet dat hij ooit over een abattoir in Oost-Parijs had geschreven. En hoe! Alsof Tom Wolfe zich in een tijdcapsule had laten terugschieten naar het Parijs van de jaren twintig.

,,Daar ligt een reusachtige os'', schrijft Tucholsky, ,,aan alle vier de poten vastgebonden, een zwarte blinddoek bedekt zijn ogen. De slachter heft zijn hand op en jaagt hem een draadnagel in de kop. De os spartelt. De nagel wordt er uitgetrokken en een nieuwe, langere erin gestoten; nu beginnen de achterpoten van het dier wild te slaan, alsof het zich wilde verdedigen tegen deze laatste, ontzettende pijn. Een halve minuut later is zijn keel doorgesneden, het bloed spuit eruit. Men ziet als in een donkere, rode holte in het binnenste van de os; uit die holte komt het bloed gespoten, het ziedt als een draaikolk, de kop van de os kijkt van opzij toe. Daarna wordt hij gevild... De volgende!''

Daar kan Duhamel niet tegenop, vooral niet omdat zijn walging pathetisch wordt bij zijn beschrijving van een slachthuis in Chicago. Tucholsky blijft een koele chirurg, Duhamel wordt zelf slager.

Maar deze passage van Duhamel over varkens mag ik toch niemand onthouden. ,,Het dier, dat juist is gedood, zwaait de reinigingskuip in... Stel U voor een lange stinkende kuip, waar de cadavers van hun vuil worden ontdaan. Zwart als modder gaan ze erin, rose komen ze eruit, voor eeuwig rose, van dat zachte, tere rose, waar geen betere naam voor is te vinden helaas, dan tuberculeus rose.''

Hoe groot zou de verbijstering van Tucholsky en Duhamel zijn geweest als ze de afgelopen weken in Nederland hadden kunnen rondkijken? Niets was er fundamenteel veranderd, zouden ze moeten concluderen, hoogstens de techniek van de moord. En ik zou hen dit citaat uit een artikel van Larissa Pans in Vrij Nederland hebben laten lezen: ,,De kop van de voorste werd in een beugel gedaan, de doodmaker zette het schietmasker op de koeienkop en schoot een pin door de schedel heen. Het beest raakte in coma en viel om.''